Loeiende gedichten

DE GEDICHTEN van Les Murray móest ik wel hardop lezen. Ik had geen keus. Er is muziek waar je niet stilzittend en zwijgend naar kunt blijven luisteren, en de poëzie van deze Australische dichter zit zo vol klank en muziek dat ze iets in mij in beweging bracht, me als vanzelf op de lippen kwam en luid wilde worden. Dat is in mijn ogen een compliment aan de dichter; het is een even groot compliment aan de vertaler, Maarten Elzinga, die een ruime keuze uit Murrays poëzie vertaalde in De slabonenpreek.

De la musique avant tout chose, muzikaliteit voor alles, zo eiste Verlaine in zijn Art poétique, en een andere dichter, Paul Valéry, vergeleek dichten met dansen. In beide gevallen gaat het erom duidelijk te maken dat de woorden van de dichter je weglokken van een enkel verstandelijk begrijpen van de wereld om je heen. Een gedicht laat je de wereld misschien fysiek ‘begrijpen’, als je dat zo kunt zeggen. De taal van de dichter maakt dat je, net als bij het luisteren naar muziek, niet meer met enkel je rede tegenover de wereld staat, maar dat je erin opgaat, of althans, zo voelt het. Ongeveer zoals dieren vermoedelijk in de wereld staan. Dat weten we niet zeker, want zodra we iets dergelijks formuleren zitten we alweer in ons eigen hoofd en zijn we alweer van die wereld gescheiden.
'ALLE IK staan op voer’, zo begint bijvoorbeeld het gedicht 'De koeien op slachtdag’, en het is een formulering die van mij onmiddellijk een koe onder de koeien maakt, een moment van identificatie dat duurt zolang ik dit gedicht lees. De tractor die in het gedicht opduikt, komt dan natuurlijk niet langer aanrijden. Voor een koe bestaat dat niet. De tractor komt 'aangedraafd in zijn gebrom’. En eigenlijk ben ik lezend geen koe, maar ben ik koeien, kudde, 'alle ik’, en de slacht van één zo'n 'ik’ is de slacht van mij allemaal. De dichter lost hier dus mijn ik op, delgt de afstand tussen ik en wereld. Zo lijkt het. Want ik sta natuurlijk niet in de wei. Ik zit in mijn stoel, lees hardop wat ik lees en noem dat voor de duur van dit gedicht misschien wel 'loeien’.
Murrays gedichten vormen als het ware een scharnier tussen denken en ervaren, tussen droom en daad. 'Niets is gezegd voor het uitgedroomd werd in woorden/ en niets is waar wat alleen maar in woorden verschijnt’, lees je in het poëticale gedicht 'Poëzie en religie’. Dat wat we dromen, voelen, denken kristalliseert zich uit in woorden, wordt idee, en elk idee wil op zijn beurt werkelijkheid worden. 'Een idee fluit met je lippen’, schrijft Murray fraai in 'De levenscyclus van ideeën’, 'lacht met je adem./ Een idee heeft zin in je lichaam.’ Wat Murray in zijn poëzie doet, is proberen om het idee precies daar halt te laten houden. De met elk idee verbonden lust gedachten in daden om te zetten, kan er bijvoorbeeld maar al te gemakkelijk toe leiden dat een idee 'executies organiseert of tussen grafieken/ van wereldheerschappij zich ontspant’. Maar een werkelijk gerijpt idee, stelt Murray, 'zal plotseling/ kleiner willen worden dan zijn dragers.// Het verlangt de gedaante van een gedicht:/ aards precieze onsterflijke trance,/ mans als stijgbeugels ooit,/ brullend als de panter.’
In het gedicht komen lichaam en denken als het ware bij kaar, is het denken lichamelijk. Dat wat alleen in woorden verschijnt niet waar kan zijn, leidt niet tot zwijgen, maar tot een spreken zonder te liegen, omdat het verbonden blijft met wie men (met huid en haar vooral) ís, niet met wie men op grond van zijn woorden alleen méént te zijn. 'Alleen kunst kan een idee bevatten’, schrijft Murray, en dat lijkt op een vorm van estheticisme. Maar het is juist een vorm van engagement, een in wezen moralistische, zij het geenszins prekerige boodschap aan al diegenen die hun ideeën groter maken dan hun dragers, want dat is de soort ideeën 'die jouw vlees misschien vordert/ om zichzelf te belichamen’.
Murrays 'moralisme’, om het dan zo maar te noemen, leidt nergens tot ge- of verboden, tot een waarschuwend geheven gertje, al lijkt dat misschien naar aanleiding van bovenstaande citaten even zo te zijn. En natuurlijk, zijn dichterschap als zodanig is een verzet tegen een denken en doen dat de 'aards precieze onsterfelijke trance’ heeft verruild voor een hemelbestormende, blinde en dodelijke roes - maar het gaat niet om slogans. Telkens weer, in dierportretten (koeien, varkens, emoes, potvissen), in portretten van planten (de wurgvijg, de hanenpootstruik, de bloeiende eucalyptus), maar ook in machineportretten (de space-shuttle, het lanceerplatform) neemt hij je mee naar de binnenkant van dingen. En voor je het weet ben je 'alle ik’, ben je het Wij van het varken dat zich, op zijn kop hangend in een slachterij, herinnert: 'We vraten knap./ We wroetten in struikgewasgangen naar smakelijke rot./ We waren toen allemaal neukers. En dik, hm?’
In dat alles is Murray een dichter die - in tegenstelling tot de echte moralist - niets uit wil sluiten. Hij is een eivolle dichter en zijn poëzie laat zich lezen als een verdediging - nee, meer nog als het celebreren van die volheid. Ze is inderdaad zoals hij schrijft: aards en dat betekent vooral dat mooi en lelijk, goed en kwaad, leven en dood steeds beide als gelijkwaardige momenten aanwezig zijn. Je kunt ook zeggen: er niet toe doen. Na zo'n gedicht over varkens bijvoorbeeld, ga je heus niet wantrouwig naar je speklapje kijken als was het een pleidooi voor vegetarisme. Nee, veeleer denk je bij het eten van speklapjes: wij zijn allemaal neukers, en word je onderdeel van een kringloop waarin je je zelf als smakelijke rot leert zien. Met schrik misschien, maar onvermijdelijk. Zo kom je jezelf al lezend in beeld.
'ZONDIG zachtjes tegen ons’, zeggen de bonenstengels in het gedicht 'De slabonenpreek’. De bonen die in dat gedicht zo mooi in en op zichzelf bestaan, als haast onaanraakbare 'rekruten in muntgroen Air Force-nylon, met opengeknoopte bladeren’, vragen erom te worden aangebroken. En de manier waarop Murray ze ons leert kennen, die slabonen, als 'rijpe, knobbelige, vlezig-dikke,/ dun-rechte, dun-halvemaanvormige, breed gefronste, vogelschouderige, kielgebogene/ geknokkelde bonen of met een enkele bult’, maakt dat we lezend allang met dat zondigen zijn begonnen, dat we niet meer tegenover die bonen, maar ertussen staan, als het ware. En wat ik, door de muzikaliteit gedwongen, hardop lees is bonenpraat, geknor, geloei.