Logboek van verveling

Met recht kun je de oorlog die de Sovjetunie zo'n tien jaar lang in Afghanistan voerde, het Russische Vietnam noemen. Het was eenzelfde soort guerrillaoorlog zonder winnaar en zonder heldendom. Hun uitgebreide wapenarsenaal maakte van de Russen hoe dan ook bij voorbaat lafaards. De sovjetsoldaten konden hun mitrailleurs en kanonnen op de burgerbevolking richten; de Afghaanse rebellen hielden zich verborgen in onderaardse tunnels en in de uitgestrekte landerijen die een noodlottig doolhof zijn voor vreemdelingen.

Anders hielden ze zich wel schuil in de bergen, ‘voortreffelijke, door Allah opgerichte vestingen’, zoals Oleg Jermakov schrijft. 'Elke top is een toren, elke grot is een schuilplaats tegen regen, zon, kogels en bommen. En elke kloof is een slachtplaats voor vijanden.’
Net als in Amerika over Vietnam wordt in Rusland over de zinloze oorlog in Afghanistan het liefst gezwegen. De jonge Russische schrijver Oleg Jermakov (1961) doorbrak als eerste het zwijgen in de literatuur. Een jaar of vier geleden debuteerde hij met Afghaanse verhalen; in 1994 verscheen de zojuist in het Nederlands vertaalde roman Het teken van het beest. Hij bracht zelf drie lange jaren door in een sovjetgarnizoen in de onherbergzame Afghaanse steppe.
Net als uit zijn verhalen blijkt uit zijn roman dat de strijd in Afghanistan niet zozeer tegen de onzichtbare vijand werd gevoerd, maar tegen hitte, kou, ongedierte, epidemieën, vernederingen, heimwee en het meest van alles tegen verveling. Niet dat de soldaten het niet druk hebben, daar niet van. Of ze zich nu in trainingskamp of in een garnizoensstad bevinden, elke dag zijn er de vaste maaltijden en de vaste reiniging van de vette vaat. Elke dag wordt met chloor en lysol het gevecht aangebonden tegen ziektekiemen, met als gevolg dat alles - water, soep, brood en warm vruchtesap - weldadig naar chloor ruikt. Elke dag moeten de onderkragen worden gewassen in de hardnekkige strijd tegen luizen. Elke dag moet er op commando zo snel mogelijk in en uit bed worden gestapt en moet er worden gevochten tegen de slaap bij het wachtlopen. Of en wanneer er een 'operatie’ gaat plaatsvinden is altijd onzeker - wachten en het roken van goedkope sigaretten en hasj is het enige devies.
Een soldatenkamp is behalve een wachtkamer ook een gekkenhuis. Zelfmoord, desertie, onderlinge knokpartijen, plundering van winkels en verkrachting - het zijn incidenten die de alledaagse waanzin alleen maar bevestigen. Jermakov geeft bijvoorbeeld pijnlijke beschrijvingen van de strikte hiërarchie die in het leger heerst. Je hebt 'zeuntjes’, 'sijsjes’, 'fazanten’ en 'opa’s’, ofwel eersten, tweeden, derden en vierden. De zeuntjes zijn de nieuwkomers die door de fazanten en opa’s voortdurend worden gekleineerd en aan het werk gezet.
Jermakov kan prachtig schrijven, niet voor niets wordt hij de beste Russische schrijver van zijn generatie genoemd. Zijn beschrijvingen van de Afghaanse natuur en de dagdromen waardoor hoofdpersoon Schildpad aan de monotonie van het oorlogvoeren probeert te ontsnapen, doen aan de Russische meesters denken. Het is alleen jammer dat vorm en inhoud van Het teken van het beest te veel op elkaar aansluiten. De roman leest als een koel registrerend logboek van verveling in oorlogstijd en ontsnapt er helaas niet aan ook zelf verveling op te roepen.