Lof der lafheid (5)

Iedereen in Nederland die een kleurtje heeft, kent het begrip ‘aanpassen’. Omdat Nederland het paradijs was toen mijn ouders in Indië waren, moest - toen het paradijs eenmaal bereikt was - de plek daar behouden blijven door je aan te passen aan de omstandigheden. Aan ons, kinderen, werd ook geleerd hoe je je moest aanpassen. Dat betekende dat we soms tweemaal warm aten: ‘s middags wat nasi, ’s avonds aardappelen, groente en vlees.

Mijn moeder - blank, Friezin - vertelde aan mijn vader - bruin, Indisch - dat het in Amsterdam gewoon was om ’s zaterdags brood of pannekoeken te eten. En dus aten wij ’s zaterdags boterhammen én pannekoeken. Later kwam daar soep bij.
Ik hoor wel eens dat Turken en Marokkanen aanpassingsproblemen hebben, en dan moet ik altijd lachen, want elke buitenlander die hier komt heeft aanpassingsproblemen. Want: aan wat of aan wie moet je je aanpassen? Wat is het model? Hoe kom je erachter wat dat model is? Bestaat er wel zoiets als een model?
Ik heb negen jaar Nederlandse les gegeven aan buitenlanders en veel met ze gepraat; en ik merkte dat aanpassen zoiets is als het leren van Nederlands. De kinderen aan wie ik les gaf spraken sneller Nederlands dan ik het ze kon aanleren; ze leerden het op straat, tijdens het voetballen, tijdens het keten in de plees. Ze spraken plat Amsterdams en zeiden: ‘Hai mester, mot je effe kaaike.’ Liet ik ze voorlezen, dan lazen ze keurig: 'Dit is Ali. Hij gaat inkopen doen op de markt. Hij heeft aardappelen, groenten en vlees nodig.’ Ze pasten de klanken van de woorden aan aan degeen die voor ze stond.
Aanpassen is zoiets moois; het is verdwijnen. Het is Zelig van Woody Allen, het is de mythe van Proteus. Aanpassen is de mooiste vorm van communicatie, want niet alleen ben je wat de ander is, je probeert hem ook te zijn; het is een vorm van liefde; in jou de ander zichzelf laten zien.
Aanpassen is geplagieerd gedrag - het heeft dus iets crimineels. Het is niet van jezelf; je hebt het gestolen. Dat betekent dat het een aanslag doet op je morele besef. Als ik alleen kan overleven door gedrag te stelen, als dat zelfs van me geëist wordt, wie of wat ben ik dan? Dat zijn de aanpassingsproblemen.
'When in Rome do as the Romans.’ De Romeinen kenden het probleem van aanpassen. Hun gebied was zo uitgestrekt dat ze begrepen dat ze het begrip 'aanpassen’ moesten omkeren.
'Do as the Romans’ betekende dat de Romeinen ruimte moesten geven, tolerant moesten zijn ten aanzien van anderen. Dus stelden ze een vorm van vrijheid van godsdienst in - deed je nu als de Romeinen, dan liet je anderen ook vrij in hun godsdienst. Je liet ze juist… niet aanpassen, maar zichzelf zijn.
Want aanpassen is natuurlijk een vorm van lafheid - van niet handelen. Niemand weet dit zo goed als een minderheid. Darwins theorie is een theorie van aanpassen - en dus van lafheid. Van het overnemen, niet van de beste eigenschappen, maar van de meest effectieve eigenschappen. Goede ogen om te zien, ronde kaken om dood te bijten, het verlies van een staart om mee te kwispelen omdat we een mond hadden waaruit we enge dingen konden laten komen: woorden. Als leeuwen konden zeggen wat ze gromden, liepen er hier geen mensen rond, maar waren wij mollen geworden die onder de grond leefden in voortdurende paniek.
Aanpassen. Ik sla het fotoboek open en zie daar een Indische mijnheer in een Volendammer kostuum. Een foto die je nog steeds in Volendam kunt laten maken - erg populair bij Japanse toeristen. Ik kijk naar die foto en probeer te achterhalen wat mijn vader gedacht moet hebben. Het is een vorm van protest: zo ben ik juist niet. Hij maakte misbruik van zijn lafheid, van zijn aanpassingsvermogen. Hij werd een komisch nummer.