Lof der lafheid (4)

Op een gegeven moment staat een kunstenaar voor de keuze: moed of lafheid. Wie begint is altijd moedig. Hij moet strijden, tegen de traditie, ouders, vrienden - hij moet vadermoord plegen, een onderneming starten, eigenwijs z'n eigen ideeën uitvoeren, doordrukken.

Hij trotseert armoede en eenzaamheid. Tot het moment dat hij begaafd is, en hij weet hoe het mechaniek werkt. Hij weet dan hoe hij geld kan maken, hoe hij moet behagen, hoe hij een huilend zigeunermeisje kan maken, ‘woordloze dimensies’ in beeld kan brengen, of prijzen kan winnen met thema’s als 'Moeder en kind’.
Wat gaat hij dan doen? Wanneer museumdirecteuren bij hem op de stoep staan, galeriehouders hem op de schouders slaan en hij een kaartenbak heeft met kopers… Probeer dan nog maar eens moedig te zijn.
In Nederland zijn weinig moedigen.
In de literatuur kenden we lange tijd 'De Grote Drie’, waarmee we Hermans, Reve en Mulisch bedoelden. Ooit begonnen ze alledrie als moedig. Hermans overgoot de mandarijnen met zwavelzuur, Reve shockeerde heel Nederland (tot aan de Tweede Kamer toe) met zijn standpunten inzake God en homofilie, en Mulisch’ linkse gedachtengoed was verwarrend omdat hij er een sportauto bij moest hebben.
Hermans is altijd moedig geweest; Reve wilde niets liever dan laf zijn, maar kon niet anders, door zijn persoonlijkheid, dan zich moedig gedragen, maar Mulisch - het zat er in - stelde zich uiteindelijk op als een behaagzieke draaikont. Er zal na zijn dood van zijn oeuvre niets overblijven. Dat is niet erg - maar hij wil juist het tegendeel.
Wanneer er iemand laf is geweest, dan is het Mulisch wel - voorzitter van de Herenclub waar bankdirecteuren, politici, invloedrijke journalisten en andere proleten elkaar onder een genoeglijk dineetje constant feliciteren: 'Gefeliciteerd met dat je zo geweldig bent.’
Mulisch is verreweg de succesvolste in commerciële zin. Zijn frisse standpunten inzake het communisme in Cuba heeft hij laatst, bij wijze van folklore en curiositeit, mogen uitleggen aan de vrouw van de Amerikaanse president tijdens een gezellige rondvaart in de Amsterdamse grachten. Door zijn mentaliteit is hij zeker een kanshebber voor de Nobelprijs. Maar moedig is hij niet meer.
De lafheid - we beweerden het reeds eerder - is de benzine voor de motor van zakelijk succes.
Darwin noemde als voorwaarde 'the survival of the fittest’. De vraag die dan gesteld dient te worden is: wie of wat is 'the fittest’?
Is de sterkste degeen die de ander opeet, of degeen die zorgt dat hij niet opgegeten wordt? Wie de ander opeet, loopt de kans dat hij eens opgegeten wordt. The fittest is dus degeen die zich op tijd weet te verbergen.
Als Darwin gelijk zou hebben, zou de wereld vol moedigen en strijdbaren zijn die voortdurend een gevecht zouden leveren om de sterkste te zijn. Wat je ziet is - en gelukkig maar - juist het tegendeel. Lafaards. Men wil de strijd ontwijken.
Beschaving is elkaar tolereren, en juist niet vechten. De zwakste durven zijn. De echt sterken hebben in wezen niets te zeggen, niets te tonen dan alleen hun macht.
Niet één muze gedijt zo goed als de literatuur. Vergelijk het maar eens met de beeldhouwkunst of de muziek. Bijna alle kranten hebben een literatuurbijlage. Een beeldhouwsupplement of een muziekkatern zul je niet vinden. De literatuur heeft fondsen, de literatuur heeft geld.
Sommige fondsen worden niet eens geleegd. We organiseren reisjes voor buitenlandse recensenten naar Nederland, waar ze (met Mulisch o.a.) aan het dineren mogen.
En hoe is onze literatuur? We krijgen steeds meer literaire erkenning in de wereld. Leve de lafheid.