Lolita in Mississippi

WILLIAM FAULKNER
TOEVLUCHT
Vertaald door Peter Bergsma, Atlas, 269 blz., € 22,50

TERWIJL IK AL HEENGING
Vertaald door Rien Verhoef, nawoord Maarten ’t Hart, Atlas-Eldorado (herdruk), 246 blz., € 12,50

In januari 1929, toen hij begon te schrijven aan de eerste versie van zijn beroemd en berucht geworden roman Sanctuary, stond William Faulkner op een onoverzichtelijk kruispunt in zijn bestaan. Hij stond op het punt te trouwen met zijn jeugdliefde Estelle Oldham, die bezig was te scheiden van haar eerste man. The Sound and the Fury, nu een monument van Amerikaans modernisme, was net geweigerd door Harcourt omdat die roman onverkoopbaar en onbegrijpelijk zou zijn. Welke kant moest hij op in leven en letteren?
Eind mei 1929 werd de oerversie van Sanctuary afgewezen door Cape and Smith, de uitgever die vlak daarvoor wel een grondig herschreven The Sound and the Fury had geaccepteerd. Daar kwam nog bij dat Estelle tijdens hun wittebroodsweken aan de Golf van Mexico – toen Faulkner zijn ideeën voor weer een andere roman, As I Lay Dying, uitwerkte – een poging tot zelfmoord ondernam door het water in te lopen. Was er nog wel een uitweg in de literatuur voor hem? Ja, bluf.

Toen de tweede versie van Sanctuary, eind 1930 voltooid, in 1931 op de markt kwam, schreef Faulkner een introductie. Daarin beweerde hij dat hij deze ‘sensationele’ roman (zeventienjarige studente Temple Drake wordt verkracht met maïskolf en daarna opgesloten in een hoerenkast in Memphis) had geschreven als broodschrijverij. Sanctuary zou een potboiler zijn, een niemendalletje zogenaamd in elkaar geflanst voor stapels honderddollarbiljetten.

Wie Sanctuary – als Toevlucht in een zoveelste Nederlandse vertaling uitgekomen – zorgvuldig leest, gelooft niets van Faulkners bewering dat hij dit boek louter om het geld schreef. Een sensationeel krantenbericht heeft hij literair subtiel uitgewerkt. De doorsnee consument wil een boek dat ‘lekker wegleest’. Die heeft een hekel aan lang uitgestelde informatie, die smult van spanning en sensatie, van seks, drank, drugs en ranzigheid. De vorm kan hem gestolen worden. Maar Faulkner slaat juist de ‘hoogtepunten’ over waarnaar de lekkere lezer snakt: een uitgebreide beschrijving van de verkrachtingsscène; de moord op getuige Tommy (het duurt vele hoofdstukken voordat de lezer weet wie er vermoord is); de taferelen in de hoerenkast waarin de verkrachter (de impotente duivel in het krappe zwarte pak Popeye, van wie we pas in het slothoofdstuk de noodlottige levensloop lezen) als een volleerde voyeur toekijkt hoe een andere man (Red) bezit neemt van Temple’s sanctuarium, haar heilige tempel die het brandpunt wordt van haar adolescente wellust.

Lolita in Mississippi, jazeker, en dat ver vóór Nabokov. Maar de spanning die het beloeren van de nimfijn oplevert, het bedreigen en het seksueel belagen roepen veel meer broeierige spanning op dan de seksueel moorddadige acties zelf. Voyeurisme is het hoofdthema. Tot zijn schrik bemerkt de lezer dat hij sluipenderwijs medeplichtig wordt als voyeur: hij komt meer te weten dan wie ook in de heerlijk doortrapte Faulkner-vertelling. Bovendien is Sanctuary een roman waarin Faulkner op onverhoedse wijze telkens weer van vertelperspectief verandert. Zo schept hij een vernuftig netwerk van voyeuristische waarnemingen. Niet alleen ontwikkelt het verhaal zich vanuit minstens acht perspectieven – waardoor er geen echte hoofdpersoon opstaat –, ook is er een alwetende, niet-moralistische verteller (zie bijvoorbeeld het begin van hoofdstuk vier, waarin Temple wordt geïntroduceerd). In commerciële werkjes gooit de verteller het vaak op een moreel verantwoord akkoordje met de lezer zodat er een eenduidig verhaal ontstaat waarin goed scherp gescheiden blijft van kwaad en het burgermansfatsoen de leidraad is. De lezer hobbelt dan braaf mee en hoeft zelf geen enkele vraag te stellen. Maar Sanctuary is een roman van het grenzeloos tierende kwaad dat tot moordende wellust uitgroeit en waartoe velen, tot en met rechtsdienaren, hun toevlucht nemen. Die grenzeloosheid wordt nog aangescherpt door het verslavende voyeurisme. Maar wat zien en horen de voyeurs? Lang niet alles. Faulkner verzwijgt wat velen nog een keer willen horen en snijdt aan – niet als commentator – wat te veel lezers niet onder ogen willen zien: de grenzeloosheid van seksuele oerdriften; de verloedering van de rechtsorde van het Diepe Zuiden; de lynchmentaliteit van de half geïnformeerde blanke burger in het faulkneriaanse Yoknapatawpha-district. Dankzij een bewust afstandelijke vertelwijze creëert Faulkner groot onbehagen bij de lezer.

Sanctuary speelt zich af in de droogleggingsperiode in de jaren twintig. Het verbod op sterke drank stimuleert de illegale drankstokerijen, onder meer in het landelijke Huis van de Oude Fransman, een historisch monument van vóór de Burgeroorlog. Op de afgelegen plek spoelen als het ware twee mannen aan, de eerste doelloos lopend, de andere dronken in een lage sportauto die tegen een gevelde boom botst. Het zijn de advocaat Horace Benbow (in de eerste versie de hoofdfiguur), weggelopen uit een huwelijk, en de alcoholische student/rijkeluiszoon Gowan Stevens, in gezelschap van rechtersdochter Temple Drake. De openingszin introduceert het voyeurisme: ‘Vanachter het scherm van struiken dat de bron omringde, keek Popeye hoe de man dronk.’ Meteen is er de dreiging van (seksueel) geweld. De alwetende verteller omschrijft Temple als ‘koel, roofzuchtig, discreet’. Zij is een mager meisje gekleed in ‘haar blote jurkje’ waarin de fatale vrouw zich al aankondigt. Ruth, een ex-hoer met levenservaring, ziet al snel hoe laat het is: ‘Je knijpt er ’s avonds tussenuit met de jongens, maar o wee als er een man aan komt waaien.’ Zij probeert Temple te beschermen tegen het onweerstaanbare geweld, zoals ze ook haar baby en haar man Lee Goodwin wil behoeden voor dreiging en valsheid. Tevergeefs. Er gaat iets met Temple gebeuren, en zij groeit uit tot een fascinerende en verwarrende combinatie van angst en verlangen. ‘Lee zegt dat ’t niks geen zeer doet. Je hoeft alleen maar te gaan leggen.’ Hoewel ze de gelegenheid krijgt te vluchten, doet Temple dat niet. Gowan gaat er wel als een dronken haas vandoor. Popeye is een ‘zwarte en naamloze dreiging’ die de tempel van Temple onteert met een maïskolf, waarna zij, bloedend, met hem meegaat naar een bordeel in Memphis. Daar wordt haar tempel het allerheiligste gebied, een streek die haar domineert. Ze leert de lust kennen in de persoon van Red en wil dat haar heiligdom, haar vrouwelijkheid die boven elke wet staat, door hem keer op keer bezocht wordt. Maar ook hij moet het afleggen tegen Popeye’s moordzucht, die samenvalt met zijn onmachtige seksualiteit.

Eerdere vertalingen van Sanctuary hadden eufemistisch-sentimentele titels als Het meisje Temple Drake, Het gangstermeisje en Grijze zomer. De laatste titel verwijst naar het slot van de roman wanneer Temple weg is uit haar kamer in het bordeel en zij, verwend en verveeld, op een grijze zomerdag met haar vader de rechter door het Parijse Jardin du Luxembourg loopt. Maar ook Toevlucht raakt de kern van de roman niet echt. Beter was de titel Het allerheiligste geweest. Zeker, alle personages zoeken hun toevlucht tot een moorddadige activiteit, tot een persoon of tot een plek, zodat ze zich niet meer opgesloten wanen: Popeye kan alleen bevredigd worden door geweld en moord; voor de drankzuchtige Gowan is het Huis van de Oude Fransman een tijdelijk toevluchtsoord; voor de zich opofferende Ruth Goodwin blijft elke plek (huis, cel, hotel) een gevangenis; Temple zoekt tevergeefs haar toevlucht tot een maïshok inclusief rat, of tot een peeskamer. Niemand vindt echter permanent asiel. Temple’s intiemste oord, haar allerheiligste plekje, domineert haar en het hele boek. Dat oord loopt uit op moord, en dat blijft zo.

Wie het vervolg op Sanctuary leest, de toneelachtige biechtroman Requiem for a Nun (1951), merkt dat Temple Drake, zes jaar ouder en zich krampachtig Mrs. Gowan Stevens noemend, nog steeds beheerst wordt door haar maand in Memphis. Faulkner speelt met de metafoor van hoer en heilige. Stiekem probeert Temple, inmiddels moeder van twee kinderen (het eerste van Red) het voyeuristisch-erotische spel met Red over te spelen met de jongere broer van Red, met wie ze ervandoor wil. Dat verlangen staat aan de wieg van weer een moord, op haar jongste kind. Het springlevende verleden is een doem, haar sanctuarium blijft boven alle wetten zweven. Advocaat en familielid Gavin Stevens spreekt uit wat Temple bezielt. En zij moet opdraaien voor wat ze vroeger in Memphis heeft aangericht: ‘Dat verleden is iets als een notitie met toezeggingen met daarin een verraderlijke clausule die, zolang er niks mis gaat, keurig kan worden losgelaten, maar het lot of het toeval of het risico daarvan kan je plotseling dwarsbomen.’

Met Sanctuary schreef William Faulkner een roman waarin het Diepe Zuiden met zijn slavenverleden en racisme als een verpest paradijs of Hof van Eden te voorschijn komt. In het kwaad zit een logisch patroon verborgen. Is het de schuld van de slang? Het erotische koppel Temple en Red wordt niet toevallig voorgesteld als twee naakte slangen. Tegenover haar balvriendinnetjes uitte Temple al haar eigen, freudiaans getinte, idee over Eva, Adam en de voyeuristische slang. ‘Ze zei dat de slang Eva al dagenlang had gezien zonder haar op te merken, totdat Adam haar een vijgenblad liet dragen. Hoe weet je dat? zeiden ze, en ze zei dat het kwam omdat de slang er al vóór Adam was, omdat hij als eerste de hemel uit was gegooid: hij was er de hele tijd al.’ Waarna deze doortrapte Lolita uit Mississippi – die later aan advocaat Horace Benbow het maïskolfverhaal vertelt ‘met feitelijke trots (…), met een soort naïeve en onpersoonlijke ijdelheid’ – verklapte waarom ze dat allemaal wist ‘en haar hand opstak en zwoer dat ze het had gedaan’. Het is een meisjesgeheim rond de slang en het allerheiligste.

Het is de reptielse geest die Sanctuary overheerst, de roman die Faulkner inderdaad een paar grijpstuivers, én een naam als perverse schrijver opleverde.