Hoofdcommentaar

LONDEN: Moslimterrorisme en wereldpolitiek

Mohammed B. wenst zich niet te verantwoorden voor een ondermaanse rechtbank in Amsterdam-Osdorp. Veeleer ziet de moordenaar van Theo van Gogh reikhalzend uit naar een ontmoeting met de allerhoogste. In afwachting van zijn strafzaak heeft hij tegen een vriend gezegd dat hij de doodstraf zou prefereren boven levenslange gevangenisstraf.

Of hij het meent zullen we nooit weten. De doodstraf kent Nederland goddank niet. En B. kan niet meer op zijn schreden terugkeren nu hij heeft bekend en zijn hele leven in het teken van die ene daad heeft gesteld. Zijn opstelling doet denken aan die van een gewezen «stadsguerrilla» van de Rode Brigades, geciteerd in het recente boek NV Terreur van Loretta Napoleoni, die zelfs na twintig jaar onvrijwillige contemplatie in een Italiaanse cel nog niet kon verklaren hoe het met hem zo ver kon komen: «Ik neem aan dat mijn bereidheid te sterven voortkwam uit het verlies van een reden om te leven.»

Voorzover de moord en diverse brieven van zijn hand dat nog niet hebben bewezen, maakt Mohammed B. ook in de rechtszaal duidelijk dat hij, een geboortige Nederlander, de maatschappelijke rechtsorde van dit land niet meer erkent. Het «ongelovige volk van Nederland» moet worden bestraft omdat het «in de strijd tussen wereldheerschappij van geloof en ongeloof» de kant heeft gekozen van de Verenigde Staten die «onze broeders en zusters verkracht en vermoordt», aldus B. in één van zijn schrifturen.

Voor de rechtbank zwijgt hij over zijn motieven. Eén ding weten we sinds vier jaar wel. Islamistische terroristen als B. zijn geen «geitenneukers» maar redelijk opgeleide jongeren. Bin Laden heeft in Beiroet gestudeerd. Zijn Tsjetsjeense evenknie Basajev is begonnen als computerfreak. De vliegtuigkapers van 9/11 waren evenmin analfabeet. De daders van de aanslagen in Londen zijn daarop vermoedelijk geen uitzondering. Hun terreur heeft mede daarom middeleeuwse, moderne én nog ongekende kenmerken.

We moeten aanvaarden dat B. en zijn geestverwanten voor ons onbereikbaar zijn geworden. Maar dat betekent niet dat we compleet in het duister tasten. Door hun hermetische overtuiging doen deze merendeels jonge mensen denken aan de Rote Armee Fraktion (raf) en aanverwante marxistisch-leninistische terreurgroepen. De kopstukken van die per slot van rekening minuscule beweging waren indertijd eveneens politiek onbereikbaar geworden. Maar het bleek wel mogelijk hen los te weken van hun politieke en sociale omgeving – het Umfeld van sympathisanten – met als resultaat dat de raf doodbloedde en na de val van de Muur ook geen buitenlandse steun meer had.

Van die episode kunnen we zowel leren hoe het niét moet als hoe het wél moet. Van de zijde van de Duitse overheid ging dat losweken gepaard met geweld, uiteenlopend van beroepsverboden tot politie-invallen waarbij soms ook onschuldigen het leven lieten. Dit alles werd aangestuurd door de supercomputer van het Bundeskriminalamt dat naar verluidt het «Umfeld» letterlijk in kaart had gebracht. De radicale Duitse linkerzijde, die in die jaren zeventig verdacht was, droeg op een andere manier bij aan het droogleggen van het moeras en wel dankzij een groot ideologisch absorptievermogen waardoor vooral de Grünen zich indertijd onderscheidden. Het wordt Joschka Fischer nog wel eens nagedragen dat hij als student met de politie vocht, maar het was zijn kracht dat hij zich vanuit een vergelijkbare motivatie als de terroristen bekommerde om dezelfde thema’s (Vietnam, Sjah van Perzië, Chili) die hen bezighielden, maar dan op legitieme en parlementaire wijze.

Nu door de Londense aanslagen de dreiging van grootscheepse terreur ook in Nederland dichtbij is gekomen, staat buiten kijf dat alle geestverwanten van Mohammed B., onbereikbaar als ze zijn voor elke redelijke benadering, moeten worden voorzien van wat in politietermen een «staart» heet. Want op dit moment wijst alles erop dat islamistische terreur elke bereidheid tot gesprek opvat als zwaktebod dat juist uitnodigt om nog verder te gaan.

Desondanks staat er meer op het spel dan alleen scherpere opsporing en vervolging: namelijk de toekomst van onze democratie. Net als nu werd in de jaren zeventig vaak ontkend dat er een relatie was tussen het terrorisme van de raf en de politieke verhoudingen in de rest van de wereld. Na de aanslagen in Londen was het – wat psychologisch begrijpelijk is omdat er op zulke crisismomenten geen behoefte is aan defaitisme – niet gepast de metroterreur te analyseren als contra-indicatie van het grote democratiseringsproject in het Midden-Oosten en Azië.

Maar op de keper beschouwd is die terughoudendheid onverstandig. Ze verblindt eerder ons dan hen. De vraag is dan ook, louter ter wille van onze eigen democratie: volgen we het voorbeeld van de politiële Kulturkampf in de jaren zeventig en ontketenen we een militaire Verlichtingsjihad waarbij we alle moslims de maat nemen terwijl verzoeners als burgemeester Cohen van Amsterdam voor «verraders» worden uitgemaakt? Of aanvaarden we het bestaan van legitieme, parlementaire uitingen van fundamentalistische moslims en Arabieren?

Als er al een aanwijsbare voedingsbodem voor terrorisme in Nederland bestaat, dan is die óók gelegen in het feit dat wij deelnemen aan een «oorlog tegen terrorisme» die zelfs volgens het hoogste adviesorgaan van het Amerikaanse ministerie van Defensie, de Defense Policy Board, het terrorisme eerder aanwakkert dan bestrijdt. Alle onafhankelijke deskundigen op dit gebied bezweren dat het islamistische terrorisme een «vlucht naar voren» is van een beweging die op Arabische bodem steeds minder aanhang heeft. De huidige militaire aanpak ervan geeft alleen maar voeding aan dat achterhoedegevecht.

In plaats daarvan moeten we ernst maken met een andere Midden-Oostenpolitiek en een daadwerkelijke handreiking aan democratische krachten van eigen bodem in de Arabische wereld. Daartoe behoren ook bewegingen als de Egyptische Islamitische Broederschap, die bezig zijn hun gewelddadige verleden af te zweren maar wel een einde willen maken aan het regime van Mubarak.

De veelgehoorde waarschuwing dat we daarmee een handjevol terroristen in de kaart spelen, is contraproductief en belast uiteindelijk zowel onze democratie hier als hun democratisering daar. Garanties op een goede afloop zijn er niet. Maar dat handjevol terroristen wil op voorhand niets liever dan dat wij ons vastbijten in een prestigestrijd waardoor we hen tot in lengte van dagen een reden van bestaan bieden.