Essay: Ieder gedicht is een overredingsmachine

Lof der poëzie

Literatuur, kunst en filosofie zijn vrij, maar ze hebben de plicht een tegenwicht te bieden aan alles wat voos, dom, lelijk, of alleen maar leuk is. Ze voeren oorlog met het amusement. Een dichter moet onze zintuigen aanspreken en ontregelen, vaste patronen doorkruisen, kortsluiting veroorzaken in ons luie, laffe brein. Een goed gedicht doet een appèl op onze totale persoonlijkheid. Door te verleiden, wakker te schudden, te tonen, te overreden en te overrompelen. Ieder gedicht is een overredingsmachine, een wondermachine.

«Waar ben je?» «Wat zeg je? Ik zit in de trein.» «Wat? Ik kan je niet verstaan, de verbinding…» «Nee, in de trein. Ik kom tien minuten later.» «Wat?» «Vertraging. Ik kom tien minuten later. Doei!»

Zij komt tien minuten later. Om die verschrikkelijke waarheid te kunnen openbaren, heeft zij voor bloedgeld een wondermachine aangeschaft, waarmee zij iedere minuut van de dag haar coördinaten kan doorgeven aan haar vrienden en vriendinnen, die er op hun beurt een dagtaak aan hebben hun coördinaten door te geven. Maar welke zin heeft dat als je ongeacht de plaats waar je je bevindt in contact met je dierbaren staat? Wat doet plaats er nog toe als je zelfs op de prachtigste grachten, aan de breedste rivieren en in de spiritueelste gezelschappen slechts oog hebt voor de wondermachine die je herinnert aan waar je niet bent? Is die machine niet het ultieme bewijs dat wij bang zijn ons in de wereld te verliezen, dat we bang zijn ons langer dan een minuut te vervelen, zodat we gedwongen zouden worden om ons heen te kijken en misschien zelfs ergens over na te denken? Om tot het inzicht te komen dat we niets, maar dan ook niets voorstellen?

Het zijn de kunst, de literatuur en de filosofie die ons de wondermachines uit handen schoppen en ons dwingen om ons heen te kijken, na te denken, te interpreteren wat we zien en te aanvaarden dat deze fonkelende, huiveringwekkende, swingende, wrede wereld, die, hoewel ze er nog maar net is, permanent op instorten staat, de enige is die we hebben.

Literatuur, kunst en filosofie zijn vrij — ze hoeven niks, ze mogen alles. Maar juist die vrijheid legt hun de plicht op een tegenwicht te bieden aan alles wat voos, dom, lelijk, of alleen maar leuk is. Ze moeten ons steeds opnieuw leren kijken, denken en spreken. Ze voeren oorlog met het amusement, en hoewel ze het daarvan nooit zullen winnen, mogen ze niet versagen. Dat is een kwestie van zelfrespect. De dichter mag lachen en aan het lachen maken, maar hij mag nooit verstrooien, want wie verstrooiing biedt, biedt meer van hetzelfde en is dus overbodig.

De eerste dichters van wier bestaan wij weten, waren profeten, zoals Ezechiël, hoeders van het verleden, zoals Homeros, opvoeders, zoals Hesiodos en Sappho, denkers, zoals Laozi en Parmenides. Sinds de vroegste tijden heeft poëzie een verheven status in de maatschappij, die ze uiteraard lang niet altijd heeft kunnen waarmaken. Dat is ook niet waar ik op uit ben. Ik pleit niet voor een profeet des vaderlands, voor een nieuwe David, een nieuwe Klopstock, Helmers of Gorter. Een dichter behoeft geen boeteprediker te zijn, geen leidsman naar een nieuwe wereld, liever niet zelfs. Maar hij moet ons wel alle hoeken van de wereld laten zien, hij moet onze zintuigen aanspreken en ontregelen, vaste patronen doorkruisen, kortsluiting veroorzaken in ons luie, laffe brein. Een goed gedicht doet een appèl op onze totale persoonlijkheid.

Hoe krijgt de poëzie dat voor elkaar? Door te verleiden, wakker te schudden, te tonen, te overreden en te overrompelen. Het zijn de onderdelen die je, volgens de klassieke retorica, in iedere goede tekst zult aantreffen. Begin met een inleiding waarmee je de aandacht trekt (exordium), leg uit wat er aan de hand is (narratio), geef argumenten (probatio) en sleur je gehoor definitief de afgrond in met een overdonderend slot (peroratio). In de oudheid zijn er nogal wat gedichten geschreven waarin deze voorschriften slaafs werden nagevolgd, hetgeen uiteraard het tegendeel bewerkstelligde van wat beoogd was: verveling. Ook ben ik het onmiddellijk met u eens als u zegt dat een gedicht geen redevoering is. Dat beweer ik ook niet. Maar ik beweer wel dat ieder gedicht een overredingsmachine is, een wondermachine die de lezer opschudt uit zijn verwaten lethargie en hem laat zien dat hij is waar hij is en hem aanzet tot een innerlijk handelen, tot voelen, denken en beleven.

De klassieke retorica maakt sinds Aristoteles onderscheid tussen drie overredingsmiddelen, het êthos, de logos en het pathos. Het zijn die drie elementen die nog steeds onze beleving van poëzie bepalen, en ik zal ze achtereenvolgens bespreken.

Het êthos is dat wat we tegenwoordig imago noemen. Nog voor u de deur achter u gesloten hebt, weet ik wie u bent. Ik maak dat op uit uw houding, uw tred, uw kleding, uw gelaatstrekken en uw stem. Zo werkt het ook bij poëzie: twee regels zijn voldoende om te bepalen welk vlees je in de kuip hebt. Tot op zekere hoogte kan de man of vrouw die we op papier ontmoeten een bewuste constructie van de dichter zijn, maar ik geloof niet dat een onbeduidende persoonlijkheid ooit een krachtige zin op schrift zal weten te stellen. Een dichter die welbewust voortdurend van stijl wisselt, kan daarmee een postmodern standpunt uitdragen, maar laadt zo wel het odium op zich dat hij geen karakter heeft — en karakterloze mensen willen wij liever niet leren kennen. Het is een cliché van de eerste orde: de stijl verraadt de mens.

Bij podiumtijgers komt daar nog het aspect van de uiterlijke verschijning bij. Naast hun stijl moet ook hun voordracht indruk maken. Maar zelfs een dichter die zich het liefst achter zijn werk verschuilt, heeft dezer dagen met beeldvorming te maken, of hij dat nu op prijs stelt of niet. Je kunt het uitbuiten of zo veel mogelijk negeren, maar je zult moeten aanvaarden dat men al een beeld van je heeft voordat je ook maar een woord hebt kunnen uitbrengen. Dat heeft grote consequenties. Een dichter kan niet aan de ene kant huilerige verhalen over zijn pornoverslaving en bekering tot de Moederkerk uitventen, en tegelijkertijd verwachten dat men zijn poëzie nog onbevangen zal kunnen lezen. Of het terecht is of niet, Willem Jan Otten heeft een serieus êthos-probleem. Keerzijde is wel dat wie in de media geen aandacht krijgt, bijvoorbeeld omdat hij te verlegen of bescheiden is, ook grote moeite zal hebben een publiek aan zich te binden, ongeconcentreerd en wispelturig als het is.

Het tweede overredingsmiddel is de logos. Het omvat datgene wat je te melden hebt. Ik ga er nog steeds van uit dat een dichter iets te vertellen moet hebben. De postmodernen mogen mij honderdmaal duidelijk maken dat alle waarheid op een misverstand berust, dat mijn identiteit een illusie is en dat de taal uit rondzingend jargon bestaat, ik blijf ervan overtuigd dat een dichter een levend individu is dat ernaar streeft mij iets te vertellen, liefst iets belangrijks. Een gedicht dient betekenis te genereren. Daarvoor is het noodzakelijk dat de zinnen een hoog soortelijk gewicht hebben en dat ze in een volgorde staan die effectief is. De structuur van een gedicht kan verhalend, betogend, opsommend of cyclisch zijn, hoe dan ook moet je na lezing weten dat je iets substantieels hebt ervaren, zelfs als de dichter op het eerste gezicht uitsluitend wartaal heeft uitgebraakt.

Een gedicht zal zelden voldoen aan de argumentatieleer van de klassieke retorica. Bij poëzie zijn het eerder de beelden die als argumenten worden gehanteerd. Ook die kunnen door hun aanschouwelijkheid of directheid een bewijskracht hebben die niet onderdoet voor die van sluitende syllogismen.

Onderdeel van de logos is ook de mate waarin het gedicht complex is. Over het algemeen is de subtiliteit van de aangereikte gedachtewereld recht evenredig met de complexiteit van het gedicht, maar daar zitten wel grenzen aan. Bij complexiteit als die in de gedichten van Kees Ouwens kun je je afvragen of die nog effectief is: voor gewone mensenkinderen is zijn poëzie domweg te moeilijk. Anderzijds geldt dat wat van zichzelf een groot gewicht heeft genoeg heeft aan de helderste eenvoud. De poëzie van Catullus en Jan Arends raakt ons dankzij haar gebrek aan complexiteit — waarbij meteen moet worden opgemerkt dat het hier gaat om een zwaar bevochten eenvoud, waaraan vaak een uiterst ingewikkelde gedachtegang is voorafgegaan. Het feit dat we in een ondoorgrondelijke wereld leven, is echter op zichzelf een goede reden om het ook de lezer niet te gemakkelijk te maken. Voor je het weet ben je terug bij de schoonheid van de zonsondergang en de geliefde, en dat was nu net niet de bedoeling. Die kennen we al.

Het derde overredingsmiddel is het pathos, dat wil zeggen: de bij het publiek opgeroepen emoties. Daarmee bedoel ik beslist niet: sentiment. Wie lekker wil huilen, raad ik aan naar de film of de opera te gaan. Ik bedoel wel: betrokkenheid, verbazing en verbijstering, woede, geilheid, hilariteit of melancholie. De dichter heeft gefaald als de lezers na afloop nuchter opmerken dat hij gelijk — of ongelijk — heeft. De lezer moet uit zijn evenwicht zijn, het is noodzakelijk dat hij enige tijd moet bijkomen van wat de dichter over hem heeft uitgestort.

Wederom is het de stijl die voor dit pathos moet zorgen, in nauw verband met de opgeroepen beelden. De herhalingsfiguren die ook rituelen kenmerken kunnen een bedwelmende werking op lezers en toehoorders hebben — zie het veelbesproken essay van Jan de Roder, Het schandaal van de poëzie (1999), waarin wordt betoogd dat veel goede poëzie een zekere neiging tot betekenisloosheid vertoont, als een hardnekkig relict van de rituele oorsprong van alle poëzie en taal. Een ander middel is de opeenstapeling van verbluffende metaforen. Dergelijke stijlmiddelen zijn effectief, maar hebben het nadeel dat ze zo verdoven dat de lezer stopt met denken. Mij overkomt dat geregeld als ik Lucebert lees, met als gevolg dat ik na afloop wel het vermoeden heb dat ik iets bijzonders heb meegemaakt, maar desondanks met lege handen achterblijf.

Daarom denk ik dat de ware dichter weliswaar meesleept, maar tegelijkertijd weerstand oproept om de lezer wakker te houden. Vergelijk het met de vervreemdingstechniek van Bertolt Brecht. In dit verband zou je ook kunnen denken aan het gegeven dat redenaars stelselmatig de (vermoede) tegenargumenten van de tegenpartij in hun betogen opnemen. Zij doen dat uiteraard om die te weerleggen (refutatio), maar het resultaat is wel een meerstemmig verhaal dat onder spanning staat. Natuurlijk wil een dichter de lezer overtuigen, maar hij zal de lezer tegelijkertijd laten zien dat er naast het gedicht nog een ander gedicht mogelijk is. Een goed gedicht is nooit eenduidig en roept ook op wat er niet staat. Een dichter is, om in de sfeer van de retorica te blijven, aanklager en verdediger tegelijk. De lezer denkt na afloop wellicht: ja, zo is het, maar als het goed is begint direct daarna de twijfel te knagen.

Logos, êthos en pathos kunnen niet zonder elkaar. Het is in dit verband instructief om naar de muziek te kijken. Punk moet het vooral van het êthos hebben. De logos — het muzikale materiaal — van veel punknummers is dermate mager dat het pathos bij de luisteraar zich vaak beperkt tot verbazing over de geringe kwaliteit van het gebodene. Bij de kamermuziek van de tweede Weense school, met name bij Anton Webern, is het juist de logos die te veel aandacht heeft gekregen. De miniatuurtjes van Webern zitten ingenieus in elkaar, maar ze roepen geen emotie op. Het is rekenwerk, en dat is niet waar we een cd voor opzetten. Free jazz, ten slotte, concentreert zich op het pathos. Het ontbreken van een hecht doortimmerde logos heeft hier een politieke achtergrond, die van het anarchisme. Ik heb daar een diepe sympathie voor, maar moet toegeven dat ook ik na een uur structuurloze herrie mijn portie wel gehad heb.

Literatuur is geen statisch object, maar een proces dat zich tussen mensen afspeelt. Iedere dichter schrijft, of hij zich daarvan bewust is of niet, vanuit zijn eigen belevingswereld, opvattingen en vooroordelen. Hij wil ons zijn wereldbeeld opdringen, hij manipuleert ons waar we bij staan. Dat geldt ook voor dichters die hun werk als autonoom beschouwen. Op zijn beurt kan de lezer het gedicht uitsluitend vanuit zijn eigen achtergrond lezen en verstaan. Ik kan wel proberen de poëzie van Yu Jian of Xi Chuan te begrijpen, en helemaal onmogelijk is dat zeker niet, maar omdat ik geen Chinees ben, zal ik hen altijd door de ogen van een westerling bekijken. Het is echter niet uitgesloten dat mijn beperkte wereldbeeld aan nuance wint wanneer ik Chinezen, Russen, Hongaren en Turken lees.

Dat literatuur niet los gezien kan worden van de persoonlijkheden van auteur en lezer is geen nadeel, integendeel. Het gedicht, dat zelf niets is, vereist de volledige toewijding van de lezer om tijdens de interpretatie tot bloei te kunnen komen. Van zijn kant gaat de lezer ervan uit dat de dichter hem iets wil mededelen, zelfs als hij moedwillig in raadselen spreekt. Aan de hand van de gegevens die de tekst te bieden heeft, construeert de lezer zich een beeld van de spreker (of sprekers) en tracht hij hem zo goed mogelijk te begrijpen. Ook de klassieke retorica ging uit van wederzijdse plichten. De redenaar poogt zo effectief mogelijk zijn gehoor te bespelen, maar weet dat al zijn vuurwerk voor niets is als de toehoorders niet ten minste een beetje geschoold zijn om zijn stilistische hoogstandjes te kunnen waarderen. Net als de redenaar moet ook de toehoorder getraind worden.

Ongetwijfeld hadden de Grieken en Romeinen het gemakkelijker dan wij, omdat sprekers en publiek in veel sterkere mate dan tegenwoordig het geval is een gemeenschappelijke code beheersten. Maar ook moderne schrijvers, van welk werelddeel dan ook, gaan er in principe van uit dat communicatie met lezers mogelijk en zinvol is. En dan gaat het niet om het soort communicatie waarmee mijn verhaal begon. Literatuur is geen risicoloos geblaat om de vreeswekkende stilte te verstoren, zoals Ronald Giphart denkt, maar een middel tot kennis, inzicht en emotionele verdieping. Dat geldt in verhevigde mate voor de poëzie, die een vorm van taalgebruik is waaruit alle ruis is weggezuiverd — want zelfs wat op eerste gezicht ruis lijkt, draagt een maximum aan betekenis. In dat opzicht verkeert de poëzie, met haar beroep op aandacht en concentratie, permanent in oorlog met alle ruis die ons omgeeft.

Het verbale gevecht tussen dichter en lezer, waarbij je je zelfs kunt afvragen wie van beiden eigenlijk de agressor is, heeft tot doel de lezer uit zijn veilige evenwicht te brengen. Literatuur die er niet naar streeft maximale kortsluiting in het brein van de lezers te ontketenen, is overbodig. Het feit dat er een behoorlijke markt is voor de brave leesclubjespoëzie die door met name De Arbeiderspers en Van Oorschot wordt geproduceerd, bewijst dat het grote publiek liever in zijn onberispelijke opvattingen wordt bevestigd dan bereid is zich te laten overrompelen door het vreemde en gevaarlijke. Ik ben mij de laatste jaren in toenemende mate gaan ergeren aan de broddellapjes van Vasalis, Judith Herzberg, Jan Eijkelboom en Anna Enquist, om een tamelijk willekeurige greep te doen. Hun poëzie heeft op mij een verstikkende werking, en dat is vermoedelijk niet het soort pathos dat zij hopen op te roepen. Zij zijn uit op tevreden, ja-knikkende lezers.

Lucebert heeft het subversieve programma van die andere poëzie op onnavolgbare wijze verwoord in de bundel die zijn debuut had moeten zijn. Hoewel school der poëzie zo vaak aangehaald wordt dat verwijzing ernaar een cliché is geworden, zou ik het gedicht nog steeds, of misschien opnieuw actueel willen noemen.

ik ben geen lieflijke dichter

ik ben de schielijke oplichter

der liefde, zie onder haar de haat

en daarop een kaaklende daad.

lyriek is de moeder der politiek,

ik ben niets dan omroeper van oproer

en mijn mystiek is het bedorven voer

van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

ik bericht, dat de dichters van fluweel

schuw en humanisties dood gaan.

voortaan zal de hete ijzeren keel

der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

nog ik, die in deze bundel woon

als een rat in de val, snak naar het riool

van revolutie en roep: rijmratten, hoon,

hoon nog deze veel te schone poëzieschool.

Hoewel het gedicht, gezien de titel en zijn plaats in de bundel, een programmatische functie heeft, is het merkwaardig dat de eerste strofe met een negatie begint: de dichter vertelt allereerst wat hij niet is. Hij kondigt aan de hypocrisie van de liefde en de lieflijke poëzie te zullen ontmaskeren, maar doet dat in termen die suggereren dat hij ook zelf niet te vertrouwen is. Dat is niet direct de meest effectieve binnenkomer voor een redenaar.

Wat de eerste twee regels van de tweede strofe betekenen is wel duidelijk: de dichter wil herrie schoppen, niet alleen in de poëzie, maar ook in de maatschappij. De regels die erop volgen zijn minder eenduidig. Als ik het goed zie, zet de dichter de lectuur net als in de eerste strofe op scherp door zowel zichzelf als de lezer tot leugenaar te verklaren. Doordat hij wederom zijn eigen oprechtheid in twijfel trekt, dwingt hij ons bij onszelf te rade te gaan en te onderzoeken hoe oprecht we zijn en aan welke kant we staan. Maar omdat niemand zichzelf graag als huichelaar beschouwt, heeft de dichter ons bij voorbaat gewonnen voor zijn project om de laffe, lieflijke deugdzaamheid onderuit te halen. Dat we ons daardoor scharen aan de zijde van iemand die zich een oplichter noemt, willen we het liefst vergeten.

Na de eerste twee strofen, die ik als exordium beschouw, volgt de uiteenzetting van de feiten (narratio), die de stand van zaken in de poëzie weergeeft. Met de dichters van fluweel is het afgelopen, voortaan gaat poëzie gepaard met een flinke dosis muzikaal geweld. Zelfs als we de vraag naar de identiteit van de ontroerde beulen uit de weg gaan, is het duidelijk dat de poëzielezer op de een of andere manier gedwongen wordt zich met geweldplegers te vereenzelvigen. Als dat geen manipulatie is! En is manipulatie niet een vorm van geweld? Het gedicht brengt in praktijk wat het beweert.

Ook de eerste zin van de vierde strofe behoort mijns inziens nog tot de beschrijving van de stand van zaken. De dichter heeft weliswaar een heftig programma aangekondigd, maar hij geeft toe er zelf niet helemaal aan toe te zijn. Deze poëzie is nog te lieflijk, de dichter is niet ver genoeg gegaan. Het oproer uit de tweede strofe is omgeroepen, maar nog niet tot stand gebracht, hetgeen moge blijken uit het feit dat de dichter het traditionele rijm gehandhaafd heeft.

Daarom wordt het gedicht besloten met een krachtige peroratio, waarin de dichter zijn mede-ratten aanspoort de mooischrijverij te lijf te gaan. De actie die zij daartoe moeten ondernemen, het honen, steekt echter wat magertjes af tegen de gruwelen die eerder waren aangekondigd. De dichter durft niet door te zetten, het blijft bij dreigen. Zo laat hij zien dat de revolutie inderdaad nog lang geen feit is.

Is dit nu een gevaarlijk gedicht? Ik denk het wel. Niet zozeer omdat er opstand wordt gepredikt, als wel omdat de betrokken lezer medeplichtig wordt gemaakt aan een project dat zichzelf lijkt te ondermijnen. Maar de lezer loopt uitsluitend gevaar als hij bereid is zich met de dichter te identificeren. Zonder medewerking van de lezer gebeurt er helemaal niets, of blijft het bij een wat gratuite oproep tot verandering. Daarmee is het probleem gegeven van poëzie die «een kleine mooie ritselende revolutie» teweeg wil brengen. Als de lezer niet al bij voorbaat bereid is zich te laten meeslepen en schokken, komt de omwenteling niet tot stand. Zelfs de meest revolutionaire poëzie loopt het risico slechts aan te sluiten bij vastgeroeste opvattingen, bijvoorbeeld over de morele verplichting tot opstandigheid.

Dat brengt ons op de functie van poëziekritiek. Ik heb betoogd dat literatuur een serieuze, maatschappelijk relevante zaak is, die geen effect heeft als auteur en lezer zich niet met volle overtuiging eraan overgeven. Dat betekent dat ook de kritiek een belangrijke taak heeft. De criticus beoefent een eerbiedwaardig ambacht, hij is een schoolmeester met een missie, geen clown in een circus. Hij (voor stilistisch gemak houd ik de mannelijke vorm aan, maar ik bedoel vanzelfsprekend ook vrouwelijke critici) fungeert als eerste lezer en wordt geacht een voorlopige schifting aan te brengen tussen boeken die er wél, en die er niet toe doen. Hij moet een aanzet tot interpretatie geven. Wil hij enige autoriteit — êthos — verwerven, dan zal hij moeten bewijzen dat hij over een zekere eruditie beschikt en zich in de loop van zijn leven heeft ontwikkeld tot een sensitief en scherpzinnig lezer. Dit impliceert dat een goed criticus de vlegeljaren ruimschoots ontgroeid is, want wie nog niets gelezen heeft is gedoemd te herhalen wat al duizendmaal gezegd is.

Omdat een integer criticus ieder boek een eerlijke kans wil geven, zal hij proberen zich onbevangen open te stellen voor wat hij onder ogen krijgt. Hij moet, alleen al uit beleefdheid tegenover zijn lezers, bereid zijn alles te lezen, van Deelder en Ozon tot Kopland en Leeflang, van Claus en Pfeijffer tot Spinoy en Van Bastelaere, en hij moet ook het vermogen hebben zijn oordelen steeds opnieuw te herzien. Maar echte onbevangenheid is een illusie. Daarom is hij zich altijd bewust van de mogelijkheid dat hij blinde vlekken heeft, die hij per definitie niet kent. Door zo nu en dan te lezen wat andere critici, en vooral ook wat meta-critici in literaire tijdschriften schrijven, toetst hij zijn eigen smaak.

Integriteit veronderstelt niet dat de criticus er geen persoonlijke literatuuropvattingen op mag nahouden, integendeel, zolang het maar geen verborgen agenda betreft. Het is dodelijk als een recensent in ieder stuk expliciet zijn visie op literatuur ontvouwt, maar omdat recensies, vooral poëzie recensies, bijna uitsluitend gelezen worden door mensen die de criticus met enige regelmaat volgen, is dat ook niet nodig. De lezer weet na enige maanden wel hoe de criticus denkt. Daarmee is automatisch aangegeven hoe beperkt de macht van de kritiek is: ik zal alleen hen kunnen manipuleren die door mij gemanipuleerd willen worden.

Integriteit veronderstelt wel dat de criticus zich verre houdt van jury’s, commissies, redacties en gekonkel in grachtengordels. Een recensent die iedere week wordt gesignaleerd in gezelschap van de dichters wier werk hij moet wegen, boet in aan geloofwaardigheid: zijn êthos loopt gevaar. Dat geldt ook voor de tegenovergestelde houding: wie een systematische voorliefde aan de dag legt voor schelden en schimpen, wordt een nar in plaats van een raadsman.

Ten slotte kunnen we ons de vraag stellen of de waardigheid van zijn ambt de criticus verplicht vooral aandacht te besteden aan de logos van zijn stukken. Hoewel ik niet ontken dat argumentatie en structuur van levensbelang zijn voor een goede recensie geloof ik toch dat het uiteindelijk om iets anders gaat — om pathos. Omdat boeken met bloed worden gemaakt en met zweet en tranen worden gelezen, omdat literatuur van belang is voor onze visie op de wereld, met alle politieke consequenties van dien, denk ik dat wie over literatuur schrijft in de allereerste plaats intense betrokkenheid en hartstocht moet tonen. Hij moet laten zien dat literatuur geen vrijblijvend geneuzel is, maar een zaak van leven en dood.

Een poëziecriticus die niet de ambitie heeft even dwingend te schrijven als de dichters die hij bespreekt, moet zijn mond houden.