Lof der egoïsten

W.N.P. Barbellion, Dagboek van een teleurgesteld man. Vertaald en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Harry Oltheten, uitg. Arbeiderspers, Privé-domein, 334 blz., 349,90
WIJ KOMEN alleen ter wereld, als wij moeten sterven is er niemand die ons vergezelt, in de slaap zijn wij alleen en velen van ons brengen ook als zij waken het grootste deel van hun leven door in de afwezigheid van anderen - dus waarom is egoïsme zo'n verfoeide eigenschap? Als wij ons leven alleen moeten leiden, waarom zouden wij dan niet de volle aandacht aan onszelf mogen schenken?

De wereld die wij bewonen geeft niets om ons. Wat daarbuiten is, heeft geen weet van ons bestaan, behalve op de momenten dat wij een bedreiging vormen. Elk levend wezen bestaat enkel bij de gratie van het eigenbelang, het is eten of gegeten worden, en toch wordt ons van jongsaf aan voorgehouden dat het van intelligentie en beschaving getuigt om anderen als eerste te laten opscheppen als de pannen op tafel komen. De mens schept er nu eenmaal een eer in om zich van de dieren te onderscheiden op vele manieren, en een ervan is het welzijn van andere wezens te kunnen stellen boven het eigen. Hoe tegennatuurlijk ook - goede oude Moeder Natuur zou korte metten maken met een wezen dat almaar anderen de voorrang gaf -, wij verkiezen onze beleefdheid en belangstelling voor anderen te zien als een teken van beschaving.
DE WESTERSE wereldliteratuur krioelt daarom van de opofferingsgezinde helden, van de queeste-gangers, de kruisridders, de barmhartige Samaritanen en de zelfverloochenende heiligen. De grootste helden onder hen zijn zij die geen beloning verlangen, geen lof of eer voor hun daden. Het zijn de deemoedigen die de aarde zullen beërven, volgens de bijbel. Over de egoïsten wordt niet gesproken, maar voor hen is ongetwijfeld een speciale kwelling uitgedacht in het pandemonium van de onderste, donkerste regionen van de hel, nog onder de echtbrekers, overspeligen en andere reddelozen.
Daar zullen wij ook W.N.P. Barbellion aantreffen. Volgens eigen zeggen is hij de grootste egoïst die ooit heeft bestaan. ‘Eerst als vermoeden, daarna als zekerheid kwam het in me op dat ik een proleet was - een ongevoelige, egoïstische, op sensatie beluste proleet… Voorlopig was de bodem uit mijn behaaglijke zelfvoldaanheid geslagen. Verscheidene eindeloos lange uren dreef ik rond zonder kompas of sterren. Toen stond ik op, stak het gas aan, keek in de spiegel en kwam tot de conclusie dat het echt waar was - ik was een gemeen creatuur, totaal geabsorbeerd door zichzelf.
Als een akte van berouw had ik naar buiten moeten gaan om wormen te eten.’
BARBELLION is een dagboekschrijver, en dat veronderstelt al een egoïstische instelling - men schrijft een dagboek niet om het over de triviale belevenissen van anderen te hebben. Barbellions Dagboek van een teleurgesteld man bevat zijn opvattingen, zijn meningen en zijn teleurstellingen. Deze heeft hij opgeschreven met een openheid en gretigheid die andere schrijvers volkomen doet verbleken, niet alleen dagboekschrijvers maar ook dichters en romanschrijvers. Mijn hemel, wat had deze man een romans kunnen schrijven! De hoofdpersoon uit zijn dagboek, hijzelf, is een figuur die vele bekende romanpersonages reduceert tot halfwassen lieden. De bedenksels van gerenommeerde auteurs waaien uiteen als bladeren in de wind.
De voortdurende innerlijke strijd die Barbellion moest voeren, is de voornaamste drijfveer voor zijn schrijven. Iedere gebeurtenis in zijn ziel wordt verwelkomd in zijn dagboek, 'op voorwaarde dat het een echte autochtoon is - het kan me niet schelen hoe sjofel, hoe lelijk of hoe afstotend’.
Terwijl hij worstelt om de gedachten die hem bestormen zo getrouw mogelijk weer te geven, voert hij intussen een andere strijd met zichzelf, om te voorkomen dat hij ze 'opkalefatert met excuses’, om ze 'achtenswaardiger’ te maken in de ogen van anderen. Dat mag niet: het zou de hele gedachte achter het dagboek geweld aandoen. Waarom anders 'al dat gepieker over de vraag of je ons ja of nee al de smerige kleine onderaardse gruwelijkheden zult mededelen die zich in je geest afspelen?’
Barbellion realiseert zich maar al te goed dat 'elke hoog verheven, rechtzinnige Times- of Spectator-lezer zal vragen: “Wie is in vredesnaam geïnteresseerd in jouw innerlijke mesthoop en bovendien, wie voor de duivel ben jij?”’ De rechtvaardiging van al die 'onderaardse gruwelijkheden’ is dat ze zoveel interessanter zijn dan wat anderen zouden kunnen bedenken: de dagelijkse beslommeringen van mensen in de straat, de zuchterige liefdesbelevenissen van hen die denken dat ze de eeuwige liefde meemaken, de tobberijen van romanhelden, de ingewikkelde theorieën van zijn medegeleerden, het valt allemaal in het niet bij wat hij zelf bedenkt. 'Mijn eigen leven zoals het zich dag aan dag ontrolt, is een bron van voortdurende verbazing, vreugde, en pijn. Ik kan geen interessanter boekwerk bedenken dan een gedetailleerde, intieme, psychologische geschiedenis van mijn eigen leven.’
VOOR DEGENEN die vinden dat wij op aarde zijn om anderen lief te hebben en niet onszelf, moet deze gedachte een joekel van een doorn in het oog zijn. De Moeder Theresa’s en de Franciscussen van Assisi onder ons zullen ongetwijfeld huiveren als ze lezen: 'Mijn collega’s geven me in feite een gevoel van minderwaardigheid, maar in theorie - in de beslotenheid van mijn slaapkamer - voel ik dat weinigen op aarde mijn gelijken zijn.’ Het is niet moeilijk, ook niet voor een goedbedoelende lezer, om de schrijver van zulke woorden te beschouwen als een toonbeeld van arrogantie. Het zou de eerste keer niet zijn dat egoïsme verward werd met arrogantie.
Barbellion mag geobsedeerd zijn door zichzelf, dat betekent niet dat hij zich wenst te verheffen boven zijn medeschepselen. Het is geen kwestie van superioriteit, maar van een blik die zo scherp is dat het dagelijks bestaan, alle glorie en alle absurditeit ervan, in een fel en schaduwloos daglicht komt te staan.
Als iets hem verrukt, is de wereld bijna te klein om zijn emotie te bevatten. Als hij bijvoorbeeld een uitvoering van Tsjaikovski’s Symphonie pathétique heeft gezien, komt hij thuis 'zo barstensvol indrukken dat ik nauwelijks weet wat te schrijven. Zoals gewoonlijk bracht het derde deel een waanzinnige vrolijkheid teweeg; mijn borstomvang scheen met verscheidene inches toe te nemen en ik wilde het uitschreeuwen met donderende stem. Op zulke momenten zijn de regels in een voor iedereen toegankelijke concertzaal vreselijk benauwend.’
ALS IETS hem ergert of hij iets verafschuwt, is het net of zijn blik nog iets scherper wordt, en zijn pen nog iets genadelozer. Zo beschrijft hij haarscherp het huiselijk gedrag van pasgetrouwden, de volkomen tegenpolen van egoïsten: 'Zij dragen een stoel zo teder door de kamer of het een kind is. Of de vrouw maakt sotto voce plotseling een opmerking tegen haar echtgenoot, beiden springen daarop gelijktijdig op (het lot van Warschau onbeslist latend) terwijl jij, tot zwijgen gebracht door deze onverwachte manoeuvre, in je stoel wegkwijnt, de zin waarvan je zwanger was doodgeboren op je lippen. Kort daarop komen ze de kamer weer binnen met het katje dat ze in de bijkeuken hadden gehoord of met een grote stok die ze gebruiken om mee te zwaaien naar een klein meesje in de rozenboom. Zij verontschuldigt zich en beiden gaan weer zitten, geven hun gezicht weer een luisterende uitdrukking, en pikken met een verwoestende beleefdheid de arme, dunne, gerafelde draad op van de conversatie waar die was achtergelaten: “Europa, zei je…”’
Maar het meest fascinerend zijn de momenten dat de schrijver ontdekkingen doet over het wezen van zijn eigen bestaan - als hij zich realiseert wat hij zelf is, 'een voelend wezen op een hemellichaam in de ruimte’. Hij probeert woorden te vinden om zijn verbazing uit te drukken dat mensen 'zich het merendeel van de kostbare dagen van hun bestaan moeten afbeulen voor voedsel en kleding en de naakte noodzakelijkheden van hun bestaan’. Het maakt zijn leven gevaarlijk en totaal onzeker, omdat hij weet wat een immense berg aan foute veronderstellingen, vooroordelen en regelrechte leugens schuilgaat achter de dagelijkse zekerheden en geruststellingen van anderen. Regelmatig is hij er zo erg aan toe dat hij zich met de grootste moeite door iedere dag sleept. 'Ik moet worstelen met elke minuut. Elk uur is een verovering.’ Zelfs in zijn momenten van diepste wanhoop staan zijn worstelingen zo nauwkeurig mogelijk opgetekend.
Als hij eens een tijd niet schrijft, is dat omdat over geluk weinig te vertellen valt. Op 5 mei 1916 maakt hij de korte aantekening: 'Hallo ouwe vriend: hoe staat het ermee? Ja jij, mijn dagboek. Ik heb je in tijden niet geschreven, en mijn zwijgen is zoals gewoonlijk een teken van geluk.’ Het dagboek is 330 bladzijden dik, wat al aangeeft dat Barbellions leven meer strijd en teleurstelling heeft gekend dan perioden van kalm geluk.
WAT WAREN dan die teleurstellingen, dat het hele boek onder die vlag moest varen? Meer dan een mens zou moeten meemaken. Allereerst werd zijn vurig gehoopte carrière als natuurhistoricus - een vakgebied dat hem al vanaf zijn vroegste jeugd fascineerde en dat in het begin van het dagboek een voorname rol speelt - gefnuikt, doordat zijn vader na een beroerte zijn beroep niet meer kon uitoefenen en hij een deel van diens werkzaamheden als journalist moest overnemen. Als hij er later in slaagt om in een open competitie met academici een betrekking te verwerven aan het Londense Museum for Natural History - een buitengewone prestatie voor een autodidact - begint een jarenlang gevecht met redacteuren van de vakbladen, die zijn literaire ambities voortdurend in de weg zitten.
Ook de troost waar hij zo vurig naar verlangt, die van vrouwen, wordt hem onthouden. Te midden van Londense vrouwen met wie hij niet in contact kan komen, kwakkelend met zijn gezondheid, wordt hij razend van een ambitie die hij niet in staat is te bevredigen. Inmiddels heeft de ziekte die hem fataal zal worden, een zeldzame vorm van multiple sclerosis, hem al in haar wurggreep.
Al deze teleurstellingen zijn samen te vatten in één verlammende wetenschap, zoals opgemerkt door de criticus Thomas Mallon: dat het leven hem nooit zo zou liefhebben als hij zichzelf liefhad. Voor iemand die zowel het leven als zichzelf hartstochtelijk liefheeft, is dat een ondraaglijke gedachte.
Toch blijft hij, ondanks zijn zelfhaat, ondanks zijn depressies, ondanks zijn misselijkheid en zijn algeheel deplorabele lichamelijke toestand, altijd bereid om zichzelf en al zijn grote en kleine ongelukken te bespreken. Meer dan eens besluit hij dat hij genoeg heeft van zichzelf en zijn 'neurotische jankpartijen’ en besluit hij hier en nu 'een nieuw leven te gaan leiden en dit dagboek in het hellevuur te gooien. Ik wil het vermorzelen, in stukken scheuren’. Maar dan weer realiseert hij zich dat zijn tijd op aarde eindigt en de vernedering van het sterven nabij is: 'Wat mij verbittert is de vernedering van het moeten sterven, de kostbare levenssappen te moeten gieten in de stomme aarde, je niet langer bewust te zijn van wat er gebeurt, niet langer rond te gaan over de aarde. (…) Te bedenken dat de vrouwen die ik heb liefgehad zullen trouwen en vergeten, en de mannen die ik heb gehaat zullen voortgaan op hun weg en vergeten dat ik hen ooit heb gehaat - de schande dood te zijn!’
Dat is te ondraaglijk. Hij moet verder schrijven.
DE GROTE ironie van dit dagboek van een egoïst blijkt als hij zich, in een van zijn woedebuien, rechtstreeks tot zijn lezers gaat wenden. 'Jullie zelfingenomen, hypocriete lezers! Jullie krijgen niets meer van mij. Alles wat jullie zeggen is voor mij ouwe koek en alle kritiek die jullie zullen lanceren ken ik nu al.’ Op dat moment blijkt er dus toch plaats in zijn wereld voor iemand anders dan hijzelf: voor lezers. Dat gaat geheel in tegen het principe van een dagboek, dat alleen bestemd is voor de ogen van de dagboekschrijver, en niemand anders. Maar natuurlijk heeft Barbellion altijd bedoeld dat zijn werk ook anderen onder ogen zou komen: als egoïst wil hij dat maar al te graag. Hij hunkert naar erkenning en instemming, naar de uitgestoken hand van zijn lezers. Niet omdat hij hen zo belangrijk vindt, maar omdat hij wilde dat ze zouden lezen, omdat wat hij deed al het andere in de schaduw stelde.
Als Barbellion niet zo'n egoïst was geweest, als hij niet zoveel belang aan zijn eigen ego en kijk op het bestaan had gehecht, dan had hij zich nooit zoveel moeite getroost en was dit boek nooit tot stand gekomen. We moeten als lezers buitengewoon dankbaar zijn dat deze man zichzelf belangrijk genoeg vond om wat hij in zichzelf zag zo minutieus te beschrijven. Stel u eens voor dat hij zich alleen maar aan wetenschappelijk werk had gewijd, of dat hij journalist was gebleven! Het zou een misdaad, een grote tragedie geweest zijn als een mens als hij zich had moeten bezighouden met het optekenen van het gezanik en gefemel van anderen. Ik moet ineens aan Boris Vian denken, die zei: 'Goeie hemel, er zijn zoveel anderen die beter eerder het loodje hadden kunnen leggen dan hij.’ Je hoeft geen mensenhater te zijn om te wensen dat deze veel te jong gestorven geniale egoïst de plaats in zou kunnen nemen van een paar altruïsten die je kent, die altijd rekening houden met anderen, die altijd in de weer zijn om de wereld een betere plek te maken, die het 'Nog een kopje thee, lieverd?’ in de mond bestorven ligt, en die geen gelegenheid laten liggen om luidkeels te verkondigen, per goede-doelgiro, per boze briefkaart of per ingezonden brief, dat zij vóór het goede en tégen het slechte zijn.
Honderd keer liever wenste je jezelf in de hel bij Barbellion en de andere egoïsten dan in de hemel, waar je tot in alle eeuwigheid onder de voet wordt gelopen door tegen-het-racisme-demonstraties, en waar het gerammel van de collectebussen oorverdovend is.