Logeren bij Abe Lenstra

Finalepoule van het kampioenschap van Nederland tussen ADO Den Haag en Eindhoven, 17 mei 1942 © Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/T.A. Meijer

De revolutionaire Haagse bakkersknecht Wim Dolleman was verzetsman én fanatiek supporter van ado. In bakkerij Vreken, waar hij werkte, verbrandde hij belastende partijdocumenten in de broodoven, en op zondag bezocht hij met zijn zoon alle thuiswedstrijden van de toenmalige topclub, die 1942 en 1943 Nederlands kampioen werd. Bakkerszoon Gerrit Vreken speelde daarbij een belangrijke rol, want hij was de veel scorende spits van dit team. Daarnaast was hij ook lid van de nsb. Met het partijspeldje op zijn revers kwam hij naar de wedstrijden, waarmee hij zijn club voor tientallen jaren een ‘fout’ imago bezorgde.

In een zwart-witwereld, schrijft Jurryt van de Vooren in Door wilskracht zegevieren, was de verzetsman onmiddellijk aangegeven door de nsb’er Vreken. Maar dat is nooit gebeurd. ‘Die Dolleman is een hele aardige man’, verklaarde de spits na de oorlog.

Wel stonden de twee mannen op 13 april 1942 op de voorpagina van de Haagsche Courant, ontdekte de sporthistoricus. ‘Rechtsboven kopte het blad ‘A.D.O weer kampioen’ en linksonder ‘Doodstraf voor saboteurs’. In de nacht van 1 op 2 maart 1942 bestormden Duitse soldaten het huis van Dolleman. Zes weken later, op 13 april, stond hij samen met vijf makkers van het mll-front (Marx, Lenin, Luxemburg) voor het vuurpeloton. Een uur voor hun dood hadden ze uit volle borst ‘De Internationale’ gezongen, vertelde een medegevangene. Na de oorlog ontnam de ado-zuiveringscommissie Vreken voor één jaar het lidmaatschap.

Sportgeschiedenis is het ondergeschoven kindje in Nederlands geschiedschrijving

Sportgeschiedenis gaat over sporthelden en gewone mensen. Tijdens de oorlog over collaboratie en verzet, over dapperheid, zelfopoffering en opportunisme, en natuurlijk over zo lang mogelijk doen alsof er niets aan de hand is. Want dat deden de meesten toen op 15 september 1941 de bezetter verordonneerde dat joden niet meer mochten sporten. In Amsterdam betekende dit bijvoorbeeld dat 29 voornamelijk joodse teams zich per direct uit de competitie moesten terugtrekken. Er moest wat geschoven worden met indelingen, maar de rest van de teams speelden door alsof er niets aan de hand was. Zonder protest. Er werd alleen geklaagd dat het moeilijk was om de zeventig joodse scheidsrechters te vervangen.

De nazi’s waren sportgek en ze wisten de Nederlandse bevolking daarin mee te krijgen, blijkt uit onderzoek van Van de Vooren. In 1942 waren er 558.000 sporters bij erkende organisaties aangesloten, in 1945 was dit gegroeid tot ruim 730.000. Vooral biljarten, handbal, kaatsen, korfbal, roeien, voetbal en zwemmen groeiden explosief.

Sportgeschiedenis is het ondergeschoven kindje in de Nederlandse geschiedschrijving, Van de Vooren noemt het zelfs ‘stiekeme geschiedenis’. ‘Onze samenleving kijkt naar sport zonder het te zien.’ Biografieën over Wim Kieft en René van der Gijp zijn weliswaar bestsellers en het tv-programma Andere Tijden Sport is goed bekeken, maar dit soort uitingen blijven vaak steken in anekdotiek: de mistwedstrijd van Ajax, de verslaving van de spits, de vier olympische medailles voor Fanny Blankers-Koen in 1948. Serieus historisch onderzoek, waarin ook het maatschappelijk belang en de context aan de orde komt, vindt nauwelijks plaats.

Van de Vooren is hierop de grote uitzondering. Hij treedt in de voetsporen van André Swijtink die in 1992 al promoveerde op sport in de oorlog met de veelzeggende titel ‘In de pas’. Door zijn specialisatie heeft Van de Vooren nieuwe, vaak persoonlijke archieven ontdekt en hij heeft de beschikking over gedigitaliseerde databestanden. Het levert een boek op met veel fascinerende verhalen. Over Amsterdamse voetballertjes bijvoorbeeld die tijdens de Hongerwinter bij Abe Lenstra in Heerenveen logeerden en regelmatig een balletje met hem trapten. Over Wiesje Wolzak, Nederlands beste turnster, die in 1936 niet naar de Olympische Spelen in Berlijn afreisde maar naar de Volks-Olympiade in Barcelona, en vervolgens een jaar geschorst werd. En over honderden onderduikers die hun leven waagden om in 1944 bij de kampioenswedstrijd van De Volewijckers in het Olympisch Stadion te kunnen zijn.

Tegelijkertijd blijft in het boek ook een aantal, vaak pijnlijke vragen onbeantwoord. Waarom gold bijvoorbeeld de geroemde sportkameraadschap en solidariteit niet voor de joodse sporters? Wat was het geheim van het succesvolle nazistische sportbeleid? En speelt bij de vier gouden medailles van de ‘Vliegende Hollander’ op de Olympische Spelen in Londen misschien ook een rol dat ze tot diep in 1944 kon trainen en wedstrijden lopen, regelmatig onder goedkeurend oog van hooggeplaatste nazi’s? Er is nog genoeg voor verder onderzoek.