Het publieke debat Essay: Nederlands halfslachtige omgang met de vluchtelingenproblematiek

Lof der onenigheid

Het maatschappelijk debat: Nederland heeft er vanouds moeite mee. Of de discussie nu draait om het vluchtelingenvraagstuk, terrorisme, integratie of de islam, steevast is de conclusie dat debatteren ons niet goed afgaat.

Medium hh 6125137

In de kranten waren de afgelopen weken verbaasde reacties uit het buitenland te lezen. Het object van verwondering was het vluchtelingenvraagstuk in Nederland, niet zozeer de opstelling van de bevolking, maar bovenal die van het establishment. In een opiniestuk van econoom Coen Teulings kwam een Zweedse topambtenaar aan het woord. ‘Ook wij hebben twintig procent populisten onder ons electoraat die de grenzen willen sluiten’, stelde hij. ‘Maar waarom doen bij jullie de politieke vertegenwoordigers van die andere tachtig procent zo raar?’

De verwondering was geen eenrichtingsverkeer. Zo werd in Nederland evengoed met verbazing gekeken naar de opstelling van de Duitse politieke en journalistieke elite. Een krant als Bild, die actief campagne voert tegen het anti-immigratiesentiment, Duitse politici die de anti-islambeweging Pegida keihard veroordelen, een leider als Angela Merkel die moreel stelling neemt: in Nederland is het allemaal lastig voor te stellen. Hier polderen we zelfs met neonazi’s op de nationale televisie. Het grenst aan het kolderieke: een burgemeester die bij Pauw een neonazi vraagt om wat respectvoller met gesprekspartners om te gaan. Vaak wordt verwezen naar de Duitse geschiedenis, om dit verschil in opstelling met onze oosterburen te duiden. Alsof wij de norm van een gezond politiek bestel zijn van waaruit de Duitse anomalie verklaard kan worden.

De twijfel over de Nederlandse aanpak slaat inmiddels om zich heen. Is het niet evengoed de Nederlandse geschiedenis die óns parten speelt? De angst voor Geert Wilders, de uitblijvende respons vanuit de politiek, de wanhopige roep om een visie, de paniek in de krantenkolommen, de hoog opgejaagde zorgen onder de bevolking: het zijn typerende symptomen van ons inmiddels goed gedocumenteerde nationale onvermogen om met politieke crises om te gaan. Waar de Duitsers traditioneel problemen hebben met een centralistische bestuurscultuur heeft de Nederlandse bestuurlijke elite historisch gezien de neiging om op polariserende vraagstukken helemaal niet te sturen. De houding is veeleer reactief en passief. Meedeinen op de golven van het maatschappelijk sentiment, ‘verend opvangen’, dat is het aloude devies. Politiek en pers stellen zich ‘luisterend’ op, in de hoop zo kritiek in te kapselen en onvrede weg te nemen.

De politicoloog Arend Lijphart noemde dit ooit pacificatiepolitiek. Het heeft zijn oorsprong in de tijd van de verzuiling, toen de Nederlandse bevolking nog opgedeeld was in een protestants, katholiek, socialistisch en liberaal smaldeel. Op emotioneel verdelende thema’s is er een traditie om geen richting te geven, vanwege de angst de polarisatie verder te vergroten. Ontstaat er een crisis, zo stelde Lijphart, dan gaat de elite over tot depolitiseren en accommoderen. Het is een diepgewortelde reflex die we vandaag de dag weer zien optreden.

Pacificatiepolitiek laat zich nog het best vergelijken met een matige relatie die geen ruzie kan verdragen. We kennen het allemaal wel: het type relatie waarin je langs elkaar heen leeft en niet alles uitspreekt vanuit de vrees dat een oprecht gesprek een emotionele kettingreactie in gang zet, die best wel eens het einde van de relatie zou kunnen betekenen. Het is het type relatie waarin je de onredelijkheden van je partner niet benoemt en hem of haar maar gelijk geeft om zo de sociale vrede te bewaren. De Nederlandse politieke cultuur is ontstaan tegen de achtergrond van een dergelijke angst voor onoverbrugbare conflicten, maar dan in het groot.

De schrijver Marc Reugebrink betreurde onlangs ‘het Hollands onvermogen tot een beschaafd meningsverschil’ in een artikel in De Standaard: ‘In Nederland worden de dingen meestal níet uitgesproken, omdat er op werkelijk afwijkende meningen een taboe rust dat zo groot is dat het niet eens als taboe wordt herkend. Als het aan de oppervlakte komt, of door iemand als bijvoorbeeld destijds Pim Fortuyn aan de oppervlakte wordt gebracht, is het meestal niet in de vorm van beschaafde argumenten, maar neemt het de vorm aan van hersenloos gebral – een soort negatieve variant van de Oranjegekte.’

***

Een terugkerend probleem is dat er geen werkelijk inhoudelijke discussie ontstaat over de aard van de problemen. Er zijn eigenlijk maar twee standen in ons maatschappelijk debat: het is óf negeren, en wat men op rechts demoniseren noemt, óf pacificatie en wat in de volksmond ook wel bekend staat als doodknuffelen. In Nederland lijken we altijd toe te (moeten) werken naar een volgende consensus. Er is weinig ruimte om geschilpunten eens goed te articuleren of het op redelijke wijze blijvend met elkaar oneens te zijn.

Het traditionele schikken en plooien kan zo resulteren in een irrationele vorm van politiek. Aan de ene kant door de uitsluiting van onwelgevallige meningen, zoals in de tijd van vóór Fortuyn. Of door de neiging tot accommodatie en pacificatie van die meningen, zoals vandaag de dag eerder het geval is. Als twintig procent van de bevolking zich zorgen maakt over bijvoorbeeld verkrachting door asielzoekers, dan moet dat worden meegenomen en gereflecteerd in politiek en media. De vraag of die zorgen terecht zijn komt nauwelijks ter sprake, aangezien het bewaren van de sociale vrede voorrang heeft. Zo kan een zichzelf versterkende dynamiek intreden.

Er zijn maar twee standen in ons debat: het is óf wat men op rechts demoniseren noemt, óf wat in de volksmond doodknuffelen heet

René Cuperus schrijft in de Volkskrant over ‘tot de tanden bewapende’ vluchtelingen in Duitse opvangcentra. Paul Scheffer stelt in Het Financieele Dagblad dat de vluchtelingen die hier aankomen niet de kwetsbaarste migranten zijn. Mark Rutte vergelijkt de huidige situatie met de ondergang van het Romeinse Rijk. Sybrand Buma pleit voor het herschrijven van het vluchtelingenverdrag. Het zijn allemaal pogingen om invoelend mee te veren met het anti-immigratiesentiment. Maar ze versterken en legitimeren dat sentiment daarmee ook.

Het gevolg is een boze-burgercarrousel. Den Haag reageert halfslachtig op de vluchtelingenproblematiek. Wilders slaat alarm, rept van een invasie, roept met de term ‘testosteronbommen’ het risico van verkrachting op. Bewoners en pvv’ers gaan naar inspraakavonden om hun zorgen te uiten. Om niet als wegkijkers weggezet te worden, rapporteren de media zeer uitgebreid over de angsten en vergroten deze zo uit. Politici laten weten de zorgen serieus te nemen en veren waar mogelijk mee met het anti-immigratiesentiment. Deze tegemoetkomende gestes vanuit politiek en media sterken bewoners en pvv’ers in hun overtuiging dat de angst voor verkrachting, criminaliteit en islamisering terecht is. Een potentiële stem op Wilders blijkt bovendien effect te sorteren. Zo kan de pacificerende houding juist een omgekeerd effect hebben op de politieke stabiliteit die wordt beoogd.

***

In 1968 publiceerde Lijphart zijn klassieker over het Nederlandse politieke systeem, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. De studie beschrijft het ontstaan van de verzuiling in het begin van de twintigste eeuw en de ondergang van dit systeem van machtsdeling in de jaren zestig, met de opkomst van Nieuw Links. Voor degenen die geheel onbekend zijn met de terminologie: de Nederlandse samenleving was lange tijd sterk gesegmenteerd. Katholieken, protestanten, liberalen en socialisten hadden ieder eigen ‘zuilen’: eigen kranten, radio en later televisie, eigen politieke partijen, eigen vakbonden, een eigen sportschool en kleuterklas, een eigen bakker of melkboer. Kortom, het hele sociale en politieke leven was opgedeeld in deze levensbeschouwelijke sferen. De Grote Pacificatie, aldus Lijphart, was een soort pact dat in het begin van de twintigste eeuw gesloten werd door de elites van de verschillende zuilen om deze principiële verschillen zoveel mogelijk te reguleren, en zeer pragmatisch het land te besturen, in continu onderling overleg.

Om het land regeerbaar te houden was het essentieel om alle partijen voortdurend bij de gesloten compromissen te betrekken. Want isolatie zou tot radicalisering en polarisering kunnen leiden. ‘Beslissingen worden niet gemaakt door een meerderheid, die de minderheid eenvoudig overstemt’, zo schreef Lijphart. ‘Het spel van de pacificatie-politiek is een spel, waarbij wordt getracht alle spelers zoveel mogelijk te laten winnen en verliezen – vooral pijnlijke verliezen – zoveel mogelijk te voorkomen.’

Het is een opmerkelijk verschil met meer open, competitieve politieke stelsels zoals die in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Het resultaat is de klassieke consensuscultuur die vandaag de dag zo bekend is dat ze tot cliché is verworden: het schipperen, het binden, de dialoog, het zoeken naar draagvlak, de technocratische achterkamertjespolitiek, de ondoorgrondelijke bestuurstaal, de immer constructieve houding van de oppositie. Pacificatie draait dus om het voorkomen en – indien dat faalt – depolitiseren van conflict: ‘De kunst is om politieke zaken, die de neiging hebben om de emoties op te wekken, voor te stellen alsof het helemaal geen politiek en dus tot tweedracht aanleiding gevende zaken zijn, maar kwesties, die volgens objectieve gevestigde principes van de economische leer, van de rekenkunde (evenredigheid), of van de rechtsgeleerdheid kunnen worden behandeld.’

De potentieel meest gevaarlijke politieke vraagstukken voor het Nederlandse politieke stelsel zijn de thema’s waarop deze objectieve principes niet toegepast kunnen worden. Waar een rechtlijnig ja/nee-antwoord noodzakelijk is. Bij dat soort thema’s is het ontlopen van een besluit te prefereren boven sterk leiderschap. Lijphart heeft het over ‘ijskastpolitiek’. Er zijn verschillende tactieken om de polariserende impact van controversiële beslissingen te verminderen. Dat kan door het besluit uit te stellen, door het te maskeren achter technische en depolitiserende taal, of door de beslissing uit te besteden aan bijvoorbeeld een rechter of een partijoverstijgende instantie als een parlementaire enquêtecommissie.

De structuren van de verzuiling mogen sindsdien verdwenen zijn, de pacificatiepolitiek is gebleven, zo constateren veel politicologen. Vergelijkbare mechanismen zien we bijvoorbeeld vandaag de dag optreden bij het debat over Zwarte Piet, een typisch voorbeeld van een emotionele ja/nee-kwestie. Bij velen ontlokt het de door en door Nederlandse klacht dat zij zich gedwongen voelen een kant te kiezen, vaak gevolgd door de verzuchting waarom er toch geen genuanceerde middenposities in dit debat zijn. En de politiek gebruikt de aloude tactieken. Zo is de verandering van de figuur Zwarte Piet over een zeer lange periode uitgesmeerd. Politici zijn opvallend afwezig in de discussie en onthouden zich grotendeels van publieke stellingname. In Amsterdam werd het besluit over het discriminerende karakter van Zwarte Piet overgelaten aan de rechter die zich over de vergunning voor de intocht mocht buigen.

Het zijn vergelijkbare fenomenen die opvallen bij het vluchtelingendebat: politici en media tonen geen leiderschap, nemen niet moreel stelling, en doen het voorkomen alsof de beslissingsmacht elders ligt, alsof ingrijpen überhaupt onmogelijk is: ‘Het terugduwen van mensen is als in een rivier staan en water proberen tegen te houden’, zo stelde Diederik Samsom. Ook illustratief is een artikel van Rob Wijnberg in De Correspondent. Wijnberg stelt dat het vluchtelingenvraagstuk te vergelijken is met het beroemde internetfenomeen de gold-white-blue-black-dress, waar ieder het zijne in ziet. Hij duidt het probleem aan de hand van het concept van de social mess: ‘Politiek-sociale problemen die zo complex, ambigu en ondoorgrondelijk zijn dat ze – anders dan “gewone” problemen – niet echt een oplossing kennen.’

Nederland is een land waar een enkele inspraakavond in een plek als Steenbergen een stemming van nakende revolutie los kan maken

En er is ook geen moreel juiste kijk op het probleem. Er zijn enkel uiteenlopende perspectieven, ‘gebaseerd op fundamenteel verschillende – maar daarom niet minder legitieme – waarden’. Wat volgt is een oproep tot wederzijdse empathie. Wijnberg introduceert zijn artikel met een beroep op Nietzsche, wat ongelukkig is, want waardenhiërarchieën zijn juist een centraal element in diens filosofie, en empathie, daar moest Nietzsche al helemaal niets van hebben, dat is de slavenmoraal. Wijnbergs Nietzsche is een polder-Nietzsche. Het artikel laat zich eerder lezen als een variant op Lijpharts pacificatiepolitiek, een denken dat veelal onbewust gereproduceerd lijkt te worden door journalisten.

***

Opvallend is dat in Duitsland het vluchtelingenprobleem niet als een social mess wordt gezien. Daar zegt men: ‘Wir schaffen das.’ Een politieke crisis is er in Duitsland ook, maar de omgang met die crisis is fundamenteel anders. Het roept de vraag op of debatten in Nederland mede zo’n paniekerige toon aannemen omdat er geen leiding wordt gegeven, omdat politiek en media geen stelling nemen. Dat is wat de historicus James Kennedy stelt in zijn boek Bezielende verbanden. Het terugkerende crisisgevoel in de Nederlandse politiek is volgens hem niet zozeer te wijten aan het onbehagen onder de bevolking, het is bovenal de opstelling van de elite. Hij stelt zelfs dat ‘Nederlandse politieke elites door hun handelwijze deze crisis hebben geaccentueerd en het vinden van adequate oplossingen hebben bemoeilijkt’.

Kennedy verwondert zich in zijn boek over een opvallende overeenkomst tussen de omwenteling die in de jaren zestig begon en de politieke transformatie die zich inzette na de opkomst van Fortuyn. Wat hem het meest fascineert aan beide episodes is het feit dat de Nederlandse samenleving zich na Fortuyn als geheel naar rechts bewoog, op eenzelfde wijze waarop het eensgezind naar links trok in de jaren zestig. Hij zag deze gelijktijdigheid als een neveneffect van de consensuscultuur, waarin maatschappelijke eensgezindheid als uiterst belangrijk wordt gezien. Op een gegeven moment stort een consensus in elkaar, mede door de agitatie van protestbewegingen. De elites pacificeren de protestbewegingen en vangen deze verend op: ze bewegen zo veel mogelijk mee op de maatschappelijke stroom. ‘Plotselinge, radicale en massale bekeringen en enorme paradigmaverschuivingen’ zijn volgens Kennedy het voorspelbare resultaat van een politieke cultuur waarin het verlangen naar consensus ertoe leidt dat principiële tegenstellingen in het debat als problematisch worden gezien. Iedereen beweegt mee.

Om het in een metafoor te vatten: de politieke opinie in Nederland lijkt aan een soort kuddebewegingen onderhevig te zijn. Het ene moment graast de kudde rustig in een weide, om plots in een paniekerige stormloop los te breken, en collectief te verhuizen van het ene terrein naar het andere. Uit Kennedy’s schrijven doemt een interessante paradox op: het verlangen naar consensus – en de alomtegenwoordigheid van een vrij amorf en beweeglijk politiek midden – creëert een vrij saaie politiek met op de achtergrond een continue dreiging van instabiliteit. Het is moeilijk in te schatten wanneer de kudde het plotseling op een lopen zet. Dat creëert die vreemde combinatie van gezapigheid en rellerigheid die Nederland eigen is. Een land waar een enkele inspraakavond in een plek als Steenbergen een stemming van nakende revolutie los kan maken.

Kennedy identificeert ook een specifiek depolitiserend taalgebruik dat samengaat met deze politieke cultuur. Wie de beleidsrapporten leest krijgt het gevoel dat ‘grote onpersoonlijke machten’ het land in hun greep lijken te hebben: er wordt continu gesproken over de tijdgeest, over de eisen van de tijd, onvermijdelijke ontwikkelingen, de veranderende samenleving. Deze vernieuwingsretoriek wordt door Kennedy ook wel ‘retoriek van de overmacht’ genoemd – denk hier even terug aan de rivier van Samsom – en heeft een aantal voordelen. Niemand wordt beschuldigd, niemand kan er tegen zijn, en het is duidelijk wat er gedaan moet worden: een al lopende ontwikkeling in goede banen leiden. Een dergelijk discours heeft echter ook nadelen: het leidt volgens Kennedy tot ‘een passief en reactief wereldbeeld’. Op momenten van crisis biedt het geen uitsluitsel, omdat er geen principes zijn waarop teruggevallen kan worden. Tevens komt de politiek nauwelijks toe aan een klassieke rol die haar toebedeeld is: het uitdragen van waarden in de samenleving en het politiek vormen van de bevolking.

Het gebrek aan pluralisme in de media versterkt die tendens. Werden er ten tijde van de verzuiling verschillende perspectieven geboden waaraan de bevolking het eigen denken kon toetsen, sindsdien heerst er onder de kwaliteitsmedia een centristische consensus. In tijden van crisis wordt er niet zozeer gestuurd of geduid, de ontwikkelingen worden eerder gedramatiseerd. De gewezen adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H.J. Schoo noemde deze gedepolitiseerde consensus ‘de officiële staatsleer’: ‘De apriori’s van de ideologieën en hun gesloten mens- en wereldbeelden mogen dan verdwenen zijn, zij zijn niet stelselmatig vervangen door geïnformeerde (dus niet: naïeve) empirische nieuwsgierigheid. In plaats daarvan zien we te dikwijls een onderschikking aan wat wel de “officiële staatsleer” is genoemd, een complex van slecht gearticuleerde, doorgaans onbewust blijvende noties en sentimentaliteiten over mens en wereld. Alle idiosyncrasie van de voormalige zuilen, elke poging tot anders denken, zelfs anders práten, is hier geofferd aan de ideologie van de neogezamenlijkheid.’

***
Medium hh 50831829

De pacificerende en depolitiserende houding heeft in grote mate de omgang met het rechtspopulisme in Nederland bepaald. Een illustratief voorbeeld is een tekst van Piet Hein Donner uit Christen Democratische Verkenningen in de lente van 2011. Hij stelde hierin een pacificatie van de pvv voor, wat tevens fungeerde als legitimatie voor het gedoogkabinet-Rutte I. ‘De beste manier om een populistische partij te bestrijden is niet door de confrontatie met haar te zoeken, maar door de zorgen van haar kiezers serieus te nemen’, schreef Donner. In typisch cda-proza poneerde hij een politieke visie die veel overeenkomsten vertoont met de pacificatiepolitiek van Lijphart. Volgens Donner gaat de politiek niet ‘om het aanzetten van tegenstellingen, maar om het vinden en ontwikkelen van gemeenschappelijke belangen’. Aangezien ‘ieder mens drager is van morele waarde’ moet het ‘populisme niet bestreden worden door confrontatie, afwijzing en uitsluiting, maar ook door waar mogelijk samenwerking te zoeken, om zo kiezers die door populistische stromingen worden aangetrokken ervan te overtuigen dat hun zorgen en vrees recht gedaan kan worden op een wijze die recht doet aan belangen en de waardigheid van anderen’.

‘Ik denk dat mensen nu heel weinig kopen voor verhalen’, zei Samsom. Maar het vluchtelingen­debat draait juist om verhalen

De opvattingen van Donner waren geenszins uitzonderlijk. Met de opkomst van het populisme was er sprake van een brede intellectuele consensus, onder een groot aantal politici, wetenschappers en journalisten, dat het rechtspopulisme omarmd en geïncorporeerd moest worden door politiek en media. Er was zelfs een wetenschappelijke onderbouwing voor deze pacificatiepolitiek, de invloedrijke nwo-studie Diplomademocratie van Mark Bovens en Anchrit Wille uit 2010. De twee bestuurskundigen verklaarden in NRC Handelsblad dat de pvv van Geert Wilders ‘een gezonde correctie is op het Nederlandse politieke systeem’. Vergelijkbare geluiden – Wilders is een zegen voor de democratie – uit politicologische hoek zijn tot vandaag de dag in de kranten te lezen.

Er zouden enkel twee scenario’s zijn, volgens Bovens en Wille. Of ‘de programmapunten van de nieuwe populistische partijen worden in gematigde vorm overgenomen door de bestaande politieke partijen’. Of er is sprake van een doemscenario waarin, net als in de jaren dertig, ‘de parlementaire democratie niet meer als legitiem gezien’ wordt. Het zijn de eerder genoemde twee standen in ons maatschappelijk debat: pacificeren of negeren. Alsof er niet een derde mogelijkheid is: partijen kunnen natuurlijk evengoed ervoor kiezen om Wilders als democratische actor te accepteren maar zijn probleemdefinities te bestrijden, en eigen interpretaties en antwoorden te leveren op de zorgen die op bepaalde thema’s leven onder de bevolking.

In een kritiek op de diplomademocratie schreef ik eerder in De Groene dat de studie een incorrect en vertekend beeld schetst van de opkomst van het populisme, ‘als de logische uitkomst van langlopende, geleidelijke veranderingen in de opvattingen van het electoraat. Deze veranderingen worden voorgesteld als een soort natuurverschijnselen, het spontane gevolg van grotendeels anonieme processen (migratie, Europese eenwording, globalisering).’ Na het lezen van Lijphart en Kennedy valt op hoezeer hier de aloude depolitiserende houding en het passieve en reactieve wereldbeeld terugkomen. Lijphart schreef dan ook over de belangrijke rol die de universiteit vervult in de pacificatiepolitiek.

***

Wat onderbelicht bleef in het model van Lijphart is dat politiek en media niet alleen fungeren als afspiegeling van de voorkeuren van de bevolking. Ze spelen ook een rol in het vormen van die voorkeuren, door ervaringen te framen en waarden uit te dragen. Datzelfde kunnen we zeggen van Fortuyn en Wilders: zij zijn niet slechts een afspiegeling van bestaande opinies onder het electoraat, zij vórmen de opinies van hun electoraat. De sociologie leert dat de mening van de burger vaak nog niet uitgekristalliseerd is totdat een politicus deze ordent in een duidelijke visie. In de Volkskrant was onlangs Diederik Samsom te lezen over de vluchtelingencrisis. ‘Ik denk dat mensen nu heel weinig kopen voor verhalen’, zei hij. Maar het vluchtelingendebat draait juist om verhalen. Thijs Kleinpaste bekritiseerde Samsom in De Groene treffend: ‘Eén woord – “testosteronbommen” – activeert de zwartste scenario’s in de hoofden van duizenden mensen. Deze mensen “kopen”, om de terminologie van Samsom aan te houden, met één woord een compleet wereldbeeld dat hun onsamenhangende vooroordelen synthetiseert tot een visioen – een visioen dat niet weersproken wordt door er pragmatisch mee om te gaan.’ Er zijn alternatieve verhalen en visioenen nodig.

In de tijd van de verzuiling werden kiezers gesocialiseerd en ideologisch gevormd in de zuilen, zoals de socioloog J.A.A. van Doorn mooi heeft beschreven. Critici van Lijphart, zoals Siep Stuurman en de jonge Meindert Fennema, hebben dan ook gesteld dat de verzuiling niet zozeer een reactie was op het dreigende uiteenvallen van de samenleving. De verzuilde elites moedigden de sociale fragmentatie zelf aan, door op allerlei gebieden eigen instituties op te zetten die de bevolking in verschillende groepen opdeelden, zoals verzuilde media en onderwijs. Het idee dat de politieke instabiliteit bovenal van onderen kwam, fungeerde lange tijd als een legitimatiemechanisme voor het vrij gesloten Nederlandse politieke bestel.

Onderdeel van diezelfde verzuilingsmythologie is de gedachte dat politiek en media puur functioneren als afspiegeling van de bestaande maatschappelijke verhoudingen, terwijl zij in werkelijkheid die verhoudingen zelf mede vormgeven. Deze ideeën zien we nu weer terugkomen in het vluchtelingendebat, in de oproep aan de burger van de fractieleiders van alle partijen, geïnitieerd door Jesse Klaver. Terwijl het de politici zelf zijn die polariseren en de onrust onder de bevolking actief aanwakkeren, wordt de bevolking gemaand om toch alsjeblieft rustig te blijven. De politiek doet net alsof de zorgen onder de bevolking een compleet autonoom proces zijn, zorgen en vrees die op geheel donneriaanse wijze niet weersproken maar ‘recht gedaan’ moeten worden.

James Kennedy stelt terecht dat het Nederlandse democratische leven gebaat is bij een levendiger debatcultuur, bij frisse politieke ideologieën en krachtige politieke partijen. Een centrale rol is daarin weggelegd voor ‘een retoriek die rijker, principiëler en democratischer is en meer verwijst naar wij en ons dan naar de externe krachten die dwingen tot aanpassingen’.

Op vergelijkbare wijze pleitte H.J. Schoo voor meer ideologisch geïnformeerd pluralisme in de Nederlandse media. Het grote probleem is dat men vergeten is dat elke elite de democratische opdracht heeft de overtuigingen van kiezers te vormen, of in ieder geval een raamwerk of wereldbeeld te leveren waarin de kiezer dat zelf kan doen. Enkel op de rechterflank, zo lijkt het, wordt dat nog met overtuiging gedaan. Pacificatie is daarvoor niet de oplossing: het is onderdeel van het probleem. We moeten als samenleving beter leren ruziën. Want de onenigheid, die blijft nog wel even.


Merijn Oudenampsen is socioloog en politicoloog. Aan de Universiteit van Tilburg doet hij als promovendus onderzoek naar populisme en de ruk naar rechts

Beeld: (1) De tegemoetkomende gestes vanuit politiek en media sterken bewoners en PVV ’ers in hun overtuiging dat de angst voor verkrachting, criminaliteit en islamisering terecht is. Foto Marco Hillen / HH; (2) Almere, 3 oktober, tijdens een bezoek van Geert Wilders Foto Marcel van den Bergh / HH