Hoe topbeloningen bepaald worden

Loon naar mazzel

Werkgeversvoorzitter Hans de Boer wijt de nieuwste kritiek op de topsalarissen aan jaloezie. Maar onderzoek wijst uit dat er geen enkel verband is tussen inkomen en prestaties van de nieuwe ‘supermanagers’.

Medium beloningen

Hij was de afgelopen jaren waarschijnlijk de best betaalde manager ter wereld: Larry Ellison. Als gesjeesde student richtte hij ooit samen met enkele kompanen het softwarebedrijf Oracle op. Inmiddels behoort hij met een geschat vermogen van 52,6 miljard dollar tot de rijkste mensen ter wereld. Inclusief een vloot privé-vliegtuigen, luxejachten en een Hawaïaans eiland. Een flink deel van die rijkdom verdiende Ellison als baas van Oracle. In 2014, zijn laatste jaar als ceo, streek hij ruim 67 miljoen dollar op. In 2013 was dat nog 78 miljoen. Het jaar daarvoor zelfs bijna honderd miljoen dollar.

Waar Ellison zulke astronomische bedragen aan te danken heeft? In elk geval niet aan zijn uitzonderlijke prestaties. Oracle is niet het grootste bedrijf in zijn sector. Het is al helemaal niet het meest succesvolle. In hetzelfde jaar dat Oracle koploper ceo-salaris was, kwam het in de categorie ‘resultaten’ op plaats 152 van driehonderd grote beursgenoteerde ondernemingen.

Vergeleken met hun Amerikaanse collega’s zijn de Nederlandse managers kruimelgraaiers. De ophef is er niet minder om. Het begon vorige maand met de loonsverhoging van de ceo van ing: plus 28 procent, naar in totaal 1,63 miljoen euro. Daarop bleek kpn zelfs een loonstijging van vijftig procent in petto te hebben voor bestuursvoorzitter Eelco Blok. Na klachten van de vakbonden zag hij af van een deel van zijn prestatiebeloning. En dan was er ook nog het nieuws dat de bankiersbonussen in de eurozone in 2014 met gemiddeld achttien procent zijn gestegen. Dat is nog meer dan hun collega’s in de City en op Wall Street. Je zou bijna vergeten dat het crisis is.

Verreweg de meeste aandacht kregen de bestuurders van staatsbank ABN Amro. Hun salarisstijging van een ton per persoon ontketende een storm van kritiek. Het besluit werd snel teruggedraaid, maar in een ongelukkig getimed interview met NRC Handelsblad gaf commissaris Peter Wakkie iets van de achterliggende motivatie prijs. ‘De toenmalige minister heeft in 2009 gezegd: ik moet goede mensen hebben en ik ga ze dit pakket bieden. Als hij had gezegd: dit is een staatsbank en je krijgt 150.000 euro, had hij die mensen niet binnengekregen.’

Bankiers als topvoetballers dus, inclusief internationale transfermarkt. Iets soortgelijks betoogde op de opiniepagina’s van dezelfde krant de Tilburgse hoogleraar accounting Jan Bouwens. ‘Banken hebben voor de managers gekozen die hogere salariseisen stelden omdat zij over het voor de taak benodigde talent beschikten’, stelde hij. ‘De vraag is of we als maatschappij het alternatief hadden gewild, namelijk de aanstelling van een minder bekwame manager met een kleinere kans op succes en de bijbehorende bankwaarde.’

Bouwens schreef ook dat de afgelopen veertig jaar de correlatie tussen ceo-inkomen en complexiteit van bedrijven ‘nagenoeg 1’ is. Zijn conclusie: ‘Complexiteit van het werk verklaart derhalve de hoogte van het salaris.’ Navraag leert dat Bouwens zich baseert op een paper uit 2008. Daarin wordt geopperd dat er wel eens een direct verband zou kunnen zijn tussen de omvang van een firma (niet hetzelfde als complexiteit) en ceo-beloningen. Hoe groter met andere woorden de marktwaarde van het bedrijf, hoe hoger de beloning voor de baas. Helaas voor Bouwens betreft het een model, geen empirische studie.

Het geldt voor de meeste argumenten die zijn aangedragen ter verdediging van de topinkomens: veel aannames, weinig feiten. De salarissen van ceo’s en andere bestuurders van grote ondernemingen zouden hun unieke kennis en ervaring weerspiegelen. In economisch jargon: hun (enorme) marginale productiviteit. De prijs daarvan komt tot stand in een deels internationale markt voor ‘toptalent’. Wie op zulke veronderstellingen kritiek levert, snapt het niet. Pure jaloezie, zoals werkgeversbaas Hans de Boer na het gebeuren bij ABN Amro nog eens constateerde.

Het klinkt alles bij elkaar niet als een theorie die veel moeite doet de echte wereld te verklaren. Des te geschikter is ze om topbeloningen, hoe ver die ook de lucht in schieten, achteraf goed te praten.

De problemen beginnen al met het begrip ‘productiviteit’. Dat valt in de praktijk amper te meten. Bij een denkbeeldige werknemer die uitsluitend gestandaardiseerd werk verricht is dat nog te doen. Als in een koekjesfabriek duizend mensen aan de lopende band staan, en je zet er één nieuwe werknemer bij, dan kun je de extra productie aan die persoon toeschrijven. Bij complexere werkzaamheden is zoiets onmogelijk. De opgaven van een ceo verschillen per bedrijf en per werkdag. Hoe productief zo iemand is? Daar valt geen zinnig woord over te zeggen. Vaak zie je daarom de omgekeerde redenering. Iemand verdient veel, dús hij of zij zal wel heel productief zijn.

Veel CEO’s profiteerden van de gesubsidieerde beurshausse – niet omdat het Nederlandse bedrijfsleven het zo goed doet

Maar stel dat lonen wél verband zouden houden met de uitzonderlijke capaciteiten van een manager. Dat leidt tot bizarre conclusies. In de jaren zestig verdienden Amerikaanse ceo’s volgens uiteenlopende cijfers twintig tot veertig keer zo veel als hun doorsnee werknemers. Vanaf de jaren tachtig gebeurde er iets geks. Thomas Piketty heeft het over de ‘opkomst van de supermanagers’. Daarmee doelt de Franse econoom niet op de mensen die één of twee ton verdienen per jaar. De term slaat op de echte veelverdieners, vanaf een half miljoen dollar. Hun beloningen zijn geëxplodeerd. Met als gevolg dat ceo’s in de Verenigde Staten tegenwoordig driehonderd, in sommige gevallen wel vierhonderd keer meer krijgen dan de werkvloer.

Zijn ze ten opzichte van de jaren zestig werkelijk tien keer zo productief of talentvol geworden ten opzichte van hun gemiddelde medewerkers? Zijn hun bedrijven misschien tien keer succesvoller dan toen? Nee, natuurlijk niet.

De grote verschillen in beloningen tussen landen onderling vallen op deze manier evenmin te verklaren. Neem opnieuw de Verenigde Staten. Het aandeel van de best verdienende 0,1 procent van de bevolking in het nationale inkomen steeg daar in de afgelopen decennia van twee naar bijna tien procent. Dat is enorm. Ook in landen als Frankrijk en Japan gingen de lonen aan de top omhoog. Maar op veel kleinere schaal: van amper 1,5 procent naar 2,5 procent. Bijna een verdubbeling, maar de loonkloof blijft heel wat minder dramatisch dan in de Angelsaksische landen.

Zijn die bedrijven in Japan, Frankrijk of Nederland zoveel minder complex dan hun Amerikaanse concurrenten? Zijn de managers daar zoveel productiever, beter, talentvoller? Ook hier luidt het antwoord: uiteraard niet. Trouwens, als inkomen werkelijk de financiële uitdrukking zou zijn van iemands capaciteiten, waarom verdienen vrouwen dan zoveel minder dan mannen op hetzelfde niveau?

Een enkele veelverdiener heeft de grootsheid om dit onder ogen te zien. Zoals Warren Buffett. ‘Ik persoonlijk denk dat de samenleving verantwoordelijk is voor een heel significant deel van wat ik verdiend heb’, zei de multimiljardair al halverwege de jaren negentig. ‘Als je me midden in Bangladesh of Peru of weet ik waar dropt, kom je er pas achter hoeveel dit talent oplevert op de verkeerde voedingsbodem. Dertig jaar later zal ik nog steeds moeten vechten om het hoofd boven water te houden.’

Het maakt nieuwsgierig naar hoe topbeloningen dan wel tot stand komen. Iemand die daar belangrijk onderzoek naar heeft gedaan, is Chicago-econome Marianne Bertrand. Ze werd geboren in België en leerde in de vis- en vleeswinkel van haar ouders ‘wat echt hard werken is’, zoals ze het zelf zei in een interview. Bertrand bestudeerde in het verleden de beloning van ceo’s van Amerikaanse oliebedrijven. Hun salarissen groeiden fors, zeker in tijden dat het bedrijf floreerde. Maar, vroeg Bertrand zich af, was dat succes wel op hun conto te schrijven? Helaas. Een groot deel van de positieve resultaten bleek terug te voeren op stijgende olieprijzen. Iets waarop deze ceo’s met de beste wil ter wereld geen invloed konden uitoefenen. Toch werden zij beloond voor deze toevalstreffers. En ook bij multinationals in andere sectoren bleken externe factoren van groot belang. Daar waren het gunstige wisselkoersen die de winsten soms tot grote hoogten stuwden. En dus ook de topbeloningen.

Loon naar werken? ‘Pay for luck’, noemt Bertrand het in een publicatie die ze schreef samen met Harvard-econoom Sendhil Mullainathan. Loon naar mazzel dus. Het kan ook de exorbitante stijging van de Nederlandse topinkomens verklaren. Het afgelopen jaar groeiden zij met ruim 36 procent, berekende de Volkskrant in haar jaarlijkse onderzoek onder aex-bedrijven. Dat heeft waarschijnlijk meer te maken met geluk dan met briljante strategische beslissingen. Een belangrijk deel van de beloningen wordt namelijk uitgekeerd in de vorm van aandelen en opties. Die stegen het afgelopen jaar fors in waarde. Niet omdat het Nederlandse bedrijfsleven het zo goed doet, maar omdat overheden wereldwijd in het kader van quantitative easing de financiële markten overspoelen met gratis geld. Veel ceo’s profiteerden van die gesubsidieerde beurshausse. Het leverde de ceo van Reed Elsevier ruim 16,4 miljoen extra op. De topvrouw van Wolters Kluwer boekte tien miljoen euro aandelenwinst.

Met productiviteit heeft dat niets te maken. Met uitzonderlijke capaciteiten evenmin. Met puur geluk wel. En met nog iets anders. Want een beloningspakket komt niet zomaar tot stand. ‘Skimming’ is de term die sommige economen hiervoor gebruiken. Het komt erop neer dat topinkomens niet bepaald worden in een anonieme, vrije markt. Het zijn beloningscommissies en raden van commissarissen – mensen van vlees en bloed dus – die hierover beslissen. De bestuurders om wier beloning het gaat, verkeren in de perfecte positie om dat proces te beïnvloeden. Zeker wanneer zij ervoor zorgen dat iedereen in de top van het bedrijf een graantje meepikt, hoeven ceo’s weinig weerstand te vrezen.

Zoals Larry Ellison. Hij wist zich bij ‘zijn’ Oracle omringd door oude kennissen en getrouwen. Jaknikkers. Tot frustratie van sommige aandeelhouders, voorop het Nederlandse pggm. ‘Al drie opeenvolgende jaren wordt de adviserende stem [van de aandeelhouders, die massaal tegen waren] over de beloningen genegeerd’, klaagde de pensioenuitvoerder eerder dit jaar in een boze brief aan het bedrijf. ‘Sommige directeuren, namelijk de leden van het Beloningscomité, werden in 2013 bij de jaarlijkse bijeenkomst enkel herkozen omdat zij de steun kregen van de oprichter.’ Zijn naam? Ellison natuurlijk.

Zoveel sluwheid, dat is niet enkel loon naar mazzel. Dat is loon naar macht.


Beeld: Amsterdam, 30 maart. Hoofdkantoor van ABN Amro, met op de voorgrond de Fortuna_, een kunstproject van Leonard van Munster. Het jacht symboliseert het snelle geld, de stranding verbeeldt de crisis (Peter Boer / HH)_