kunst

Lof van de hut

Rob Voerman

De constructies van Rob Voerman (1966) zijn hutten, en hutten zijn de meest elementaire vorm van beschutting. Dat verklaart de titel van de tentoonstelling, Human Comfort, al lijkt het mij dat ‘comfort’ hier meer in de zin van 'troost’ moet worden gezien, en bemoediging: Voermans hutten zijn bouwsels voor een onzekere toekomst. In het Cobra Museum in Amstelveen staan er een stuk of wat, grote hutten opgetrokken uit sloophout, kartonnen dozen, gaffertape, met kleine en grote ramen van gekleurd glas. Je kunt er in. Sommige zijn eenvoudige onderkomens, als voor een dakloze, andere hebben een functie, als bioscoop of kroeg, al lijkt dat in de kleine hokjes en kromme gangetjes niet zo voor de hand te liggen. Er staan ook modellen voor grotere constructies. Eén daarvan is een bizar en prachtig bouwwerk waarin een winkelgalerij, een bejaardentehuis, een varkensboerderij en een uitvaartcentrum worden gecombineerd. Een ander model, Host, demonstreert Voermans architectuur in één oogopslag: uit een ordentelijk stukje witte rechthoekige architectuur groeit een toevallig houten bouwwerk, een woekering als van de galwesp op zijn gastheer, met volumes die schijnbaar toevallig zijn ontstaan. Wie wel eens een hut bouwde weet dat ’t zo gaat: je vindt ’s wat, een pakketje planken, een oude deur, en dat timmer je ergens aan vast. Het is de architectuur van de vondst, van schaarste, improvisatie, armoede, van de favela. Het zijn natuurlijk ook jongensdromen, waarin homo faber samenwoont met homo ludens en Huckleberry Finn.
Dat is niet alles: Voerman laat zijn sculpturen vergezeld gaan van grote grafische voorstellingen, etsen en linoleumdrukken, waarop vergelijkbare gebouwen te zien zijn, maar dan op zeer grote schaal. Ze 'ontstaan’ in het hart van steden, als toevallige tumoren en explosies van timmerhout, en de sfeer van die voorstellingen is - in de woorden van de samenstellers - 'postapocalyptisch’. Dat kan: je kunt de hutten in de zaal zien als de onderkomens van mensen die de catastrofe hebben overleefd, de daklozen uit Cormac McCarthy’s The Road of George Millers Mad Max. Het is opmerkelijk dat die hutten raampjes hebben van gekleurd kerkglas, alsof de status van dakloze gelijkstaat aan die van pelgrim of kartuizer monnik, bevrijd van materiële lasten. In zulke hutten is Thoreau niet ver weg (’(…) be a Columbus to whole new continents and worlds within you, opening new channels, not of trade, but of thought’), net als die andere beroemde hutbewoner, Theodore Kaczynski, de UNA Bomber.
Voerman maakte zelf de vergelijking met Kaczynski (in vpro’s De Avonden) en het verontrustende, subversieve element dat hij daarmee aanstipt is wezenlijk. Voermans prenten van wolkenkrabbers met houten bekisting zijn pleidooien voor herkenbare, hanteerbare, natuurlijke structuren. De hutten zijn protesten, tegen verkalkte regelgeving, tegen op hol geslagen urbanisering, tegen de macht van de technologie én tegen burgerlijk-commerciële standaarden in architectuur, waarmee een essentieel element van het menselijke aanpassingsvermogen, creativiteit in tijden van tegenslag, wordt onderdrukt. Voorlopig zijn er gelukkig nog altijd jongens in de wereld die met hamer, zaag en spijkers tijdelijke koninkrijkjes willen timmeren. Homo faber leeft; Voermans discipelen zijn te vinden in dé thoreauviaanse hut van onze tijd: de zuipkeet.

Rob Voerman, Human Comfort. Cobra Museum, Amstelveen, t/m 30 mei; www.cobra-museum.nl. Boek: Rob Voerman, Aftermath: Installations, Sculptures, Works on Paper. Uitgeverij Valiz (www.valiz.nl)