Ger Groot

Loep

«Zo wilde ik later wonen: met boekenkasten, veel schilderijen en hoge plafonds», mijmert Ivan Wolffers over het huis van zijn grootvader. Dat blijkt aardig te zijn gelukt. Het huis dat hij samen met Marion Bloem bewoont is hoog van plafond en ruim van schilderwerk voorzien. Dat blijkt uit het zojuist verschenen koffietafelboek Schrijvers en hun huizen van Erdmute Klein en Annelies Rigter (uitg. Byblos). Vijftien auteurs lieten hun woning ervoor in details fotograferen en zich interviewen over hun huidige en vroegere woonsteden.

Zo’n boek krijgt daar onvermijdelijk iets van het betere interieurtijdschrift van, inclusief de onwezenlijke netheid die hoogstens wordt weersproken door wat quasi-achteloze bric à brac. Bijna als een concessie aan de rommel van alledag tonen de laatste bladzijden de chaos in het stads- en vooral tuinhuis van Simon Vinkenoog, waar de boeken zich eindelijk onbekommerd mogen aaneenrijgen, opstapelen en verspreiden.

Het contrast kon niet groter zijn dan met het prachthuis van Arthur Japin, waarmee het boek opent. De ruggen staan er in de kasten keurig in het gelid, gerangschikt naar reeks en uitgeverij, en hun eenvormigheid schept een klassieke orde. Bij de meeste schrijvers zitten de boekenkasten, voor zover we daarvan een glimp mogen opvangen, tussen die twee uitersten in. Op de meeste interieurfoto’s blijkt hun bibliotheek nogal bescheiden – tenzij de bewoners hun rijkdom niet wensen te tonen, wat ook een vorm van bescheidenheid is. In het interview met Wolffers is er tussen neus en lippen door sprake van een huisbibliotheek, maar ook daarvan krijgen we niets te zien.

Wat staat er bij de diverse auteurs dan wél in de kast? Achter de werktafel van Tomas Lieske het zestiendelige standaardwerk Het leven der dieren van Grzimek, bij Renate Dorrestein het volledige Woordenboek der Nederlandsche Taal. Bij Nelleke Noordervliet valt naast de bijbel de grote Van Dale op die ook al bij Kees van Beijnum onder handbereik staat. De wonderlijkste werkkast heeft Aya Zikken: helemaal gevuld met videobanden. Frédéric Bastet doet het aan zijn werktafel zonder boeken.

Bij de andere schrijvers moet de loep eraan te pas komen, maar dan nog laten zich in Rosita Steenbeeks kast alleen een paar oude Aula-pockets onderscheiden. Pontificaler is Carolijn Visser: Kafka’s verzamelde werken (brede band, grote letter), boeken over China en een passende rij reisgidsen zijn duidelijk te zien. Bij Charlotte Mutsaers ligt Hella Haasses Het dieptelood van de herinnering op de schrijftafel en achter Oek de Jong zijn nog net de volledige Van Ostaijen en Lucebert zichtbaar. Japin maakt het opnieuw makkelijk: veel Pléiades, Ambo-klassieken, de Gouden Reeks van Athenaeum, Russische Bibliotheek en Privé-domein.

Helemaal behaaglijk en vertrouwenwekkend is die schrijversnetheid niet. Waar gewerkt wordt is rommel en een boekenkast is er niet voor het mooi. Het liefst dwaalt de lezer, op bezoek bij vrienden of (zoals hier) bij zijn schrijvers, erin rond om – zoals dat heet – te zien wie zij zijn. Tot voyeurisme uitgenodigd speurt hij naar herkenningstekens: bekende banden, vertrouwde typografie, een gedeeld bezit en het besef dat de ander dat boek kennelijk ook de moeite waard vindt.

Over de foto’s van Vinkenoog zwerft dankbaar het vergrootglas: Paul Valéry, een deeltje Borges, veel Nabokov en zowaar Den Doolaard. Over die van Lieske: een Plato-vertaling, Ulysses, Roland Holst en een vertaalde Proust. Roze-opvallend is een Taschen-boek met erotische foto’s, waarin het omslag van zijn roman Grand Café Boulevard niet te vinden bleek. En plots begint zijn boekenkast te leven: ik weet dat hij naar die anonieme foto lang maar vruchteloos op zoek was.

Zo worden bij het speuren de boekenkasten gaandeweg raadselachtiger. Wat doet Bolland op één plank met Hans Andreus bij Nelleke Noordervliet? Romaans Nederland bij Oek de Jong naast de foto van een der laatste indianenopperhoofden? Drie video’s met Wim Kan bij Aya Zikken vlak onder Pretty Woman, Indecent Proposal en Schindler’s List?