Lof der lafheid (10)

Tot slot, de lafheid als excuus. LE:

Het zal u waarschijnlijk niet opvallen, maar excuses worden meestal door de eerste generatie gemaakt; de tweede generatie weigert dat eenvoudigweg; de derde generatie moffelt daarentegen weg dat er ooit een eerste en een tweede generatie zijn geweest.
De eerste generatie schaamt zich; lafheid is hun enige overlevingsstrategie. De tweede generatie is ook laf, maar vecht ertegen door te overdrijven. De derde generatie geneert zich voor de familie.
Mijn dochter kan steeds meer begrijpen wat ik doe in het dagelijks leven, maar begrijpt zodoende minder van mij. ‘Waarom zit je zo te schelden op die politici?’ vraagt ze.
Ik leg het uit.
'Je moet je niet zo druk maken’, zegt ze dan.
Derde generatie. Ze schaamt zich voor me als ik op de televisie ben geweest en weer heb zitten schreeuwen. Vermoedelijk hoort zij als een van de weinigen de angst in m'n stem. Het is waar: steeds weer zoek ik op waar ik bang voor ben, niet omdat ik moedig wil zijn, maar juist omdat ik laf ben. Het is alsof ik de bewijslast heb. Het lukt me niet me van de dingen af te wenden - daarvoor is de confrontatie met m'n eigen lafheid te pijnlijk.
Lafheid als fatsoen.
De fatsoenlijkste mensen zijn altijd de Nederlanders van ergens anders - ze worden om hun fatsoen uitgelachen. De Surinamer in zijn nette pak die handkussen geeft en bij alles 'Dankuwel mevrouw’ zegt; de Marokkaan die elke zin begint met 'Excuseer mijnheer, maar…’; de Turk die zich klein maakt en achter elke zin 'Tot uw dienst’ zegt.
Ongrijpbaar want keurig, dachten ze - en juist om hun streven naar fatsoen worden ze bespot.
Terecht, denk ik. Spot relativeert, spot is het beste breekijzer tot normaal gedrag.
'Indische mensen zijn altijd heel nederig, is het niet?’
'Indische mensen zijn erg gedienstig, hè?’
'Indische mensen hebben zo helemaal hun eigen wereldje.’
'Indische mensen - we hadden ze in de buurt - bemoeiden zich niet met anderen, maar waren wel hartstikke beleefd, als je ze tegenkwam.’
'De Indische mensen gingen bij ons altijd achter in de kerk zitten.’
Het klopt allemaal.
Moed of lafheid, je wordt er altijd voor gestraft - alleen bij lafheid ben je de ander minder tot last.
Het is vreemd hoe paradoxaal je soms de onuitgesproken familieverplichtingen nakomt. Elke dag werd bij ons Carmiggelt voorgelezen. Soms ook wel Godfried Bomans. Zo iemand te zijn, dat was het; je had aanzien, respect, je kon wat en je werd daarom gewaardeerd. Je bracht vrolijkheid onder de mensen. Mijn vader wees ons elke dag op de grootheid van zijn helden.
Ik schrijf nu zelf bijna elke dag in de krant waarin Carmiggelt schreef, maar mijn vader - als hij nog geleefd had - zou niet trots op me zijn geweest, want ik ben daarvoor te ontfatsoenlijk, te opvallend, te weinig nederig, te luidruchtig, kortom: ik heb een te grote mond.
Was ik maar laf geweest.
Hoe ik elke keer weer, bij elke letter die ik tik, verkrampt ben van onzekerheid, is mijn vader ontgaan; ik moet steeds mijn eigen moed bevechten, terwijl ik me het liefst terugtrek.
Angst, angst!
Ik ben de lafheid - mijn grote vijand van weleer - steeds meer gaan zien als mijn grote vriend: de enige die mij nooit in de steek laat. Ik kan blind op hem vertrouwen.
Lafheid maakt de dingen minder erg, het is zalf tegen het onvermogen. Wie laf is, heeft de zinloosheid van het leven al ingebouwd. Lafheid bevestigt zichzelf. Wie door de ogen van de lafheid kijkt, ziet meer, want moed verblindt - zo, die zit.
Ik moet straks met Autoriteiten praten, en met Bovenmijgestelden - ik ben bang voor ze, maar ik grap hun en mezelf tot rust, en als hun oordeel me niet bevalt, wet ik mijn moedige messen.
Waar is mijn masker?