Hoe de woorden de dingen nieuw maken

Lof der poëzie

Het is de taal die de dingen steeds weer vastlegt, het zijn telkens de woorden die de dingen opnieuw rangschikken, een kleur of smaak geven, zichtbaar maken en in het leven roepen. En het is de dichtkunst die daar de meeste mogelijkheden voor heeft. Zij is de kampioen van het vage dat precies is. Daarom verdient zij deze kleine lofrede.

Een groot deel van mijn leven word in beslag genomen door de poëzie. Ik lees het, ik schrijf het, ik schrijf over poëzie van anderen, het gaat door mijn kop en bepaalt wat ik zie — of niet zie. Wat hetzelfde is. Maar wat is zij eigenlijk, die aloude poëzie?

Ik ben niet uit op definities. Wetenschap legt dingen vast, de poëzie maakt ze los — en maakt ook in ons iets los als het goed is. Nu heeft de latere Wittgenstein mij geleerd dat het zoeken naar definities een ijdele onderneming is. Vooral wanneer woorden en zinnen verwijzen naar iets waarvan je denkt dat het vast ligt. Alsof het niet de taal is die de dingen vastlegt! Alsof het niet telkens de woorden zijn die de dingen rangschikken, een kleur of smaak geven, zichtbaar maken (of uitsluiten). En alsof dat niet steeds andere woorden kunnen zijn. Het gaat in de wetenschap niet om vastliggen maar om vastleggen. En bij het vastleggen hebben definities natuurlijk hun aantrekkingskracht. Je moet soms weten waarover je het hebt. Je moet soms precies weten waarover je het hebt. En dan moet je iets afspreken. Maar daarmee zijn die dingen nog niet wat je hebt afgesproken.

Wel echter in de poëzie. Waarin je alles waar kunt maken wat je bevalt als je de woorden ervoor hebt en de muziek. En de lezer. In poëzie is op het water lopen kinderspel. Je kunt de maan in je oor stoppen en twaalf keer geboren worden, bevriend raken met een tafelpoot en er zelfs trouwen met je geliefde. Je kunt er het woord eten eten en de handen steken uit een mouwloze jurk.

In de poëzie kun je gek genoeg zelfs poëzie definiëren, zoals dichters vaak doen en zoals Remco Campert ooit deed in zijn befaamde Poëzie is een daad:

Voltaire had pokken, maar

genas zichzelf door o.a. te drinken

120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen

op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,

maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Waarom is die vloedgolf van limonade en zeewater poëzie? Omdat zij getuigt van overvloed en leven, omdat zij een daad van bevestiging is, zoals Campert dat in hetzelfde gedicht noemt?

In zijn dit jaar verschenen De groeten reageert generatiegenoot Hugo Claus in het openingsgedicht op Camperts definities van destijds:

In één maaltijd at Balzac een honderdtal oesters,

twaalf koteletten, een eend met knolrapen, een

tong normande, en voor de stoelgang een peer of zeven.

En vier flessen Loire-wijn.

Is dat ook poëzie, Remco?

In Engeland liggen elfduizend kinderharten op ijs. Poëzie?

En zij die ’s nachts in bed knabbelt en sabbelt

aan haar bruidsjurk van twintig jaar geleden?

Kan zij onbewezen blijven

zoals poëzie?

Op alledrie de vragen luidt het antwoord: ja. Want poëzie is het leven en de dood, het leven van de overdaad, en ook het sterven eraan.

Het is raar: je kunt de dingen niet definiëren in de wetenschap en daar heb je het nodig, je kunt ze wel definiëren in de poëzie en daar hoeft het niet. Het lijkt een woordspel maar dat is niet zo. Het is een taalspel.

In zijn Philosophical Investigations legt Wittgenstein uit hoe hopeloos zijn vroegere werk is mislukt, net als het werk van al die andere filosofen die geloven dat taal naar de wereld verwijst, er een afbeelding van is, dat woorden aan dingen vastzitten als hengels aan vissen die worden beetgenomen. Onophoudelijk sloopt hij de vooronderstellingen waarop filosofen en wetenschappers sinds eeuwen hun werk hadden gebaseerd. Bijvoorbeeld in paragraaf 71, waar hij zich afvraagt of «het onscherpe niet vaak juist [is] wat we nodig hebben». De grondlegger en held van de moderne logica, de Duitse professor Frege, vergelijkt, aldus Wittgenstein hier, «het begrip met een gebied en zegt: een onduidelijk begrensd gebied kun je eigenlijk geen gebied noemen. Dat wil waarschijnlijk zeggen dat we er niets mee kunnen beginnen.»

Is het evenwel zinloos, zo gaat Wittgenstein dan verder, om tegen iemand «te zeggen: ‹Blijf hier ongeveer staan!›? Stel je voor dat ik met iemand anders op een plein sta en dat zeg. Ik zal daarbij nooit een of andere grens trekken, maar bijvoorbeeld met mijn hand een wijzende beweging maken — alsof ik hem een bepaald punt aanwijs.»

Wanneer ik met mijn zoontje van vier in de supermarkt ben en ik zeg bij de zeep en de watten: «Blijf hier even wachten», dan is dat hier in al zijn vaagheid zeer nauwkeurig. Hij weet, en hij weet dat ik weet, wat de grenzen van dat «hier» zijn. Die zijn niet op de vloer aan te geven: zolang hij niets breekt of steelt, mag hij best een stukje langs de schappen kuieren. Het is wel duidelijk dat hij geacht wordt niet de winkel te verlaten, maar verder hangt het gebied dat door het woord «hier» bepaald wordt van de meest uiteenlopende dingen af. Kan ik hem nog zien, of bijna nog, alleen dan wel met enkele stappen van hem of mij? Kunnen we elkaar horen? Is het druk? Lopen er engerds rond in de winkel, heb ik haast of een rothumeur? Al die dingen bepalen de lijn die niet op de grond valt te trekken. Toch is «blijf hier even wachten» veel nauwkeuriger dan het trekken van een rode lijn die het gebied rond de zeep en de watten met bijvoorbeeld 120 cm omschrijft. «Hier» betekent meer dan de kwantificeerbare oppervlakte van een stukje vloer. Wie die lijn meent te kunnen trekken, is onnauwkeurig, want die mist de betekenis die het woord in dit geval heeft.

Het is een fascinerende paradox dat een bepaalde vaagheid nauwkeuriger is dan nauwkeurigheid. Hij laat zien dat taal een rijkdom kent die de filosofen klappertandend langs de kant laat staan als zij slim genoeg zijn. Dat is ook wat zij in toenemende mate zijn gaan proberen: niet kijken naar wat iets is, maar naar wat het doet. Daarom wil ik nu niet kijken naar wat poëzie is — dat kan zij zelf al zo goed door het te tonen, zelfs door het al definiërend te tonen! — maar eens zien hoe zij werkt.

Dat werken is iets anders dan wat het in andere taalspelen is, waar woorden het gereedschap zijn (ik borduur nog wat voort op Wittgenstein). Ze leiden een eigen leven, al wordt dat beperkt door regels van de taal, door het woordenboek, door de voorkeuren van de dichter (en door zijn oren). Door hoe ze eruitzien, door hun klank. Wittgenstein — ik kom op een of ander manier niet van hem af — beweerde eens (Vermischte Bemerkungen, 1977, p.154) dat het rijm van Rast en Hast toeval is, maar wel een gelukkig toeval. Nu is toeval een oninteressant begrip, hoeveel diepzinnigs je er ook over hoort als er bij het eten tenminste voldoende wijn is gedronken. Toeval betekent niet meer dan dat er iets gebeurt wat je redelijkerwijs niet kon verwachten. Een gelukkig toeval evenwel, het feit dat rust en haast (in het Duits) op elkaar rijmen en elkaar zodoende op lijken te zoeken waar ze uitgerekend elkaars tegengestelde zijn, dat heeft iets fascinerends wat elke dichter onmiddellijk zal herkennen.

Kenmerkend voor poëzie is niet dat vaagheid en nauwkeurigheid stuivertje wisselen, al kunnen we dat van gedichten goed leren. Want dat stuivertje wisselen komt overal voor in het leven en de taal, in de supermarkt evengoed als in de bruggenbouw. Kenmerkend voor de poëzie lijkt juist te zijn dat er iets in de taal is, de duistere grammatica van klank en rijm, dat op ervaringen van de werkelijkheid past: de poëzie lijkt met andere woorden iets te hebben van wat door Wittgenstein en andere filosofen aan de wetenschap is ontnomen. Het is het gelukkig toeval dat met een scala aan poëtische technieken en intuïties kan worden geoogst. In «The Chances of Rhyme», uit zijn bundel The Way of a World (1969), laat de Engelse dichter (en schilder) Charles Tomlinson zien hoe dit werkt:

The chances of rhyme are like the chances of meeting —

In the finding fortuitous, but once found, binding:

They say, they signify and they succeed, where to succeed

Means not success, but a way forward

If unmapped, a literal, not a royal succession;

Het gaat erover en het toont het. Wat toeval lijkt, wordt voortgang en die voortgang wordt gedreven door de vorm, door de alliteratie van finding fortuitous via found terugkerend in forward, en voortgestuwd door het evenzeer allitererende say, signify, succeed, succeed en success (dat geen succes is, omdat voor het echte allitereren de klemtoon in deze woorden op de eerste lettergreep had moeten liggen). Voortgestuwd tot aan de succession (die niet een luisterrijke troonsopvolging kan zijn door hetzelfde euvel). Prachtig hoe dat toevallig gevondene nu het er eenmaal is niet meer toevallig is maar binding — niet voor niets in dezelfde regel rijmend op finding. Al beschrijvende voltrekt het zich.

Wie zo te werk gaat in de taal biedt een ogenblik het hoofd aan Seinsverlust en lijkt de dingen te kunnen maken tot wat ze zijn. Niet in wetenschappelijke zin, en net niet in metafysische zin. Wel is wat de poëzie te voorschijn brengt méér dan louter verbeelding. Zij geeft geen gestalte aan een droomwereld, ze is niet, zoals William Hazlitt naar aanleiding van A Midsummer Night’s Dream in 1817 schreef, «like wandering in a grove by moonlight: the descriptions breathe a sweetness like odours thrown from beds of flowers». Dromen zijn bedrog.

Dat is poëzie ook, maar het is een hogere vorm van bedrog, gedolven uit het erts van de taal, zouden de romantische dichters zeggen. In de taal ligt meer verscholen dan je denkt, en wat erin verscholen ligt, komt in poëzie niet zomaar (fortuitous) aan de oppervlakte. Je moet het vinden en binden. Dat kan, zoals ik eerder zei, wanneer je er de woorden voor hebt en de muziek. En de lezer.

Want poëzie stoelt niet alleen op de dichter, de wereld en de taal, zij stoelt ook op de lezer. Het privé-gedicht bestaat niet, kan niet bestaan, evenmin als er een privé-taal denkbaar is.

Is die lezer er dan nog, nu er weliswaar steeds meer poëzie wordt geschreven, maar de oplagen van bundels daarentegen schrikbarend dalen? Moeten we ons troosten met de toegenomen verkoop van bloemlezingen? Of ons toch iets aantrekken van het afkalvende literatuuronderwijs en de toenemende marginalisering van de dichtkunst? Van de dreigende analyses van cultuurfilosofen als George Steiner die mopperen dat de literaire cultuur zijn laatste bedrijf is ingegaan en dat het doek weldra zal vallen? Leven we immers niet in een beeldcultuur waarin voor het schrift allengs minder plaats zal zijn, ontbreekt tegenwoordig niet de stilte waarin pas de taal tot zingen kan worden gebracht?

Het is onzinnig te ontkennen dat de schriftcultuur minder belangrijk aan het worden is. Beelden bereiken ons via nieuwe media en televisie, en door de alomtegenwoordige reclame; van een intellectuele elite die de klassieke talen en enkele andere moderne talen beheerst, is geen sprake meer; briefverkeer is in tien jaar grotendeels weggevaagd door e-mail, waarin de volzin niet meer een vanzelfsprekendheid is, de literaire canon ligt overal onder schot en wordt allengs minder onderwezen. Ik wil daar hier niet over mopperen omdat juist bij deze ontwikkelingen de poëzie zich van haar sterkste kant kan laten zien.

Allereerst is het terreinverlies van de volzin relevant: waar de klassieke talen en de roman met de lange zin op hun retour zijn, verdwijnt ook de gewoonte om grammaticaal ingewikkelde zinnen te lezen, de mogelijkheid om complexiteit en hiërarchie in een gram maticale structuur onder te brengen en te begrijpen. Daarmee wordt het belang van de pregnante uitdrukking en van de rake metafoor navenant groter. En dat is precies wat de poëzie vermag. Bovendien zal niemand een roman van het beeldscherm lezen, zoals de Franse dichter Jacques Roubaud vorige week bij Poetry International opmerkte. Maar een gedicht — dat gaat heel goed.

Poëzie is verder bij uitstek geschikt om de toenemende invloed van het beeld te verdisconteren. De opkomst van de beeldcultuur mag een reden tot zorg zijn voor degenen die hechten aan fotoloze krantenpagina’s en negentiende-eeuwse romans van tenminste vijfhonderd bladzijden, maar een plastische poëzie moet er garen bij kunnen spinnen. Ik hoor niet tot degenen die de videoclip het summum van hedendaagse kunst vinden, maar soms zie ik er een of een stuk ervan waarvan ik denk: het is net een gedicht. Poëzie kan beeld zijn en muziek er gratis bij.

Ten slotte blijkt ondanks alle ondergangsverhalen de literatuur overal springlevend — hoeveel schitterends wordt er nog altijd geschreven en gelezen! Gezien het feit dat taal, alleen al vanuit evolutionair oogpunt, een van de belangrijkste instrumenten van de mens is om te leven en te overleven mag verwacht worden dat het experimenteren met taal, het onderzoeken en scheppen van betekenissen, onmisbaar zal blijven. En ook dat is uitgerekend het gebied van de poëzie. Het is, nogmaals, de taal die de dingen steeds weer vastlegt, het zijn telkens de woorden die de dingen opnieuw rangschikken, een kleur of smaak geven, zichtbaar maken en in het leven roepen. En het is de dichtkunst die daar de meeste mogelijkheden voor heeft.

Hoe dat kan? Zij is de kampioen van het vage dat precies is. Zij weet met nieuwe woordcombinaties, nieuwe beelden en nieuwe geluiden raak te schieten waar niet geraakt kan worden. Nauwkeurig doel te treffen waar het doel onzichtbaar was. Zij weet wat «hier» is. Daarom verdient zij deze kleine lofrede.

Er zijn altijd meer redenen om somber te zijn dan opgewekt, maar de poëzie, zij redt zich nog wel even.