Roger Scruton over de gevaren van valse hoop

‘Looking on the bright side mag het denken niet verlammen’

Het basismotief van Roger Scrutons nieuwste boek is even eenvoudig als intrigerend: al het kwaad uit heden en verleden is te wijten aan een teveel aan optimisme. Een peripatetisch gesprek met de filosoof, wandelend door de straten van Oxford.

ROGER SCRUTON IS een veelschrijver van een zeldzame soort. Hoewel hij jaarlijks één of twee boeken uit zijn pen schudt, zijn deze vormelijk en inhoudelijk steeds van een bijzonder niveau. Toch zijn Scrutons werken vaak variaties op eenzelfde thema. Of hij nu schrijft over schoonheid, architectuur, de jacht of het pessimisme: de argumentatie is herkenbaar en repetitief. Steeds maakt Scruton gewag van de culturele ondergang van de westerse wereld en zingt hij als conservatief de lof over hoe het vroeger was in het Engeland van zijn jeugd. In zijn doen en denken belichaamt hij de authentic English way of life van weleer. Daarbij schermt Scruton ook steeds tegen dezelfde spoken uit het verleden. In het bijzonder het totalitarisme van de Franse Revolutie, het socialisme van Stalin en co en vooral de soixante-huitards moeten het steevast ontgelden in Scrutons boeken. Ook in zijn nieuwste.
Zelfs meer dan veertig jaar na dato doopt Scruton zijn pen in vitriool wanneer hij over mei 1968 spreekt. Dat heeft ongetwijfeld evenveel met zijn persoonlijke ervaringen te maken als met zijn filosofische kijk op de wereld. Hij kon zich niet vinden in de idee van de 68'ers dat deconstructie ook constructie is en nam de positie van een buitenstaander aan. Hij zei de academische wereld vaarwel en begon zijn loopbaan als zelfstandig veelschrijver, daarbij vaak verguisd door de academische wereld en hevig polemiserend met en tegen links-liberale intellectuelen, zoals Isaiah Berlin en Michel Foucault.
Pas recentelijk heeft Scruton zich weer met de academische wereld weten te verzoenen. Met het ouder worden is er meer begrip en verdraagzaamheid gekomen. Hij is weer werkzaam in Oxford, zij het dan niet verbonden aan een college, maar wel als fellow van de Dominicaanse priorij. Daar zoek ik hem op om te praten over zijn nieuwste boek, The Uses of Pessimism and the Danger of False Hope, waarin hij de lof zingt van het pessimisme. Het grootste kwaad uit de geschiedenis is volgens Scruton deels te wijten aan een teveel aan optimisme: van de holocaust en de goelagkampen tot de huidige financiële crisis. Het gaat om een utopisch geloof dat de mens maakbaar is en de wereld volledig beheersbaar. Dat er grote plannen en systemen zijn waarin een bijna hemels heil beschoren ligt. Daar is volgens Scruton niets goeds van gekomen. Was de mens niet zo'n naïeve optimist geweest, de geschiedenis had er heel wat anders uitgezien.
WANNEER IK AANBEL bij de Blackfriars in Oxford stap ik een wereld binnen die niet meer van deze tijd lijkt. Scrutons bureau is bijna een relikwie van het verleden, gevuld met versleten boeken en meubels die de ziel van vervlogen tijden uitademen. Er gaat een uitnodigende harmonie en rust van uit, maar Scruton stelt voor om het interview al wandelend in te zetten.
‘De stad laat zich bij dit weer van haar mooiste kant zien’, zegt hij kijkend door het raam. Ik stem in. Bij de oude Grieken werden de beste gesprekken immers al wandelend gevoerd. En Scruton wil bovendien zijn voorraad thee aanvullen. We begeven ons daarom samen naar een kleine speciaalzaak: het bureau uit, de zonnige dag en de stad in. Het begin van een peripatetisch interview door de straten van Oxford.
Ik merk meteen op dat Scruton wel bijzonder goed geluimd is voor een levensbeschouwelijk pessimist. 'Een klein moment van zwakte?’ vraag ik.
'Een goed humeur onderhouden in het aanschijn van de menselijke dwaasheid is geen zwakte, maar een teken van sterkte. Er zijn twee soorten goed humeur: een zelfgenoegzaam plezier dat de werkelijkheid negeert en een voorzichtige goedhartigheid die rekenschap aflegt van het kwaad dat in de wereld geschiedt. Ik streef de tweede soort na. Christenen noemen dat geloof, hoop en liefdadigheid, maar het vergt ook een kijk op de wereld met een zekere ironische onthechting.’
Pessimisme en een goed humeur sluiten elkaar dus niet uit. Spreekt u hier uit persoonlijke ondervinding?
'Voorzover het pessimisme me in mijn eigen leven al concreet geholpen heeft, komt dat doordat het helpt om mensen te aanvaarden zoals ze zijn. Om te kunnen leven met hun agressie. In mijn nieuwste boek verdedig ik een vergevingsgezindheid, een cultiveren van andermans gezichtspunt. Dat is bijzonder belangrijk wanneer je, zoals ik, uitgesproken meningen hebt die niet altijd even orthodox zijn. Niet te veel verwachten van je medemens is een belangrijke raad.’
Dat nieuwste boek is, zo zegt u zelf, geschreven voor mensen die het niet zullen begrijpen. Onredelijke optimisten zijn immers immuun voor redelijke tegenargumenten. Wat is het nut van dit boek dan?
'Goede vraag. Ik vermoed dat er toch veel lezers zijn die mijn intellectuele nieuwsgierigheid delen naar de aard en het voortbestaan van de menselijke dwaasheid. Het is die dwaasheid die ik wil ontleden, door te wijzen op de dwaalredeneringen waarop zij stoelt, zoals het geloof dat er een Utopia voor iedereen bestaat. Dat de weg daarheen een globaal plan voor de wereld behelst. Bovendien is het belangrijk om te erkennen dat de meest schadelijke dwaalredeneringen niet weg te nemen zijn. Slechts dan kun je ermee leren om te gaan. Misschien helpt dit ook wel enkele lezers in hun pogingen om compromissen met het leven te sluiten en de menselijke dwaasheden een plaats te geven.’

U ROEPT DAARBIJ op om steeds uit te gaan van het slechtst denkbare scenario. U bekritiseert echter wel die wetenschappers en milieuactivisten die inzake de opwarming van de aarde precies van zulk een scenario uitgaan.
'Wat ik onaangenaam vind bij die radicale milieuactivisten is niet hun gewoonte om van een worst case scenario uit te gaan, maar hun onvermogen om al het overige in ogenschouw te nemen. Dit leidt tot de afkondiging van onrealistische remedies, zoals de emissieschema’s van Kyoto. Dit heeft niet geleid tot een verminderde CO2-uitstoot, maar wel tot meer corruptie.’
Toch is er reden te over om somber te zijn over de toestand van het milieu, en optimisme doet hier meer kwaad dan goed.
'Inderdaad. Dat zie je nu ook in de Golf van Mexico. Dat is natuurlijk een ongeluk en niet alle ongelukken, zelfs die waarvoor er een duidelijke aansprakelijkheid bestaat, zijn terug te voeren tot de dwaalredeneringen die ik in mijn boek ontleed als karakteriserend voor het onredelijke optimisme. Alleszins is duidelijk dat de optimistische “best case”-dwaalredenering de mens ertoe heeft aangezet om fanatiek op zoek te gaan naar fossiele brandstoffen waarvan hij afhankelijk is. En het spreekt voor zich dat, wanneer je iets aartsmoeilijks onderneemt als boren op de bodem van de oceaan, in rotsen waar olie onder gigantische druk opgestapeld ligt, je beter op voorhand aan het slechtst mogelijke scenario denkt. BP noch de VS hebben dit gedaan. En toen het slechtst mogelijke toch werkelijkheid werd, hadden zij er geen enkele oplossing voor. Zij probeerden maar wat te improviseren, lange tijd hulp afwijzend van de Nederlandse overheid die de benodigde techniek voorhanden had om te helpen waar mogelijk.’
Niet enkel met het milieu gaat het slecht. Ook in de financiële wereld is het volop crisistijd. Is ook dit weer aan het optimisme te wijten?
'De recente financiële crisis heeft vele oorzaken. Daaronder ook het onredelijke optimisme, zoals dat van president Carter. Die heeft procedures ingesteld die onvermijdelijk tot de huidige hypotheekcrisis in Amerika moesten leiden. Carters beleid heeft het financiële netwerk verzadigd, banken vragend om te lenen zonder enige veiligheid en terughoudendheid in te bouwen. Dat systeem moest op een gegeven moment wel instorten.’

U KOPPELT AL het kwaad uit heden en verleden aan het onredelijke optimisme. Maar de hele menselijke geschiedenis en het menselijk handelen zijn toch niet te verklaren vanuit een teveel aan optimisme en een tekort aan pessimisme?
'Het lijkt me niet fair om te zeggen dat ik dat pretendeer. Ik verdedig geen pessimisme tegenover optimisme. Ik wil gewoon duidelijk maken dat pessimisme zijn nut heeft. Daarbij beargumenteer ik dat optimisme ons op dwaalwegen kan brengen, wanneer het niet ietwat ingetoomd wordt. Mijn boek behandelt uiteraard niet de gehele menselijke psychologie of het hele menselijke hart.’
Om te verklaren waar het onredelijke optimisme vandaan komt, beroept u zich op de evolutionaire psychologie. U heeft die psychologie in het verleden echter wel vaak aangevallen.
'Ik denk niet dat het fout is om te stellen dat we geëvolueerde wezens zijn. Dat veel van onze psychologische eigenschappen evolutionaire adaptaties zijn. Maar anders dan de evolutionaire psycholoog geloof ik dat we dankzij onze sociale vaardigheden die evolutie een specifieke, eigen wending hebben kunnen geven. Dat de menselijke natuur veranderd is volgens ons eigen beeld van die natuur. Dat geldt voor taal, moraliteit en religie. Alles wat eigen is aan de condition humaine vloeit voort uit ons vermogen om onszelf te kennen als een ander en onze medemens als een ander zelf. Hierop is de hele beschaving gebouwd.’
Toch is het essentieel dat u naar de stammensamenlevingen kijkt om het onredelijke optimisme van nu te verklaren.
'De dwaalredeneringen die ik bespreek, vloeien voort uit onze aangeboren neiging om mee te gaan met de grote meute. Dat gaat terug op de wijze waarop het stammenhoofd vroeger bepaalde wat men deed en wat men dacht. Sommige mensen zijn gelukkig in zulk een situatie: zich onderschikkend aan een absolute autoriteit die het geheim van “het grote plan” bezit. Zelf niet te moeten denken is makkelijk en het utopische optimisme ontmoedigt het zelfstandige denken. Veel moeilijker is de houding van het beschaafde compromis, voorbij de grote plannen en utopieën, waar ik voor sta.’

SCRUTON VERSNELT zijn pas en schiet een jonge vrouw te hulp die enkele meters voor ons met twee grote koffers zeult. Hij neemt haar zwaarste koffer over en we stappen gedrieën in de richting van het hotel waar ze moet zijn. Daar aangekomen, wensen we haar nog een prettige dag en Scruton vraagt me waar we met het interview zaten. Ik merk op dat heel wat psychologische zelfhulpboeken - voor wat die waard zijn - beginnen met een simpel advies: succes en geluk beginnen bij positief denken. Onzin?
'Niet echt. Het is uiteraard een zinvol advies, want het zegt de mensen dat ze hun eigen capaciteiten en verwezenlijkingen ter harte moeten nemen. Dat ze succes moeten nastreven en geen mislukking. Veel te veel droefheid vloeit voort uit het feit dat mensen denken dat ze pechvogels zijn, dat het succes hen altijd zal ontlopen en dat zij er geen recht op hebben. Dat is niet goed. Maar het gevaar is dat mensen zichzelf bedriegen om toch maar positief te denken. Dan besluipen de utopische dwaalredeneringen hen.’
In de afwijzing van die dwaalredeneringen valt u terug op Karl Popper. Ze zijn niet te verifiëren en bijgevolg onwetenschappelijk en af te wijzen. Maar Popper combineerde dit, in tegenstelling tot u, wel met een pleidooi voor de morele noodzaak van het optimisme.
'Het soort optimisme dat Popper verdedigde had niets te maken met het onredelijke optimisme waartegen ik me verzet. Wanneer ik de utopische dwaalredenering beschrijf, maak ik duidelijk dat er een optimisme is dat enkel bestaat uit het vergeefs investeren van het menselijke enthousiasme in onmogelijkheden en tegenstrijdigheden. Zo wordt de zuiverheid van een illusie in stand gehouden en is elk compromis met de werkelijkheid een hindernis op weg naar het ultieme doel. Dat zag je heel duidelijk in de revoluties van de twintigste eeuw en zeker bij de soixante-huitards. Het doel is onweerlegbaar, omdat het doel zelf onmogelijk is. Dat doel is niet “van deze wereld” en toch dwingt men de onvoorwaardelijke toewijding af van iedereen die erin gelooft. Veel schrijvers hebben dit fenomeen bestudeerd: Koestler in Darkness at Noon, Orwell in 1984 en Popper in zijn politieke geschriften.’
U lijkt meer problemen te hebben met onredelijkheid dan met optimisme zelf.
'Optimisme zelf heeft immers veel voordelen. Eén daarvan is het tegengaan van een onredelijk pessimisme, het soort pessimisme van de radicale milieuactivisten van daarnet. Maar looking on the bright side mag het denken niet verlammen. Je moet weten hoe je dat moet doen, zeker in persoonlijke relaties. Liefde is zelf een vorm van optimisme. Het vergt een zeker geloof in de ander en een geloof dat wat je geeft niet weggegooid zal worden. Zulk een optimisme moet eigenlijk het richtsnoer zijn van ons handelen. In de liefde en in heel alledaagse dingen. Wanneer je op de markt een groenteboer om een zak appelen vraagt, vertrouwt hij erop dat je daarvoor ook zal willen betalen. Dit vertrouwen is een vorm van kleinschalig, ingehouden optimisme; als dat er niet is, is een vredevolle sociale orde onmogelijk.’

ZULK EEN LOFZANG op het optimisme, de liefde en het leven kan merkwaardig lijken uit de mond van iemand die net een boek over het nut van het pessimisme heeft geschreven. Toch is dit niet zo verwonderlijk. In zijn boeken komt Scruton immers vaak naar voren als iemand die van het goede leven houdt: de schilderkunst, de muziek en het drinken van goede wijn. Zelfs wanneer hij de ondergang van de westerse cultuur betreurt, heeft dit niet het karakter van een reactionaire klaagzang. Scruton is geen volbloed pessimist. Hij is een realist die weet dat pessimisme zijn nut heeft en optimisme soms gevaarlijk kan zijn. Maar een leven zonder liefde en geloof in de ander, zonder zulk een optimisme, is onmogelijk, meent hij. Ik moet daarbij onwillekeurig aan Scrutons opera’s denken, waarin de liefde steeds gebrekkig en frustrerend is. In die mate zelfs dat de liefde het leven eerder onmogelijk lijkt te maken.
'Violet, het hoofdpersonage uit mijn gelijknamige opera, is inderdaad op de vlucht voor een liefde waarvan ze niets goeds verwacht’, beaamt hij. 'Maar er is uiteraard een verschil tussen de alledaagse liefde die schade berokkent en de meer verheven liefde die voor harmonie en vrede zorgt. Dat die eerste soort liefde een ware kwelling kan zijn, is een bekend thema in de literatuur en de muziek. Denk maar aan Alban Bergs opera Lulu of de toneelstukken van Wedekind waarop die opera gebaseerd is.’

WE ZIJN INMIDDELS aangekomen bij het kleine theewinkeltje en ook hier stappen we een wereld binnen die niet meer van nu lijkt. 'Dit is een klein stukje van het oude Engeland dat de moderne tijd heeft overleefd’, zegt Roger Scruton. 'Let op de premoderne verpakking van de thee. Engelser dan dit wordt het niet. Je vindt hier losse thee van over de hele wereld, overal waar we het drinken van thee verspreid hebben. Het maken van thee was een staatsgeheim in China, maar de Britten hebben het recept gestolen en theemakers gekidnapt. Zo heeft thee de wereld veroverd.’ Ik schaf zelf ook wat thee aan en keer terug met twee kartonpapieren zakjes losse Engelse thee van 250 gram. 'Echte Engelse thee’, zo verzekert Scruton me, 'als je die nu tenminste met een flinke scheut melk opdrinkt.’

Het nut van pessimisme en de gevaren van valse hoop verschijnt in september bij Nieuw Amsterdam (het origineel verscheen vorige maand bij Atlantic Books)

Alicja Gescinska is moraalfilosofe en verbonden aan de Universiteit Gent