Lof der lafheid (7)

Wees duidelijk! Wees helder! Hoe klinkt de taal der lafheid?

Ach, het wordt goedkoop om te zeggen: ‘Luister maar naar een politicus.’ Laten we het maar eens van de andere kant benaderen.
Een leugen ziet er taalkundig net zo uit als de waarheid.
Liegen is dan ook geen echte vorm van lafheid. Liegen is vaak alleen handig en niet zelden heb je er moed voor nodig.
De lafheid komt pas in de taal geslopen - let op - als er genuanceerd moet worden. Martin is een zak - is duidelijk.
Nu wil ik duidelijk maken dat Martin bestaat uit enkele goede eigenschappen en enkele slechte. Dan kom ik in de problemen. Al hebben woorden geen waarde, ik hecht wel een gevoelswaarde aan ze. Dus zeg ik: Martin is weliswaar een zak, maar hij kan erg inspirerend werken, hoewel hij de laatste tijd maar wat aan rotzooit, wat hij trouwens wel in ons belang heeft gedaan, ofschoon we dat niet nodig hebben, maar het tekent hem wel als een begaan mens, vooral vroeger. Voegwoorden, tijdsbepalingen: ze helpen ons te zeggen wat we willen zeggen en 'tegelijkertijd’ het omgekeerde te beweren.
'Wees duidelijk!’ is daarom altijd een roep om het weglaten van nuanceringen. Duidelijkheid is daarom niet altijd verstandig. Het vervelende is namelijk dat de taal altijd begrepen wordt zolang we de betekenis van de woorden kennen.
Lafheid in taal is dan geboden.
'We staan bij Schiphol voor het dilemma: geluidsoverlast of grote werkloosheid. We kunnen ons die werkloosheid niet permitteren, maar tegelijkertijd willen we iets doen aan die geluidsoverlast. Het compromis dat we nu hebben gevonden is dat er ’s nachts niet meer gevlogen mag worden.’
Semantisch welgevormd. Duidelijk.
Maar toen pas kwamen de problemen. Jorritsma, die deze regels uitsprak, zat gevangen in haar eigen net van woorden.
Dus wat zegt zij nu: 'De problemen die wij juridisch hebben met Schiphol, kunnen leiden tot een flexibilisering van ons standpunt, wat niet wil zeggen dat we van plan zijn iets te doen dat illegaal is, integendeel, maar we willen een ruimte scheppen voor overleg en die tijd gebruiken om te kijken of er alternatieven voorhanden zijn die het standpunt dat we hadden ingenomen intact laten en tevens zorgen voor een tegemoetkoming aan de andere partij, hoewel die natuurlijk zich ook eens ernstig op de eigen positie moet beraden.’
Waar je producten als ijs, televisies en weekbladen moet 'markten’ om ze te verkopen, kun je dat met taal niet doen. Uitdrukkingen kunnen modieus zijn, zinsconstructies niet. Ik ben er dan ook van overtuigd dat je aan de constructie van een zin de lafheid van de mens kan aflezen. Neem generaal Brinkman, de ontslagen politiecommissaris. Die is moedig begonnen. 'Geen overleg, doe wat ik zeg!’ Hij verloor en voert nu een andere strijd. Hij heeft een advocaat genomen, en wanneer je Brinkman en zijn opponent Dijkstal nu over elkaar hoort praten, zijn de zinsconstructies aan beide zijden langer en ingewikkelder geworden.
Brinkman: 'Wij hebben een aanbod gedaan, namelijk het instellen van een commissie die een bindend advies zou moeten geven, mits iedereen gehoord wordt.’ Dijkstal: 'Ik heb heel goed geluisterd naar de heer Brinkman en ik gooi zijn voorstel ook niet meteen weg, maar er ligt een rechterlijke uitspraak, er is een wachtgeldregeling en ik meen dat we in verder onderling overleg tot een bevredigende oplossing kunnen komen, waarbij ik niet uitsluit dat met de argumenten van de heer Brinkman ernstig rekening gehouden wordt.’ (Allemaal op Nova gezegd.)
Beiden zijn bang en behoedzaam. De taal reikt ons de mogelijkheid tot lafheid aan.