Look at my face

Ik kan me niet heugen eerder zo te hebben uitgezien naar het einde van een jaar. Er bestaan geloof ik ook andere manieren om iets achter je te laten en opnieuw te beginnen, maar voor mij voldoet de jaarwisseling voorlopig nog wel.

Ooit had ik het idee dat ieder jaar dat niet duidelijk gekleurd kon worden als ‘dit was het jaar van …’ een verloren jaar was. Inmiddels houd ik mijn hart vast voor ál te grote mijlpalen.

Ik was erbij toen de schrijfster A.S. Byatt deze maand uit handen van koning Willem-Alexander de Erasmusprijs in ontvangst nam. Met sabelgekletter waren de genodigden het Paleis op de Dam binnengeleid.

‘This is the happiest moment of my life’, begon ze haar dankwoord.

De tranen sprongen onmiddellijk in mijn ogen. Even later kon ik eigenlijk al niet meer geloven dat ze dat echt gezegd had. Zei ze niet ‘one of the happiest moments’? Ik verifieerde het bij andere toehoorders, maar nee, ze had het echt gezegd.

Die leeftijd bereiken en dan nog het allermooiste mee kunnen maken. Maar vooral was het de ernst waarmee ze het zei denk ik. Sowieso maakt deze vrouw de indruk nooit zomaar wat te zeggen.

Even ervoor was ze met koninklijk gevolg over het middenpad naar voren geduwd, het publiek was gaan staan. Ze keek vanuit haar rolstoel op als een kind dat niet durft te geloven dat het echt iets leuks te wachten staat.

Om haar dankwoord uit te spreken herrees ze uit de rolstoel. ‘Waarom gaan sommige mensen kunst maken?’ sprak ze. Iedere beweging op haar gezicht was te volgen op het scherm boven haar. Een sterk en onbeschermd gezicht. In een interview met haar had ik gelezen dat ze zichzelf altijd de vraag stelde: why bother? Waarom zou je, wat maakt het uit? Om er telkens op uit te komen dat er niks ergers bestaat dan inertie en onverschilligheid. De echte misdaad, aldus een schilder in een van haar verhalen, is niet in de wereld geïnteresseerd zijn.

Het gekste, en meteen ook het onverdraaglijkste, is dat altijd alles voorbijgaat

Look at my face, dacht ik. Am I bovvered?

Het is een running gag van de Britse comédienne Catherine Tate. Does my face look bovvered? Do I look like I care at all? Er was een periode dat mijn zoon niet naliet dat tegen me te zeggen als ik hem iets duidelijk probeerde te maken. Ik probeer het soms te denken als iemand me wat vertelt, maar het lukt me over het algemeen niet. Ik voel mijn wangen opgloeien, mijn hart bonzen.

I do care. I do bother.

Wat was mijn gelukkigste moment het afgelopen jaar?

Op de een of andere manier vind ik dat moeilijker te bedenken dan mijn ongelukkigste moment. Verlies definieert een mens, winst niet. Of ben ik dat, die dat denkt? Als ik Byatt zie, denk ik eraan dat ze haar zoon verloor als gevolg van een aanrijding. Hij was elf, zou nu een vijftiger zijn.

De wereld loert me aan, het is alsof er een beschermlaag is weggevallen. Ik heb de neiging verschansing achter mijn boeken te zoeken, tegelijkertijd wil ik weg van dat eeuwige alfabet.

‘Wat zit je te wriemelen’, fluistert de collega die naast me zit in de zaal.

Betrapt houd ik de hand op mijn bovenbeen stil. Ik was eindeloos de ‘H’ van Happy op mijn bovenbeen aan het tekenen. Zolang het niet de ‘R’ van Redrum is, is er hopelijk niks aan de hand. Ik zou willen dat ik mijn moeder nog eens kon opbellen, dat ik haar stem kon horen aan de andere kant van de lijn. Het gekste, en meteen ook het onverdraaglijkste, is dat altijd alles voorbijgaat. Ook dit jaar komt ten einde, met de grote en kleine rampen, de niet nagekomen beloftes, de moorden die ik niet heb gepleegd. Mijn razende hart ’s ochtends vroeg in bed, de woorden repeterend die ik moet uitspreken zonder dat mijn gezicht in stukken uiteenvalt. Altijd mezelf inprentend hoe oud ik zelf inmiddels al niet ben, en dat dit is wat mensen moeten doen. Nooit zomaar wat zeggen. De dingen niet zwijgend laten passeren.