Film

Lofzang op lelijkheid

Film: Domino van Tony Scott

In de bioscoop waar ik Domino zag, een dag nadat de film in première was gegaan, liepen de mensen halverwege weg. Ik denk dat ik weet waarom: het is bijna onmogelijk ernaar te kijken. Geen regisseur die thans in Hollywood werkt, heeft zo’n bevreemdende visuele stijl als Tony Scott, maker van het fantastische Man on Fire (2004), een thriller over wraak en verlossing met Denzel Washington. Zijn beelden hebben qua textuur een uit gewassen kwaliteit, met kleuren die fel en oververzadigd zijn. Scotts redigeerstijl is met niets te verge lijken, ook niet in het genre muziekvideo: de montage is razendsnel, frenetiek, avant-gardistisch.

De vorm van Domino past bij de inhoud: in een min of meer waar gebeurd verhaal verruilt de jonge, beeldschone Domino Harvey (Keira Knightley), dochter van de overleden Britse filmster Laurence Harvey en model Paulene Stone, haar rijkeluisleventje in Los Angeles voor een ruig bestaan als premiejager. Zij sluit zich aan bij het bedrijfje van Ed Mosbey (Mickey Rourke) en Choco (Edgar Ramirez), waarna ze betrokken raakt bij een complot waarin de spelers zijn: de maffia, pulp koning Jerry Springer, een on geneeslijk ziek kind en de cast van de iconi sche jaren-negentig televisieserie Be ver ly Hills 90210. Zo is de film een wirwar van stijlen en betekenissen.

De ontvangst van Domino was slecht. Op de Chicago Sun Times en The New York Times na was iedereen negatief. The Village Voice: «Domino is een domme film die de kijker mishandelt, zodat het werk bijna medelijden opwekt.» Stephanie Zacharek van Salon: «Een schaamteloze, gewelddadige, exploitatieve biofilm over een beeldschone premiejager.» Deze laatste opmerking is interessant. Is dat nu iets slechts: een «exploitatieve biofilm over een beeldschone premiejager»?

De term «exploitatiecinema» lijkt beperkt tot genres als horror of de zogenoemde blaxploitation. Zo bezien bevindt Domino zich in twijfelachtig gezelschap. Maar hiertegenover staat dat «exploitatie» een rode lijn vormt in het werk van beroemde regisseurs als Sergio Leone, Don Siegel, Clint East wood en Sam Peckinpah. Films van Peckinpah als Convoy (1978), Bring Me the Head of Alfredo Garcia (1974) en vooral Straw Dogs (1971) zijn bij uitstek exploitatief. De actrice Susan George heeft bij gelegenheid verteld dat Peckinpah zich zo raar gedroeg tijdens het draaien van één scène van Straw Dogs dat zij het idee kreeg dat de legendarische cineast alleen maar een stukje porno wilde maken. Maar dat is nu juist het punt. Zonder de hitsige Peckinpah, dronken en stoned, wás er geen Straw Dogs. En wellicht ook geen Alfredo Garcia.

Exploitatie kan dus wel degelijk een functie hebben in de cinematografie. In het geval van Domino uit exploitatie zich in de eerste plaats in de vulgaristische vorm geving. Daarnaast is uitbuiting inhoudelijk een hoofdthema: de media buiten de premiejagers uit, die op hun beurt de maffia onderuit willen halen, terwijl arme, zwarte mensen het slachtoffer zijn van een wereld waarin ge zond heidszorg slechts iets is voor de rijken.

Domino is een satire van hetzelfde hoge niveau als het werk van Spike Lee en Oliver Stone. De film drijft de spot met een maatschappij waarin media, seks, ge weld en celebrity hoogtij vieren. Macy Gray speelt de rol van een zwarte bijstandsmoeder; hiphop en r&b en zelfs Tom Waits dreunen in de bioscoop, 127 minuten lang. Macy zegt: «Ons soort mensen heeft alleen maar Jerry Springer bij wie we kunnen klagen.» Domino, wit, Engels en beeldschoon, wil horen bij deze mensen. Wanneer zij sexy bukt en de ruige mannen verlekkerd naar haar staren, dan is dat slechte smaak – en dat is precies het punt. Deze film is een lofzang op lelijkheid, een verheerlijking van het leven van de personages en de werkelijkheid waarin zij zich bevinden. Domino borrelt en bruist, het is een belangrijke film.

Domino is thans in de bioscopen