Lokjes

Wanneer het elegant zitten niet meer zo lukt en gaan staan het er ook bij laat zitten. Hoewel dat bijverschijnselen zijn. De rest is griep. Overdag gaat het nog. Zacht zagende pijn in hoofdhuid en kaken. De voeten geplaveid met nonchalant doormidden gesneden kadetjes. Neus vol mensensap dat langzaam overgaat in revolutionair beton. Keel dunnetjes besmeerd met buskruit.

’s Nachts in halfslaap gruwt de wind die zegt een stem te zijn, dat er aan alles een definitief eind zal komen wanneer ik eerst maar zo vriendelijk ben een belangrijk probleem op te lossen. Wat bestaat uit het in de juiste volgorde opstapelen van kleine haarlokjes. Maar wel naar vorm, het langste lokje onder. Vervelend is alleen dat ze zodanig zijn vermengd dat ze als kleine zachte, ongrijpbare krulletjes door en langs elkaar heen zweven. Het zorgvuldig bekijken van de luttele toefjes haar doet vergeten of er nu twee- of driedimensionaal gedacht moet worden. Is onder gewoon onder of boven echt boven? Daarvan raken de lokjes helemaal in de war. Allergrootste moeilijkheid is ook nog dat het geen echte haarlokjes zijn maar alleen de gedachte daaraan. Blind stapelen. Het in gedachten uit elkaar houden van tientallen haarlokjes. Welk lokje is mijn nachtelijke revue al wel of niet gepasseerd?
Er is niet aan de vasthoudendheid van het vraagstuk te ontsnappen. Onafgebroken concentratie op de mysterieuze verhoudingen binnen het recept voor zanddeeg (voor de preitaart die wij allen van plan zijn nog eens te maken) lopen al snel stuk, manifeste herinnering aan het voormalig gemeentegironummer (M 6991) met alle lollige associaties daaraan verbonden houdt ook geen stand.
Dan steekt de dag op. Maar ochtendlijke zin in natuurhistorische rodekoolstamppot blijft wel erg beneden peil. Waarom de volgende uren niet intensief koortswerend kauwend op olijfbomenbast doorgebracht?