Lof der lafheid (3)

Ik heb nooit in het Jappenkamp gezeten, maar wel langer met sommige kampbewoners samengewoond dan zij gevangen zaten. Er is geen gewone handeling in mijn leven geweest die niet gerelateerd was aan het Jappenkamp. Van het eten (‘Wij hadden helemaal geen eten’) tot het baden (‘Wij baadden in de modder met een blikje dat we als mandie-bakje gebruikten’), van het zitten (‘Ik heb vier jaar lang niet op een stoel gezeten’) tot het staan (‘En dan moest ik acht uur lang in de gloeiend hete zon staan!’); alles wat ik deed hadden mijn kampbewoners eveneens meegemaakt, maar dan erger.

Het kamp; van jongsaf aan begreep ik dat in ‘kamp’ de betekenissen van kampement en strijd bij elkaar hoorden. In het kampement ging het om de strijd voor je eigen leven.
Tja. Overleven, daar wisten die kampbewoners alles van! Meer dan ik ooit zou weten. Overleven, over leven, het leven over leven, leven om te overleven, om het leven over te leven… Wat zij destijds aan eten tekort kwamen, kreeg ik in de vorm van geestelijk voedsel te veel: lessen in overleven -, wat neerkwam op lessen in angst.
Angst is de geest op dieet : er mag alleen geconsumeerd worden wat driedubbel verzekerd is, en voorzien van minstens twee achteruitgangen, vijf sloten en een veiligheidsverzekering.
De grote les uit het kamp, waarmee ik als kind en later als volwassene bijna ben doodgegooid, was: 'Val niet op, doe niets.’ Kortom: wees laf.
Mevrouw X. was niet laf, maar een held - zij werd doodgemarteld, haar ene kind overleefde de oorlog niet, haar andere kind kreeg snel suikerziekte en moest op zijn twintigste jaar een been missen. 'En nooit getrouwd geweest.’
Mijnheer H. was ook niet laf geweest - de Jappen sloegen hem dood, nadat ze hem eerst zijn eigen graf hadden laten graven.
Mevrouw T., 'een bijzonder knappe vrouw’, was ook niet laf - zij werd 'door die Koreanen’ zo geslagen dat ze blind bleef en epileptische aanvallen kreeg, die uiteindelijk haar dood zouden betekenen.
Nee, de boodschap was duidelijk: ik zou laf zijn.
Wie de structuur van de lafheid in zich draagt, herkent de patronen in anderen. Ik heb bijvoorbeeld nog nooit een moedig politicus gezien. Ik herken onmiddellijk hun lafheid en verwonder me, want zouden ze dan, net als ik, altijd bang zijn? Waar zijn ze dan bang voor? Natuurlijk zijn ze bang. Daarom willen ze de macht. Niet om de zaken te veranderen, maar om te beheersen. Waar je de zaak beheerst, is geen angst en hoef je niet laf te zijn. Succes heeft alles met beheersbaarheid te maken. Niemand zal succesvol zijn die iets doet wat een risico inhoudt, wat angstig is, wat verandering teweeg kan brengen. Niemand. Alleen wie laf is zal alles doen om in een positie te komen om de zaken te beheren om te beheersen.
'Ik ga misschien ontslag nemen, mam.’ Ons beider hart klopt dan van angst. Een verandering maakt alles onbeheersbaar. Je moet schikken; je hoofd buigen als een Jap langskomt; je onzichtbaar maken; je al bij voorbaat vernederen, - maar niet zelf iets doen. 'Doe het toch niet!’ zegt ze.
'Maar ik ben ongelukkig, mam.’
'Ach ongelukkig… je bent verwend. Wij waren vroeger ongelukkig, in het kamp.’
Je mond wordt aldus steeds kleiner. De zuurgraad in je geest stijgt. Je stelt je verdekt op. Je klampt je, terwijl het zweet van je kop gutst, vast aan je lafheid. Niets doen. Het zijn deze twee woorden waartussen je leven zich heen en weer lijkt te slingeren: niets… doen… niets… doen… niets… doen. Niets! Doen! Ik doe … ik doe niets. Ik doe niets, kampcommandant.