Essay: Pleidooi voor de wetenschap der politiek

Lof der waarlijke politiek

Politiek is uit. Wijsbegeerte is in. Maar dat onderscheid miskent de betekenis van politiek met een grote P.
Aan de vooravond van de Maand van de Filosofie een pleidooi voor de wetenschap der politiek, omdat die onontbeerlijk is voor het samenleven der burgers.

Enige tijd geleden had ik een interessant gesprek met de hoogste ambtenaar, de voorzitter van het college van bestuur, van een Nederlandse universiteit. Deze beroepsbestuurder, die oorspronkelijk biochemie had gestudeerd, vertelde mij dat ik «een kennis en een expertise had waaraan wij, in onze moderne, marktgerichte samenleving niet langer behoefte hebben». Daarom had hij besloten mijn functie op te heffen. Met deze «kennis en expertise» doelde hij op de politieke wetenschappen. Ik schonk aanvankelijk niet veel aandacht aan deze ontboezeming. Het zal toch niet zo zijn, dacht ik, dat ambtenaren op een universiteit bepalen wat betekenisvolle disciplines zijn?

Twee weken later kreeg ik echter een uitnodiging van een alleraardigste mevrouw van het bureau Planning and Control die «samen met mij wilde onderzoeken of ik wellicht over talenten beschikte die misschien tot dusverre onvoldoende waren onderkend en die mogelijke aanknopingspunten zouden kunnen bieden om mijn carrière in een andere, wellicht meer perspectiefvolle richting te ontplooien». Toen ik haar voorzichtig te kennen gaf dat ik niet ontevreden was over de wijze waarop mijn carrière zich tot nu toe had ontplooid, maakte ze duidelijk: «Wanneer mijn superieur zegt dat u een probleem hebt, dan hebt u een probleem.»

Hoe komt het toch dat in steeds meer maatschappelijke sferen – de universiteit is er daar maar één van – ambtenaren de dienst uitmaken, mensen die dus worden voortbewogen door een specifieke, functionele of instrumentele rationaliteit. Doet de politiek er (nog) toe in een moderne samenleving van private en publieke bureaucratieën en markten die alle worden beheerst door dezelfde functioneel-rationele oriëntatie? En heeft het daarom nog zin een studie van de politiek te maken?

Velen antwoorden ontkennend op de laatste vraag. Het Einde van de Ideologie is uitgeroepen, het Einde van de Politiek, het Einde van de Geschiedenis, de grote verhalen zijn verteld en «uit» en de val van de Muur heeft «bewezen» dat er voor de bestaande westerse marktdemocratieën geen werkelijke alternatieven zijn. Kortom, we weten wat de juiste, de beste samenleving is en van nu af aan zal de geschiedenis hooguit bestaan uit een eindeloze reeks aanpassingen binnen grotendeels vaste kaders, hooguit af en toe onderbroken door een clash of civilizations. Dergelijke clashes zijn echter primair religieus – dus militair – van aard en niet politiek.

Waartoe dient in deze omstandigheden nog de bestudering van onze politieke orde en mogelijke alternatieven? We weten toch wat de beste orde is en we weten toch hoe deze functioneert – «goed» namelijk. Er zijn toch alternatieven uitgeprobeerd en het is toch gebleken dat deze niet werken?

Het gaat hier om sentimenten, maar vlak nooit de werking hiervan uit. Verkiezingen worden hierdoor beslist. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Raad van State zijn de grootschalige processen van privatisering en verzelfstandiging in de jaren negentig in hoge mate geïnspireerd geweest door (antipolitieke) sentimenten. En ook universiteiten worden hierdoor geregeerd.

De politiek en de maatschappij zijn «uit». Alles wat het strikt persoonlijke overstijgt, heeft aan belang ingeboet. Dit vertaalt zich in het aanzien van wetenschappelijke disciplines en de aantallen studenten die zij trekken. Het vertaalt zich in de wijzen waarop politieke partijen afwegingen maken tussen markt en politiek. Het vertaalt zich in de relatieve populariteit van individuele en maatschappelijke activiteiten (denk aan het lidmaatschap van politieke partijen). Het idee van Aristoteles dat mensen «politieke dieren» zijn, die zich alleen maar kunnen ontplooien door deel te nemen aan de besluitvorming over publieke zaken, zal menige moderne burger bespottelijk vinden.

Wat kunnen politicologen tegen dit antipolitieke sentiment inbrengen? Allereerst kunnen zij erop wijzen dat dit niet de eerste keer is dat het einde van de ideologie, van de politiek en de geschiedenis is uitgeroepen. De voorlaatste keer was in de jaren vijftig, toen Daniel Boorstin, Edward Shills, Daniel Bell en Seymour Martin Lipset stelden dat er binnen de westerse democratieën een brede normatieve consensus was ontstaan en dat er goedbeschouwd geen fundamentele politieke vraagstukken meer over waren. Er bestonden nog slechts praktische problemen, die om pragmatische, technische oplossingen vroegen. Politici maakten alleen nog maar gebruik van ideologieën om hun achterban te mobiliseren en te behagen. Dit juichten ze ook van harte toe. Met ideologieën verbonden grootschalige maatschappelijke planning kon slechts tot totalitarisme en andere maatschappelijke rampen leiden. Mensen dienden op ondogmatische, sceptische wijze via, wat Karl Popper noemde, «piecemeal engineering» langzaam verder te bouwen aan een betere samenleving binnen de kaders van de bestaande westerse marktdemocratieën.

Waarom komt dit gedachtegoed nu weer naar boven? Sommigen hebben de beweging in de jaren vijftig verklaard uit zelfgenoegzaamheid over de bestaande samenleving. Dat is te begrijpen: na de crisis jaren en de oorlog waren de jaren vijftig een oase van rust en voorspoed. Het lek in de beschaving leek boven. Ook in de jaren negentig speelde zelfgenoegzaamheid een belangrijke rol: wij hebben de Koude Oorlog gewonnen, wij hebben gelijk.

Mogelijk speelt een rol dat in een door individualisering gekenmerkte tijd iedere generatie graag denkt dat juist zij het einde van de geschiedenis meemaakt. Het is een troostrijke gedachte dat er na ons verscheiden eigenlijk niets meer zal gebeuren wat werkelijk nieuw of spannend is en dat de geschiedenis, nadat wij het veld hebben geruimd, niets meer zal zijn dan een saaie, eindeloze herhaling van zetten. We gaan dood, maar werkelijk iets missen doen we niet. Godzijdank.

En toch blijven er twijfels. Kunnen er ooit tijden zijn zonder politiek, zonder belangentegenstellingen en zonder meningsverschillen over een plausibele definitie van het Goede Leven en over de inrichting van de maatschappij waarin dit leven mogelijk wordt gemaakt? De Britse politiek-filosoof Isaiah Berlin stelde in 1962 dat onze conditie zich kenmerkt door de aanwezigheid van een grote pluriformiteit aan waarden. Deze waarden zijn elk op zich betekenisvol, maar het probleem is dat zij voortdurend en onvermijdelijk met elkaar in conflict komen. Vrijheid, autonomie, gelijkheid, rechtvaardigheid, nuttigheid, doelmatigheid, barmhartigheid en solidariteit kunnen niet op logische wijze in één harmonieus, hiërarchisch, altijd en overal geldend systeem worden geordend. Daarom worden wij iedere keer wanneer zij in de praktijk botsen genoodzaakt om ze op een redelijke wijze tegen elkaar af te wegen. De notie van een ideale maatschappij – waarin alle waarden die ons leven zin en betekenis kunnen verlenen zijn gerealiseerd en waarin alle politieke activiteiten zijn volbracht en verdwenen – is dan ook een misverstand. Zij is een miskenning van de menselijke conditie, een conditie waarin onze waarden nooit tegelijkertijd en volledig kunnen worden gerealiseerd.

Het idee dat wij ooit overeenstemming zullen bereiken, of inmiddels hebben bereikt, over de betekenissen en de gewichten die aan waarden moeten worden verleend, is evenzo weinig plausibel. Vragen naar de juiste betekenis van en de juiste afweging tussen waarden zijn filosofische vragen waarop geen ondubbelzinnige, objectieve of «wetenschappelijke» antwoorden kunnen worden gegeven. In tegenstelling tot wetenschappelijke problemen gaat het hier immers om kwesties waarvan de oplossingen noch op empirische, noch op logische wijze kunnen worden gevonden. Waar moeten we zoeken naar antwoorden op vragen als «wat is een rechtvaardige verdeling van gezamenlijke producten?», «behoren aangeboren kwaliteiten te worden beloond?», «dienen buitengewone behoeften te worden gehonoreerd?». Omdat er geen consensus bestaat over de methode om deze vragen te beantwoorden, bestaat er ook geen consensus over de oplossingen (hetgeen geenszins wil zeggen dat alle filosofische antwoorden willekeurig of gelijkwaardig zijn) en zijn politieke meningsverschillen onuitroeibaar.

Bovendien hebben mensen ook nog afwijkende belangen. Hierdoor komen zij voortdurend met elkaar in conflict en om te voorkomen dat die conflicten uitlopen op een burgeroorlog, op een natuurstaat waarin het leven kort, gewelddadig en akelig is, hebben zij politieke structuren ontwikkeld om gezamenlijk tot een leefbare overeenstemming te komen. Politiek is dus niet alleen onvermijdelijk, maar ook uiterst wenselijk: zij biedt de mogelijkheid om enigszins beschaafd menings verschillen en belangentegenstellingen te beheersen.

Politiek bestaat echter niet alleen uit conflicten, politiek is meer dan wat Christian Bay jaren geleden betitelde als «pseudo-politiek». Politiek bestaat tevens uit coöperatie, uit een gezamenlijke poging het beste van onszelf te maken, uit het scheppen van een goede samenleving waarin het goede leven gerealiseerd kan worden. Een belangrijke vorm van politieke vrijheid die steeds meer naar de achtergrond verdwijnt is de vrijheid om gezamenlijk met anderen, anderen waarmee men een gemeenschap vormt, betekenis en richting te geven aan het samen leven en invloed uit te oefenen op de maatschappelijke ontwikkelingen. Het belang van deze vorm van politiek moet niet worden onderschat. Een systeem dat niet meer te bieden heeft dan het verdelen van schaarste en defensief reageren op maatschappelijke problemen, vervreemdt zich uiteindelijk van zijn burgers.

Terug naar de rationalisering. Het feit dat steeds meer maatschappelijke sferen in de ban van de functionele rationaliteit van bureaucratie en markt zijn gekomen, kan verklaren waarom onze politieke vrijheid om invloed uit te oefenen op de inrichting van onze samenleving steeds verder afneemt. Politici hebben er geen belang bij dit te erkennen, maar burgers voelen intuïtief aan dat de politiek er in deze zin steeds minder toe doet en daarom wenden zij zich af. Dit doen ze niet alleen in Nederland, dit doen ze in alle westerse marktdemocratieën.

Het bijzondere van de verklaringen die in de regel gegeven worden van de politieke desinteresse, is dat ze bijna altijd plaatselijk zijn. Het ligt aan de betrokken politici die te oud, te saai en te lelijk zijn of geen doorsnee van de bevolking vormen. Het ligt aan de politieke partijen die te veel op elkaar lijken. Het ligt aan het kiesstelsel dat mensen geen duidelijke keuzen biedt (al dan niet personeel) of dat, zoals in de VS, onnodige barrières opwerpt voor burgers die hun stem willen uitbrengen. Het ligt aan een gebrek aan mogelijkheden voor burgers om rechtstreeks invloed uit te oefenen. Het ligt aan de zure media. Het ligt aan corrupte politici waarover zure media te veel rapporteren.

De gesuggereerde oplossingen van deze problemen zijn in de regel eveneens plaatselijk. Dat geldt voor de gekozen burgemeester, de gekozen minister-president, het districtenstelsel, politieke partijen die meer van elkaar verschillen, eenvoudiger stemprocedures, het referendum et cetera. Dat deze oplossingen vaak al lang in het buitenland bestaan en zelden de gehoopte effecten teweeg hebben gebracht, lijkt niemand te deren.

De trend in alle westerse marktdemocratieën is navenant: een trend naar burgers die zich minder aan politiek en maatschappij gelegen laten liggen. Om die trend te verklaren moet men zoeken naar wat de marktdemocratieën gemeen hebben. Dat zijn samenhangende processen van individualisering, differentiëring en rationalisering.

Rationalisering, waarop ik mij concentreer, betekent een toeneming in steeds meer levenssferen van het belang van, wat Karl Mannheim noemde, de «functionele rationaliteit» en een afneming van het belang van de «substantiële rationaliteit». Van functionele of instrumentele rationaliteit is sprake wanneer een serie van handelingen op een dusdanige wijze is georganiseerd dat zij met zo weinig mogelijk kosten leidt tot een vooraf gedefinieerd doel. Het doel staat vast en men zoekt er de middelen bij om het zo efficiënt mogelijk te realiseren.

Daarentegen handelt iemand volgens Mannheim «substantieel rationeel» wanneer hij een minimaal inzicht heeft in de op elkaar betrokken gebeurtenissen en wanneer hij op basis van een doordachte afweging van de voor deze situatie relevante waarden tot eigen oordelen en keuzen komt. Substantiële rationaliteit betekent dat iemand in staat is individuele gebeurtenissen in een wijder kader te plaatsen.

Hoewel beide vormen van rationaliteit uitstekend kunnen samengaan, neemt het belang van de functionele rationaliteit steeds meer toe en dat van de substantiële rationaliteit steeds meer af. De belangrijkste manifestaties en katalysators van dit proces zijn volgens Max Weber en Karl Mannheim de bureaucratie en het marktsysteem. Het gaat om een buitengewoon complex geheel van wederzijdse stimulansen. Ik stip slechts een aantal zaken aan.

Allereerst, wat is de aantrekkelijkheid van het functioneel-rationele denken? Het biedt een illusie van zekerheid. Wanneer kwalitatieve ijkpunten voor het handelen, die eerder werden aangereikt door religie en traditie, in een proces van secularisering langzaam wegvallen, gaan mensen om houvast te vinden steeds meer tellen, meten, kwantificeren en classificeren. Ze gaan verwijzen naar «regels» – dit is typerend voor de bureaucratische geest – of ze gaan calculeren.

Men ziet dat op tal van gebieden bijna dagelijks gebeuren. In de wetenschap zijn in toenemende mate meningsverschillen ontstaan over maatstaven van kwaliteit en relevantie en daarom is men steeds meer gaan tellen, daarbij aangemoedigd door ambtenaren van universitaire bureaucratieën die van huis uit het liefst met kwantiteiten werken om greep op hun omgeving te krijgen.

Hetzelfde terugvallen op functionele rationaliteit ziet men voortdurend in de politiek. We weten niet meer wat een rechtvaardige verzorgingsstaat is of missen in ieder geval het vocabulaire om hierover op een redelijke wijze te discussiëren. Wat we wel weten is dat we binnen de budgettaire eisen van de Europese Unie moeten blijven, dat we dus, zeg, 35 procent te veel mensen in de WAO hebben, dat we die eruit kunnen krijgen door, zeg, bij 52,5 jaar een lijn te trekken door al degenen die onder deze grens zitten te herkeuren en daarvan zestiende deel voor veertig procent goed te keuren. Men zou verwachten dat iedereen onmiddellijk het perfide karakter hiervan zou herkennen. Mensen zitten terecht in de WAO en doen een terecht beroep op de solidariteit van hun medeburgers, of ze zitten er onterecht in. Wat dit heeft te maken met leeftijdsgrenzen, is duister. Wanneer iemand op zijn 64ste aan een herkeuring wordt onderworpen en het blijkt dat hij de boel voor twintig jaar heeft zitten flessen, dan kan hij wat de substantieel-rationele denker betreft weer tot zijn 84ste aan de slag. Van dergelijke denkers lopen er vandaag niet veel meer rond. Maar heeft een overheid die klaagt over «calculerende burgers» nog recht van spreken wanneer zij zichzelf aan dit soort calculaties te buiten gaat?

Ook justitie en politie steunen meer en meer op de schijnzekerheid die de functionele rationaliteit biedt. Men wil op prestaties gaan afrekenen en in een reflex gaat men datgene berekenen wat het eenvoudigst kwantitatief valt uit te drukken: aantallen bekeuringen.

Het demonstratieobject bij uitstek is de markt. Alleen op de markt heeft alles een kwantitatief uitgedrukte prijs en kan men appels met peren vergelijken. Dat geeft houvast. Is de prijs laag, dan is het product dus waardeloos, is de prijs hoog, dan is het product waardevol en nastrevenswaardig. Er is slechts één probleem: wanneer het laatste «nastreven» niet wordt afgeremd en begrensd door culturele waarden, dan wordt het eindeloos en onverzadigbaar. Het concept «genoeg» bestaat niet in de wiskunde en ook niet op een markt. «Genoeg» kan alleen worden gedefinieerd binnen een substantieel-rationeel kader.

Het is dus aantrekkelijk om zich tot de functionele rationaliteit te wenden op het moment dat men de waarden mist voor een substantieel-rationele oriëntatie. Bovendien worden wij ook voortdurend gedwongen tot functioneel-rationeel handelen, al zouden wij misschien iets anders willen. Dit gebeurt bij uitstek in bureaucratieën en markten. Een private of publieke bureaucraat weet zich stelselmatig gedwongen hiërarchisch vastgestelde, algemene regels toe te passen in concrete situaties. Een manager kan zich door de markt gedwongen zien minder productieve mensen die al dertig jaar in dienst zijn te ontslaan, ook al gaat dit in tegen zijn morele overtuiging en geweten.

Mannheim ziet de industrialisering als de belangrijkste manifestatie en katalysator van de functionele rationaliteit. Dit vooral omdat in dit proces steeds meer menselijke activiteiten worden georganiseerd in organisaties die worden beheerst door deze vorm van rationaliteit. Mensen hebben geen andere keuze dan zich hieraan aan te passen. Die aanpassing beperkt zich echter niet tot de onderneming. Als mensen op hun werk de hele dag worden gedwongen tot functioneel-rationele calculaties, zullen ze na verloop van tijd ook buiten hun werk tot weinig anders meer in staat zijn. Hun vermogen tot onafhankelijk, autonoom en moreel denken, tot substantiële rationaliteit, ontwikkelt zich niet of sterft zelfs af.

Meer dan Mannheim ziet Weber het kapitalistische marktsysteem als een verbreider van de functionele rationaliteit. Eerst moet het echter op gang worden gebracht. Volgens Weber kan dit alleen in een omgeving die in zekere mate is gerationaliseerd. Een onttovering van de wereld moet zich hebben ontwikkeld. Wanneer het kapitalisme zich vervolgens ontplooit, een ontplooiing waarvoor het «ascetisch protestantisme» een uitstekende voedingsbodem bleek te zijn, stimuleert het op zijn beurt de verdere verdieping en verspreiding van de rationele geesteshouding. Het gaat om één groot conglomeraat van wederzijdse stimuli die gezamenlijk een enorm, voor Weber zelfs angstaanjagend momentum krijgen. Het kapitalisme vormt een onontkoombare «ijzeren kooi» die op een objectieve, onpersoonlijke en onverbiddelijke wijze het bestaan bepaalt van de mensen, die in de gigantische kapitalistische machine moeten functioneren.

Als belangrijkste manifestatie van de functionele rationaliteit ziet Weber de bureaucratie – zowel publiek als privaat. Bureaucratisering komt voort uit het streven de werkelijkheid te beheersen op basis van rationele, universele, ondubbelzinnige principes. Weber benadrukt dat de bureaucratische organisatie in een sterk gedifferentieerde, uitermate complexe maatschappij efficiënter, effectiever, betrouwbaarder, voorspelbaarder, discreter, preciezer, ondubbelzinniger, soepeler en sneller functioneert dan alle andere mogelijke bestuursvormen. Er is dus een plausibele reden om te kiezen voor deze organisatievorm.

Daarenboven houdt Weber vooral het kapitalisme verantwoordelijk voor het aanwakkeren van de bureaucratisering. Allereerst zijn de moderne omvangrijke ondernemingen zelf belangrijke voorbeelden van bureaucratische organisaties. Omdat hun functioneren daarnaast is gebaseerd op rationele calculaties – op voorspelbaarheid, doorzichtigheid, continuïteit, universaliteit, punctualiteit en ondubbelzinnigheid – kunnen zij niet omgaan met een irrationele omgeving. Daarom dwingen zij de overheid zich op basis van overeenkomstige principes te organiseren. Deze behoefte van organisaties om hun omgeving te rationaliseren is algemeen. Rationele organisaties kunnen niet omgaan met een irrationele, onvoorspelbare omgeving. Dit geldt zowel voor overheidsbureaucratieën als voor private ondernemingen.

Wanneer het onderbrengen van functies in bureaucratische organisaties eenmaal op gang is gekomen, krijgt dit proces een eigen momentum. Hierin ligt de grote angst van Weber. Bureaucratieën trachten hun doelmatigheid en doeltreffendheid te optimaliseren door alles wat menselijk is – alles wat substantieel-rationeel van karakter is – uit hun calculaties te bannen. Zij vormen daarom een enorme bedreiging voor persoonlijke creativiteit, individualiteit en vrijheid en voor maatschappelijke diversiteit, innovatie en dynamiek.

Kortom, in deze sociologische zin is er sprake van een einde van de politiek. Door functionele rationaliteit gedomineerde economische markten en private en publieke bureaucratieën beheersen meer en meer levenssferen en laten steeds minder ruimte aan de substantieel-rationele keuzen die de «grote politiek» kenmerken. De modernisering maakt het ons in toenemende mate moeilijk te ontsnappen aan de ooit door onszelf geschapen ijzeren kooien van markt en bureaucratie. Bureaucratieën en markten dringen ons keuzen en realiteiten op die wij steeds minder kunnen ontlopen en die wij steeds minder machtig zijn ter discussie te stellen. Denken buiten «het systeem» wordt een schier onmogelijke opdracht, stelde Mannheim. Daar helpt geen gekozen burgemeester meer aan.

De individualisering, differentiëring en vervaging van gedeelde substantiële rationaliteiten hebben tot gevolg dat burgers zich steeds moeilijker met elkaar en met een algemeen belang kunnen identificeren. Bijgevolg ontbreken de gemeenschappelijke concepties van het goede leven en de goede samenleving, die aan de basis liggen van gezamenlijk politiek handelen. Binnen het kader van de niet of nauwelijks door ons te beïnvloeden processen van modernisering resteert slechts de «kleine politiek», een politiek die hoofdzakelijk bestaat uit een nooit aflatende strijd om de verdeling van schaarse goederen. Politiek als een collectieve poging om onze eigen toekomst te scheppen is een steeds grotere opgave geworden.

Hoe de politiek en onze politieke vrijheid te redden? Weber hield zich vast aan twee strohalmen: de markt en de charismatische politieke leider. Zijn angst voor de bureaucratie was zo groot dat hij de markt vooral als een waarborg van vrijheid en dynamiek wenste te zien. Zoveel mogelijk moest daarom worden overgelaten aan het vrije spel der maatschappelijke krachten. De tegenstrijdigheid van deze visie is evident: bureaucratieën kunnen zowel privaat als publiek zijn, vooral de markt is een verbreider van de functioneel-rationele geesteshouding en evenals de bureaucratie vormt de markt een systeem van functionele rationaliteit, een systeem dat ons dwingt tot keuzen die deze beperkte rationaliteit weerspiegelen. De processen van privatisering, deregulering, vermarkting van de laatste decennia berusten op hetzelfde misverstand. Uiteindelijk verkleinen zij slechts de mogelijkheden van de burger om invloed uit te oefenen op de organisaties waarin zij moeten functioneren en die hun leven beheersen. Zij vergroten de politieke malaise.

Webers andere strohalm was de charismatische politieke leider. Alleen hij zou in staat zijn om de blinde processen van bureaucratisering een richting te geven en te beheersen. Ook deze noodgreep is weinig gelukkig gebleken. Het belangrijkste probleem is hoe we van een dergelijke leider afkomen wanneer we achteraf toch niet zo gelukkig zijn met zijn visie. Daarnaast is het maar de vraag of charismatische leiders in een complexe moderne samenleving nog wel de daadkracht kunnen tentoonspreiden waarop Weber hoopte.

Democratischer lijkt het om niet te vertrouwen op de visie en de creativiteit van een politiek leider, maar om deze visie en creativiteit bij burgers in het algemeen te bevorderen. Democratischer lijkt dus te pogen het vermogen van mensen tot substantieel-rationeel denken te vergroten, het vermogen buiten de bestaande, functioneel-rationele kaders te denken van markt en bureaucratie. De opmars van de functionele rationaliteit in steeds meer levenssferen is op gang gebracht omdat oude substantiële rationaliteiten vervaagden of erodeerden. Een absolute voorwaarde voor het tegenhouden van die opmars is het scheppen van nieuwe substantiële rationaliteiten. De politiek speelt hierin een rol. Zij moet vervolgens deze rationaliteiten vertalen in een effectief beleid om de processen van bureaucratisering en vermarkting onder controle te brengen. Doet ze dat niet, bevordert ze zelfs deze processen, dan helpt ze eraan mee dat zij nog irrelevanter wordt dan ze vandaag al is. In dat geval kan men burgers alleen maar groot gelijk geven wanneer zij zich massaal van de politiek afwenden.

Hans Blokland, doctor in de politieke filosofie, was fellow van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en onder meer verbonden aan Yale University en de Erasmus Universiteit. Publicaties: Wegen naar vrijheid (Boom, 1995), Publiek gezocht (Boom, 1997), De modernisering en haar politieke gevolgen (Boom, 2001) en het deze maand verschenen Pluralisme, democratie & politieke kennis (Van Gorcum)