Lollepotterij `hout op hout, dat zaagt niet’

Judith Schuyf, Een stilzwijgende samenzwering: Lesbische vrouwen in Nederland, 1920-1970. Stichting Beheer IISG, 457 blz., f59,
Marie de Boer, de bedrijfsverpleegster uit Helmond die in 1911 een petitie ondertekende tegen de invoering van het ingrijpende wetsartikel 248 bis, is een van de eerste Nederlandse lesbische vrouwen die met naam en toenaam bekend is. In het provinciale Helmond was zij een opvallende verschijning met haar korte haar, forse bouw en doortastende mannelijke manieren. Ze rookte sigaren, wat als heel onvrouwelijk en seksueel uitdagend gold, en ze onderhield een innige vriendschap met een vrouw die net als zij op de textielfabriek werkte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er volop werd gezinspeeld op haar tegennatuurlijke neigingen. Als Marie de Boer door de stad fietste, lispelde de goegemeente: ‘Daar gaat hij!’

Mannelijkheid bij vrouwen en vrouwelijke homoseksualiteit, de begrippen zijn een eeneiige tweeling: gebruik je het ene dan volgt vanzelfsprekend het andere. Vanaf het eind van de negentiende eeuw tot dik in de onze is de echte lesbienne in de eerste plaats een manwijf, een vrouw die met een nogal mannelijk uiterlijk en karakter is gezegend. Die vermeende mannelijkheid is niet alleen een makkelijk vooroordeel, zo blijkt uit de getuigenissen van oudere lesbiennes die Judith Schuyf optekende in haar proefschrift Een stilzwijgende samenzwering. Toen Door begin jaren zestig in Amsterdam ging studeren, toog ze razendsnel naar de kleermaker voor een ‘schuilgarderobe’: een heuse mannenbroek met gulp en masculien gesneden overhemden. Als ze in het weekend haar moeder opzocht, viel ze terug op haar damesachtiger kostuumpjes. Golde voelde zich in de scene eind jaren zestig in haar jurk een vreemde eend in de lesbische bijt: 'Het was allemaal lange broeken, en oude potten die hun borsten weggebonden hadden.’
In haar proefschrift poogt Judith Schuyf licht te werpen op de ontwikkeling van leefwereld en zelfbeeld van lesbische vrouwen in Nederland van 1920 tot 1970. Geduldig ontwart ze de strengen die samen het kluwen van de lesbische geschiedenis vormen. Want die geschiedenis wordt gevormd door een complexe wisselwerking tussen tekst en geleefde werkelijkheid, tussen publieke opinie en subculturele groepsvorming, tussen populaire beelden en het ontwikkelen van een eigen identiteit. In verschillende hoofdstukken behandelt Schuyf zo de discussie over homoseksualiteit, de zedelijkheidswetgeving en vervolging van lesbiennes, het beeld van het lesbische in de literatuur, de potteuze subcultuur en leefstijl, en de individuele betekenisgeving van het lesbische.
De robuuste mannelijke contouren van de lesbische identiteit hebben hun wortels in het wetenschappelijke debat dat zich rond de eeuwwisseling ontspon. Of het nu gaat om de bioloog Ulrich en zijn idee van de mannelijke ziel in een vrouwelijk lichaam, de seksuoloog Magnus Hirschfeld en zijn theorie van sexuelle Zwischenstufen, of de seksuoloog Havelock Ellis en zijn denkbeelden over seksuele inversie: homoseksualiteit was in hun ogen aangeboren. De homoseksueel vormde een biologische variant tussen man en vrouw, en daarom was de lesbienne van nature behept met in het oog springende mannelijke trekken. Zoals: een mannelijke vorm van het strottehoofd, een voorliefde voor mannelijke liefhebberijen als turnen en paardrijden, een voorkeur voor het lezen van serieuze lectuur en het dragen van mannelijke kleding, de keuze voor goede scholing, en de onvrouwelijke neiging tot roken en drinken. Hirschfeld zag het bij zich dragen van een kurketrekker als een onmiskenbaar signaal van lesbianisme.
Het is opmerkelijk dat de oude seksuologen in hun concept van homoseksualiteit de kern van heteroseksualiteit bewaarden: ook de lesbische relatie was in hun ogen onvermijdelijk complementair. De 'echte’ homoseksuele vrouw voelde zich man en werd 'natuurlijk’ aangetrokken door de 'normale’ vrouwelijke vrouw. De 'vrouwelijke’ lesbische vrouw had geen mannelijke inborst, nee, zij werdt homoseksueel door verleiding. Aldus ontstond een curieus onderscheid tussen aangeboren en 'verworven’ homoseksualiteit, tussen de 'ware’ en de 'valse’, de 'pseudo’-lesbienne. De 'echte’ lesbienne kreeg een moreel benefit of the doubt, zij kon er niets aan doen, zij was nu eenmaal zo; haar 'verleide’ vrouwelijke partner was de perverse van de twee: zij had immers de keuze.
De wetenschappers waren de eersten die uitgebreid betekenis gaven aan homoseksualiteit. Hun overpeinzingen, die allicht voor een deel op de toenmalige werkelijkheid waren gestoeld, vonden al snel een weg naar een groot publiek. Hoewel de bevindingen over lesbiennes in het algemeen niet meer dan een voetnoot vormden in de wetenschappelijke betogen, speelden ze een niet te onderschatten rol bij de constructie van het lesbische zelfbeeld. De romans met een gelijkgeslachtelijk thema rijmden op de wetenschappelijke inzichten, denk maar aan de nauwelijks geheupte edelknapen bij Anna Blaman en aan Stephen Gordon, de heldin van The Well of Loneliness, die bij haar geboorte reeds duidelijk was geinverteerd met haar brede schouders en smalle heupen. Omdat homoseksualiteit in het leven veelal onzichtbaar was, modelleerden veel lesbische vrouwen hun identiteit naar de tekstuele voorbeelden.
De mythe van de mannelijke lesbienne werd in subculturele kringen realiteit. Tot in de jaren zestig werd Hirschfelds theorie van het 'derde geslacht’, het geslacht tussen man en vrouw in, in praktijk gebracht. Vooral voor de Tweede Wereldoorlog was, zoals in het geval van verpleegster Marie de Boer, het mannelijke imago van de lesbienne dominant. Al in de jaren dertig was het tailor-made mantelpak met mannelijk snit - schoudervullingen, brede revers, de manchetten uit de mouwen - en daaronder weer stevige stappers de lesbische dracht. Uit de autobiografieen die Stokvis in zijn beroemde boek De homo-sexueelen verzamelde, blijkt hoezeer lesbische vrouwen zich ook zelf mannelijke eigenschappen toedichtten. Een vrouw beschreef hoe ze zich in een jurk 'een stumper’ voelde; in overhemd en sportief mantelpak nam haar zelfbewustzijn toe. Ze kon dan achteloos haar schouders ophalen als ze met 'meneer’ werd aangesproken.
Vooral in het rollenspel van butch en femme trad het masculiene type op de voorgrond. De butch droeg masculien gesneden kleding en had zich als de heer te gedragen: zij bood de drankjes aan, betaalde, hield de deur open en hielp de dame hoffelijk haar jas uit. In de Verenigde Staten werd de butch zelfs geacht in bed het initiatief te nemen. Deed ze dat niet, dan was ze 'butch on the streets, femme between the sheets’ - dan wankelde haar reputatie. Dat de butch viel op echte vrouwen, vrouwen in bloemetjesblousjes en damesrokjes, was onvermijdeljk, want zoals de uitdrukking voor ingewijden reeds luidde: 'Hout op hout, dat zaagt niet.’
Het heeft natuurlijk wat armoedigs dat het beeld van de lollepot tot 1970 bovenal samenvalt met dat van het onelegante mannelijke tussenwezen. Judith Schuyf legt in haar studie weliswaar ook andere leefstijlen bloot - die van de vrouwenvriendschap, de periodieke lesbische relaties die vaak in de prostitutiesfeer plaatsvonden, het bar-dancingtype, en de 'gewoon hetzelfde’-ideologie van het COC - maar dat doet aan de beperktheid van het beeld niets af. Die beperktheid heeft echter alles te maken met de onzichtbaarheid van vrouwelijke homoseksualiteit. Door de invoering van het wetsartikel 248 bis, waarin ontucht tussen meerderjarigen en minderjarigen van hetzelfde geslacht strafbaar werd gesteld, kwam homoseksualiteit in de criminele sfeer terecht. Want let wel: minderjarig was men tot eenentwintig jaar. De juridische en vaker nog maatschappelijke sancties die op openbaar lesbianisme stonden, veroorzaakten voornamelijk een groot zwijgen rond lesbianisme. De geisoleerde maatschappelijke positie van homoseksualiteit maakte weer dat het lesbische verlangen in stilte werd beleefd. Er was, zoals Schuyf in de titel van haar boek uitdrukt, tot 1970 sprake van een stilzwijgend verbond tussen de maatschappij en de lesbische vrouwen zelf.
Het omvangrijke boek van Schuyf bevat buitengewoon veel materiaal, veel meer dan hier recht kan worden gedaan. De grootste kracht van haar onderzoek lijkt me de veelomvattendheid en volledigheid ervan. Die zijn echter meteen ook het euvel, want veel van wat zij ten tonele voert, is al in deelstudies als Verkeerde vriendschap, Cultuur en ontspanning: Het COC 1946-1966 en Van brede schouders tot hoge hakken beschreven. Daarbij is het jammer dat de verschillende strengen van het kluwen minutieus in aparte hoofdstukken worden behandeld en ze niet voor een spannender, meer geintegreerde aanpak heeft gekozen. Wetenschappelijk vertoog, literatuur en leefstijl blijven daardoor naast elkaar staan, de wederzijdse beinvloeding komt minder uit de verf. Enfin, het voornaamste is toch dat het stilzwijgen over een halve eeuw lollepotterij voorgoed is doorbroken.