Stéphane Audeguy’s gevecht tegen lompheid

Lof der zachtheid

Stéphane Audeguy trekt van leer tegen, bijvoorbeeld, intellectuelen die een voet­balfinale gelijkstellen aan een tragedie van Sofokles. Door Arjen van Veelen

Een ‘Panenka’ is een zacht ingeschoten strafschop, vernoemd naar de Tsjech Antonín Panenka. Tijdens de EK-finale van 1976 nam hij een aanloop die suggereerde dat hij de bal een flinke trap zou geven – maar hij hield in, en gaf slechts een subtiel tikje. De bal zeilde met een traag boogje over de doellijn. De keeper lag al op de grond. Stéphane Audeguy wijdt in zijn Petit éloge de la douceur (2007) een korte overpeinzing aan de Panenka.

Zo’n zachte strafschop vereist subtiliteit: schiet je te zacht, dan is de bal een prooi voor de keeper; schiet je te hard, dan is het geen Panenka. Behalve zacht is deze strafschop ook hard: het is een vernedering voor de keeper. Die combinatie van zachtheid en wreedheid fascineert Audeguy. In zijn mini-essay contrasteert de oer-Panenka met de – in zijn ogen – weinig subtiele wijze waarop Zinedine Zidane tijdens het WK van 2006 ook een Panenka nadeed.

Stéphane Audeguy (1964) debuteerde in 2005 met zijn roman La théorie des nuages (De wolkenbibliotheek). Zijn lofzang op de zachtheid verscheen bij Folio in een serie lofzangen op diverse onderwerpen (Petit éloge des faits divers; Petit éloge de la bicyclette; Petit éloge du temps présent, et cetera). Het zijn boekjes van een paar euro; je zou willen dat er voor zo’n klein prijsje een Nederlandstalige essayserie was.

De lofzang heeft de vorm van een abecedarium, dat begint met het lemma ‘Âge des bonbons’ en eindigt met ‘Winnie l’Ourson’. De lemmata bestaan soms uit aforismen, soms uit essays van enkele pagina’s. Het voordeel van een abecedarium, schrijft Audeguy halverwege zijn boekje, is dat het een compleet willekeurig karakter heeft. Inderdaad vliegt Audeguy van de opkomst van de bonbonzaken, via hinderlijke rugtassen in de metro, Diderots Lettres à Sophie Vollard (Brieven aan Sophie), de bescheidenheid van de Japanse kunstenaar Hokusai, liefkozingen, zonsopkomsten, naar Diego Maradona.

Het boekje is geen ode aan softheid of zoetigheid (anders dan de speksnoepjes op de cover suggereren), maar een pleidooi voor subtiliteit. Als ‘zachtheid’ een vorm van zwakheid was, dan zou zachtheid al lang verdwenen zijn, schrijft Audeguy. Wat hij precies onder zachtheid verstaat, blijft in het midden. Hij geeft weliswaar een definitie (‘L’ensemble des puissances d’une existence libre’), maar die is zo breed dat het nauwelijks een definitie is.

Toch blijkt al snel wat hij wil verdedigen: het zachte van lezen, van aandacht, van poëzie. Lezen is volgens hem ‘la plus subtile, la plus tendre, la plus raffinée, la plus raffinante de toutes les activités’.

Dit type zachtheid staat in onze tijd onder druk, vindt Audeguy. Er zijn misschien wel meer boeken dan ooit te koop, maar ‘la misère peut parfaitement se organiser dans l’abondance’. Hij constateert dat de samenleving mensen voortbrengt die niet alleen niet kunnen lezen, maar er zelfs niet eens meer naar verlangen. Het zijn slaven die uit zichzelf lijken te verlangen naar slavernij.

Op vergelijkbare wijze trekt Audeguy van leer tegen democratisering en nivellering in de cultuur; tegen intellectuelen die de finale van een WK voetbal gelijkstellen aan een tragedie van Sofokles. Of tegen het commerciële Franse chanson: ‘une imposture industrielle’.

Zo wordt zijn pleidooi voor zachtheid soms een gevecht tegen lompheid. Onder het kopje ‘Bouche’ beschrijft hij de subtiliteiten in woordgebruik die wijnproevers tot hun beschikking hebben; woorden die geen loze woorden zijn maar corresponderen met verschillende sensaties. Mensen die dat vocabulaire menen te moeten bespotten – dat is angstwekkend.

‘La haine petit-bourgeoise à l’encontre des finesses vocabulaire, de sensations des amateurs de vin et, d’une façon plus générale, à l’égard de toute différence, est proprement terrifiante.’

Tegenover de wereld van het plompe stelt Audeguy de kracht van poëzie. Wie in zijn leven vijf minuten per dag besteedt aan het lezen, aan het ‘praktiseren’, van poëzie, stelt hij, zal diepgaand veranderen en bevrijd worden; en precies om die reden probeert onze samenleving ons daarvan af te leiden.

Het zijn dit soort prikkelende stukjes (die soms schreeuwen om tegenspraak) die van zijn lofzang meer maken dan een eclectisch boekje met essaydelicatessen.


Arjen van Veelen is classicus. Hij werkt als journalist bij nrc.next. Dit stuk verscheen oorspronkelijk als gastbijdrage op athenaeum.nl.

Stéphane Audeguy
Petit éloge de la douceur
Galimard, € 2,85