Lof der ijdelheid

IN EEN aflevering van de serie 30 minuten getiteld ‘Naar Maartje’ heeft Arjan Ederveen het prototype van de ijdele politicus genadeloos gepersifleerd. Hij vertolkt daarin een politica die alle interesse in politieke kwesties verloren heeft. Zij kent nog maar één drijfveer: ze wil schitteren in Nova als Maartje van Weegen presenteert. Ze liegt en schmiert net zo lang tot ze haar zin krijgt - om daar vervolgens hopeloos af te gaan, want ook bij Ederveen komt hoogmoed voor de val.

Ederveen heeft het alledaagse oordeel over ijdele politici perfect aangevoeld. Zelfs politici zien ijdelheid als zonde. Zo wordt een kamerlid dat een voor de regering onwelgevallige motie indient, gemakkelijk verweten dat hij dat alleen maar doet omdat hij ‘weer zo nodig met zijn naam in de krant moet’.
Deze afkeuring van ijdelheid is een majeure vergissing. IJdelheid is namelijk het meest - zo niet het enige - democratische motief om politicus te zijn. Politici moeten hun ijdelheid niet afleren maar koesteren en stimuleren. Ze moeten geen genoegen nemen met een enkel bezoek aan Maartje of een vermelding in de krant. Ze horen zich met verve over te geven aan de grootste ijdelheid van alle: de wens geschiedenis te schrijven. Mijn ideale politicus droomt van onsterfelijkheid en handelt daarnaar.
MIJN VOORLIEFDE voor ijdele politici staat, dat besef ik terdege, haaks op de common sense. Het is immers een ontkenning van het oude geloofsartikel dat een politicus nooit zijn eigenbelang mag dienen. Daarom mag een politicus ook nooit genoegen scheppen in zijn vak of de beste willen zijn. Een vakman die zichtbaar plezier schept in zijn werkzaamheden zal doorgaans beter presteren dan een ongeïnspireerde collega. Alleen in de politiek gaat deze koude-grondpsychologie niet op. Een politiek ambt behoort met frisse tegenzin te worden aanvaard.
Plato heeft al geschreven dat de enige goede politicus een politicus is die de ambitie mist om politicus te zijn. In zijn ideale staat is de strijd om een publieke functie te mogen neerleggen dan ook even sterk als de strijd om een publieke functie te verwerven. De enige legitieme reden om toch een ambt te bekleden is de overtuiging dat anderen het volk minder goed dienen. Want dat is het criterium. Het handelen van een politicus mag alleen worden ingegeven door wat het beste is voor de bevolking, nooit door wat het beste is voor de politicus zelf. De politicus verschijnt in deze visie als ouderwetse onbaatzuchtige moeder van een groot gezin: ze zorgt voor iedereen maar nooit voor zichzelf. Het spreekt voor zich dat ijdelheid zich slecht verdraagt met deze onbaatzuchtigheid.
Een tweede reden waarom ijdele politici doorgaans niet mogen rekenen op onmiddellijke sympathie is gelegen in het wijdverbreide misverstand om politici te beoordelen op basis van hun persoonlijkheid. In de omgang met vrienden of geliefden kan ijdelheid een handicap zijn, maar een politicus is geen vriend en al helemaal geen geliefde. Politici moeten dan ook niet getoetst worden op waarden uit de privésfeer.
Richard Sennett heeft in The Fall of Public Man beschreven hoe charisma in de loop der tijden is veranderd. Vroeger was een leider charismatisch als hij over een kwaliteit beschikte die het gewone volk miste, bijvoorbeeld een bijzondere toegang tot God. Nu moet een charismatisch leider vooral gewoon zijn en uitblinken in een oprechtheid die de kiezer ook voor zichzelf nastreeft. Het gevolg is dat we geobsedeerd zijn geraakt door de motieven van politici. Als de motieven van de politicus zuiver zijn, doen zijn daden er niet meer toe. Zo kan het gebeuren dat veel kiezers Kok, ondanks zijn gebroken beloften met betrekking tot de WAO en de ontkoppeling, een betrouwbare politicus vinden, omdat niemand aan zijn goede bedoelingen twijfelt.
DE EIS VAN oprechtheid en de eis van onbaatzuchtigheid hebben gezamenlijk het wantrouwen in de politiek tot ongelooflijke hoogten opgestuwd. Elk persoonlijk genoegen of gewin moet worden verdoezeld in quasi-bescheiden, ontwijkende antwoorden. 'Als de partij een beroep op mij doet, zal ik mijn verantwoordelijkheden niet uit de weg gaan.’ De politicus wordt gedwongen om zijn motieven te maskeren. Het is een klassieke Catch 22. De politicus die eerlijk uitkomt voor zijn persoonlijke ambitie is niet onbaatzuchtig genoeg. De politicus die zich presenteert als onbaatzuchtig is hypocriet omdat iedereen ambitie vermoedt achter zijn gespeelde martelaarschap. Maar als alle politici hypocriet zijn, verliest het ontmaskeren van politici zijn kritische waarde. De politicus die zijn ambitie maskeert is net zo'n hypocriet als de politicus die liegt en zijn beloften niet nakomt. Een publieke herwaardering van ijdelheid kan aan deze hypocrisie een einde maken. Het schept ruimte om politici weer te beoordelen aan de hand van wat ze doen en niet van wat ze bedoelen.
De zegeningen van de ijdele politicus worden vooral duidelijk als we hem vergelijken met de twee andere prototypen: de idealist en de huisbewaarder. De idealist komt het dichtste bij wat Plato van zijn optimale heerser verwacht. Hij kent maar één zorg: het welzijn van het volk. Van de idealist bestaan twee varianten. Er zijn de idealisten die hun morele superioriteit voor geen goud willen laten bezoedelen, zoals Jacques de Milliano. Toen het CDA koos voor een hard standpunt inzake voormalige Joegoslaven met een A-status en zijn engagement in het gedrang kwam, koos hij voor de terugtocht. Het is een nobele houding, maar met 'fifteen minutes of fame and purity’ verander je de wereld niet.
IDEALISTEN van het De Milliano-type zijn geen reëel alternatief voor de ijdele politicus omdat ze een onbedwingbare behoefte hebben om zichzelf buitenspel te zetten. De idealist van het tweede type is een geduchtere tegenstander. Deze realpolitische idealisten beseffen dat ze vuile handen moeten maken om iets tot stand te brengen. Het democratische gehalte van deze idealisten schiet vaak te kort. Niet zelden hebben ze voorhoedepretenties die hun het recht verschaffen om de huidige voorkeuren van de bevolking te negeren. Het sacrosancte doel heiligt immers de middelen. Naast dit principiële bezwaar speelt echter ook het afbrokkelende geloof in de maakbaarheid van de samenleving hun parten. Het is steeds moeilijker om de juiste ingrepen en instituties te bedenken die de samenleving in de gewenste richting moeten sturen. Met een verwijzing naar J.B. Priestley valt veel maatschappijvernieuwing te typeren als 'too many broken eggs and not enough omelettes’.
Het failliet van de idealisten heeft tot gevolg dat de Nederlandse politiek vooral wordt bevolkt door het andere alternatief voor de ijdele politicus: de huisbewaarder. Voor de huisbewaarder is bescheidenheid het toverwoord. Hij kent maar één angst en dat is dat hij te veel belooft. Hij vereenzelvigt zich volledig met het landsbestuur en beperkt zich tot het bedenken van aanvaardbare oplossingen voor problemen die het beheer van vijftien miljoen inwoners en een fors aantal kandidaat-inwoners aan de grenzen onherroepelijk met zich meebrengt.
Bij een debat in De Balie introduceerde Jan Tromp onze huidige premier door hem te vergelijken met een schilderij van de Amsterdamse kunstenaar Oey getiteld: 'Even stofzuigen en Nederland is af’. Dat illustreert het gevaar van de huisbewaarders. Ze willen niks meer. In verkiezingscampagnes proberen ze niet zozeer de tegenstander af te troeven alswel fouten te vermijden. Zelfs de persoonlijke ambitie en strijdlust worden in deze lafheid gesmoord. Het meest ontluisterend was een uitspraak van Roger van Boxtel in de Volkskrant, waarin hij het geheim onthulde van een politieke carrière: belangrijker dan iets presteren is het voorkomen van fouten.
DIT VOOR DE Nederlandse politieke cultuur kenmerkende gebrek aan ambitie kan naar mijn overtuiging alleen worden doorbroken door politici met een ongekende ijdelheid, door mannen en vrouwen die hun bestaan willen bevestigen en dromen van een hoofdrol in tenminste de Nederlandse historie. In het buitenland is deze drang naar onsterfelijkheid meer geaccepteerd. Zonder de ijdelheid van de gaullistische president Pompidou zou het Centre Beaubourg niet zijn gesticht. En aan de onmatige eigendunk van Mitterrand heeft Frankrijk een prachtige nationale bibliotheek en een piramide bij het Louvre te danken. In Amerikaanse kranten wordt vrijuit geschreven over de vraag op welke manier Bill Clinton de geschiedenisboeken in zal gaan. Zijn bemoeienis met het conflict in het Midden-Oosten wordt daaruit verklaard. Hij wil liever herinnerd worden als vredestichter dan als de hoofdrolspeler in een klucht met stagiaires, jurken en sigaren.
Nederlandse politici worden na hun vertrek uit de landspolitiek daarentegen snel vergeten. Sommige mensen noemen een AOW ontvangen nog 'van Drees trekken’, en Schmelzer heeft natuurlijk zijn 'nacht’. Maar wat is er met Den Uyl, Van Agt of Lubbers gebeurd? Ik weet dat er in een desolate Groningse nieuwbouwwijk een Den Uylstraat is, maar dat is een magere oogst. Zelfs mijn opa is voor zijn verdiensten voor de politiek in Soest beloond met de A.P. Hilhorstweg. Maar nog nooit heb ik gehoord van een Van Agt Stichting, zoals er een Gorbatsjov Foundation is. Ik zou zo snel ook niet weten wat de doelstellingen van die Van Agt Stichting zouden moeten zijn, behalve het behoud van het pittoreske taalgebruik in de Nederlandse politiek. Lubbers heeft met zijn no nonsense-beleid wel een gooi gedaan naar onsterfelijkheid, maar in huidige debatten valt zijn naam toch eigenlijk vooral wanneer het gaat over onverbeterlijke allochtone jongetjes die opgesloten moeten worden in een Lubbers-kampement.
OM DE STROPERIGHEID van de huisbewaarderspolitiek te doorbreken is de ijdelheid van Mitterrand of Pompidou niet voldoende. Een politicus moet er niet op uit zijn om zijn naam te verbinden aan een kunstwerk, maar zelf in de politiek een kunstwerk tot stand brengen. De filosofe Hannah Arendt heeft geschreven dat de politiek bij uitstek het domein is waar iets nieuws kan worden gecreëerd. De ijdele politicus stelt zich ten doel om het aanzien van Nederland te veranderen. He wants to make a difference.
Nu heeft geen enkele politicus natuurlijk zo veel macht om dat eigenhandig voor elkaar te krijgen. Drees heeft zijn noodwet voor de AOW ook niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij is er echter wel in geslaagd om de credits op te strijken. En dat is al de helft van het werk.
Een politicus die een historische rol wil spelen moet ook geduld hebben. Helmut Kohl heeft zich tot de Duitse eenwording nooit laten kennen als een voortvarend politicus, maar toen hij de kans kreeg geschiedenis te schrijven, was hij onverschrokken. Margaret Thatcher leek tot de Falkland-oorlog een deerniswekkende figuur, maar zij heeft van het conflict met Argentinië optimaal gebruik gemaakt om zichzelf een historische rol aan te meten en deze rol vervolgens te gebruiken om ook in eigen land drastische veranderingen tot stand te brengen. Elco Brinkman was een ijdele politicus die dit gevoel voor timing miste. Hij was de politicus die het belangrijker vond om daadkrachtig over te komen dan om daadkrachtig te zijn. Nog voor hij zijn positie had vastgesteld, droomde hij in het campagneboek Elco Brinkman over het droogleggen van stukken zee voor de kust van Nederland. God schiep de wereld, de Nederlanders schiepen Nederland en Elco schiep de Hollandse eilanden.
DE IJDELE POLITICUS heeft veel weg van de idealist. Beiden willen iets veranderen of tot stand brengen. De ijdele politicus is echter veel democratischer. Voorhoedepretenties zijn hem vreemd. Hij wil immers iets tot stand brengen waarvan hij vrij zeker weet dat het op termijn door de bevolking gewaardeerd zal worden. De ijdele politicus loopt nooit meer dan anderhalve stap voor de troepen uit. En dus zal hij altijd een open oor houden voor de stem van het volk. Toch is hij evenmin een populist die zich laat leiden door opiniepeilingen en zich beperkt tot het verwoorden van de mening van de meerderheid. Dat biedt hem immers te weinig mogelijkheden om zich van andere politici te onderscheiden. Geen ijdelheid zonder distinctiedrang! Deze attitude verschilt dus hemelsbreed van de ware gelovige, die op basis van zijn kennis van de wetten van de geschiedenis onomstotelijk weet wat het goede is voor iedereen.
Een voordeel van de ijdele politicus is bovendien dat hij wil laten zien wat hij doet. Waar de onbaatzuchtige politicus eerder gedwongen wordt om zijn eigen bijdrage aan een bepaalde uitkomst te verhullen - de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand doet - wil de ijdele politicus erkenning voor zijn briljante interventie in het besluitvormingsproces. In zijn beleving geldt immers dat alles wat niet is waargenomen, niet bestaat. De ijdele politicus is hierdoor controleerbaarder dan de idealist of de huisbewaarder die elke openheid van zaken slechts opvat als een bedreiging. En als een ijdele politicus eenmaal zijn naam aan een bepaald doel heeft verbonden, zal hij er ook ongenadig hard voor vechten om het tot een succes te maken. Een mislukt project bedreigt immers onverbiddelijk zijn zelfbeeld en zijn mogelijke historische rol.
IN NEDERLAND is er op dit moment maar één politicus die in de buurt komt bij mijn ideale ijdele politicus, en dat is Ad Melkert. Bolkestein was natuurlijk ook heel ijdel en zijn zelfbenoemde historische opdracht om elk spoor van de jaren zestig uit te wissen, getuigde van de juiste hoogmoed, maar een historische rol heeft hij niet opgeëist omdat hij niet wilde regeren. Misschien was hij daar wel te ijdel voor, als dat kan. Melkert is wel bereid zich opofferingen te getroosten voor zijn historische rol en toch staat zijn ijdelheid buiten kijf. Iemand die zo ijdel is dat hij zelfs zijn naam verbindt aan klotebanen zonder perspectief heeft de juiste instelling. En dat bedoel ik niet ironisch. Jarenlang is additionele arbeid een taboe geweest. Het heette dat de economie er niet beter van werd en het dus slechts het verdelen van armoede was. Melkert heeft op dit gebied een waterscheiding tot stand gebracht. En zijn ijdelheid heeft hem daarbij geholpen, want toen de Melkertbanen onder vuur kwamen te liggen, kon hij het zich door de naamgeving van de additionele arbeid niet veroorloven om op zijn schreden terug te keren.
Ook zijn optreden in de kabinetsformatie stemt hoopvol. Hij was Wallage nog maar net opgevolgd of hij begon al met het stellen van extra eisen. Hij wilde bovendien dat de pers wist dat hij dat had gedaan. Niet omdat die eisen zo belangrijk waren, maar om voor het oog van het volk te laten zien dat hij meedeed. En dat stond in schril contrast met de andere onderhandelaars die vooral uitmuntten in omfloerst taalgebruik en het te berde brengen van betekenisloze metaforen.
Juist door zijn ijdelheid heeft Melkert zich een daadkrachtiger en democratischer politicus betoond dan de andere bewoners van het Binnenhof. Hopelijk weet hij die ijdelheid te bewaren als hij Kok opvolgt. Want hij bewijst het ongelijk van Plato. Een gebrek aan onbaatzuchtigheid hoeft niet ten koste te gaan van het volk. Van de nietszeggende allesverhullende en ambitieloze bescheidenheid van andere politici heeft de kiezer meer last. IJdelheid is in feite het politieke equivalent van de onzichtbare economische hand van Adam Smith. Het zorgt ervoor dat politici door hun eigenbelang na te streven het volk ter wille zijn.