Loodzwaar

‘Wat? Heb jij niet eens een creditcard?’ Geschokt kijkt schrijver A naar schrijver B.
‘Nooit gehad ook’, antwoordt B.
‘En hoe doe jíj dat dan, als je een vrouw ontmoet met wie je diezelfde nacht nog naar Londen moet vliegen?’
‘Daarvoor heb ik natuurlijk altijd zevenduizend gulden contant thuis liggen’, bluft B.
Dit dialoogje voerde een vriend van mij lang geleden (kennelijk nog vóór de pinautomaat) met Harry Mulisch (A of B, kiest u zelf maar).
Dit type praktische schrijversperikelen verwachtte ik te gaan bespreken op een conferentie van Winternachten, waarvoor negen schrijvers uit alle windstreken in een pronkzaal van de Haagse Schouwburg twee dagen lang achter gesloten deuren vergaderden over het thema temptations. Wat zijn de verleidingen van het moderne schrijverschap?
De eerlijkste antwoorden krijg je altijd buiten het officiële programma om, bij de borrel of het tussendoor gerookte sigaretje buiten.
‘Ik denk erover om iemand in te huren om mijn correspondentie te doen’, zei mijn rookgenoot. ‘Interviewverzoeken, vertalers. Zojuist kreeg ik het verzoek om naar Brazilië te gaan, waar een vertaling gaat komen. Dat is ook een van mijn verleidingen: dat ik daar dan toch naartoe reis, omdat ze zo aardig zijn, die mensen van mijn Braziliaanse uitgeverij. En daarna kan ik weer een week niet werken, na al die feestjes.’
De doem van het moderne schrijverschap; ’t is bijna ondraaglijk. En dan moet je ook nog twee dagen dineren, lunchen en borrelen onder de kroonluchters van dit paleis aan het Voorhout.
Zelf noemde ik het internet als grootste afleidingsbron. Vanuit de nieuwste versie van MS Word kun je rechtstreeks online iets opzoeken. Een jaartal, de spelling van een naam. Je schrijft iets over de Sabbijnse Maagdenroof, klikt door naar Wikipedia die de spelling corrigeert in Sabijnse, besluit de Engelse vertaling nog even door Google te gooien en voor je het weet vind je allerlei andere behartenswaardige pagina’s waar je minstens een half uur je handen vol aan hebt.
Bovendien is er e-mail, altijd, en zijn er RSS-feeds van weblogs, nieuwssites en uitzendinggemist, waar je onder het mom van een adempauze je manuscript voor verlaat. Met als gevolg dat je concentratie aan duigen ligt.
Tot een half jaar geleden wist ik de verleiding van de online-realiteit het hoofd te bieden door in koffiehuizen in de stad te gaan werken. Productieve offline-uurtjes waren dat, waarbij ik ook de zegeningen van de vulpen herontdekte.
Tot een half jaar geleden dus. Toen werd het landelijk rookverbod van kracht, en zonder roken gaat het niet. Ronald Plasterk mag best eens bij Ab Klink gaan klagen over de schade die hij toebrengt aan de culturele sector.
Concreet betekent het dat ik alleen in het voorjaar en de zomer met de vulpen kan werken, tenzij ik mezelf een bovenmenselijke discipline opleg.
Als andere schrijversverleidingen kwamen rond de conferentie bovendrijven: lezen van andermans werk, te veel of te weinig naar je redacteur luisteren, de druk van de commercie, de bestsellercultuur, en (volgens mijn rookgenoot) self-indulgence, waarvan ik de juiste vertaling nog altijd niet weet (via Google belandde ik zojuist bij allerlei YouTube-filmpjes van een enge punkband), maar dat wel tot een hoog oplopende discussie leidde over de vraag of je nu wél of geen lezer in gedachten moet houden tijdens het schrijven.
‘Ik denk er zelfs over’, sprak mijn rookgenoot bij het volgende sigaretje, ‘om die assistente, over wie ik het net had, een deel van mijn research te laten doen voor mijn nieuwe boek. Daar is enorm veel archiefonderzoek voor nodig.’
‘Interessant experiment. Maar ben je niet bang dat je dan cruciale gegevens misloopt? Ik bedoel: het beste materiaal vind je altijd via een toevallig zijspoor, als je er juist niet naar op zoek bent.’
‘Zou kunnen. Maar zeg, ga jij nog naar die lezing van vanmiddag?’
‘Ik ga me proberen te drukken, eerlijk gezegd.’
‘Ik zou wel willen gaan, maar heb het ontzettend druk. Mijn Nederlandse vertaalster komt morgen langs. Zij heeft vragen over mijn eerste boek. Dat moet ik dus helemaal gaan herlezen. Dus ik moet vanmiddag terug naar het hotel, en met dat boek in bad gaan liggen.’
Eén conclusie is na de conferentie wel onvermijdelijk: dat het schrijven een loodzwaar beroep is.