Loos alarm

Ooit van een Oostenrijkse componist gehoord? Een levende, wel te verstaan?
Het land dat in het verleden de meest spraakmakende componisten onder haar vleugels heeft gehad - van Mozart tot en met Schonberg - is de afgelopen decennia in stilstaand water terecht gekomen. En het lijkt het ook liever zo te houden, gezien de vijandigheden waar een avontuurlijk ingestelde man als Gerard Mortier bij de Salzburger Festspiele op stuit.

In de oorlog is het fout gegaan. En daarna is het niet meer goed gekomen. De Nederlandse pianist Wim van Zutphen, die sinds 1974 in Graz woont, vat de geschiedenis als volgt samen: ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de hele Oostenrijkse intelligentsia omgebracht of in ballingschap gegaan. Daaronder waren ook veel componisten. De meesten zijn na de oorlog niet teruggekeerd. Pas in de jaren zeventig kwam een enkeling als Ernst Krenek terug naar Oostenrijk.’
Het vacuum dat zo ontstond had als gevolg dat nieuwe generaties componisten in de kou stonden. Aan de conservatoria van Wenen, Salzburg en Graz zwaaiden buitenlanders de scepter en volgens Van Zutphen vormde de Oostenrijkse muziek lange tijd een zwakke afspiegeling van ontwikkelingen in Frankrijk en Duitsland. Nog meer dan in Spanje, dat tijdens de Burgeroorlog en het Franco-regime ook zo'n intellectuele en artistieke leegloop kende, droogde de scheppende toonkunst op.
Wim van Zutphen, die een actieve rol in het huidige muziekleven speelt, trad vorige week op in de serie lunchpauzeconcerten die de NCRV in De IJsbreker organiseert. Zijn Austrian Art Ensemble richtte hij in 1980 op om Bartoks Sonate voor twee piano’s en percussie uit te voeren. Aangezien het repertoire voor twee pianisten en twee slagwerkers niet meer dan een handjevol stukken beslaat, is hij aangewezen op nieuw te schrijven werk. Een mes dat aan twee kanten snijdt: jonge Oostenrijkers hebben zo een kans hun werk uitgevoerd te zien.
Twee van die componisten presenteerde het ensemble aan het Nederlands publiek: Herbert Lauermann en Armin Pokorn. Trans van Lauermann was een nogal middelmatig stuk. Een goed gevoel voor timing leidt soms tot mooie ingehouden spanning, andere deeltjes blaken met hun sterke ritmes en virtuoze pianoloopjes van energie, het slagwerk is met verrassende instrumentale effecten bedeeld, maar als geheel vormen de negen deeltjes een samengeraapt zooitje, met even veel ups als downs.
Armin Pokorn (36) bezorgde de luisteraar daarentegen een verrassing. Aan zijn programmatoelichting op Las Dos Hermanitas voor twee slagwerkers (dat hier in premiere ging) was geen touw vast te knopen. Het begin van het stuk deed het ergste vrezen. Het eerste deel is nogal sloom: de slagwerkers zitten met ieder een setje trommels tegenover elkaar en spelen een aarzelend maar volkomen regelmatig ritme, dat alleen wordt ingekleurd met woodblocks en tikken op een roestige spiraal die een penetrant zweverig geluid produceert. Het tweede deel is energieker, maar met zijn marsachtige roffels weinig verheffend. De complexe contraritmes in het derde deel worden muzikaal al interessanter, maar nog altijd maakt het stuk een oerbrave en gekunstelde indruk.
Maar plotseling gebeurt er wat. Een paar snoeiharde klappen die striemen om de oren doen je rechtop in je stoel zitten. Loos alarm, blijkt al gauw. Deze uitbarsting lost op in een meeslepende unisono- beweging die op een slotclimax lijkt af te stevenen. Weer op het verkeerde been gezet: er volgt nog een deel waarin inderdaad alle fysieke grenzen overschreden worden. De snijdende klappen op de trommels worden van een akelig scherp randje voorzien door venijnige tikken op een stuk metaal. Een geluid dat dwars door de hersenpan klieft. Niet even, maar een paar minuten lang.
De manier waarop het suffige begin uitmondt in een meedogenloze afranseling, doen alle stukjes op hun plaats vallen. Gebeurt in het proza van Elfriede Jelinek en de toneelteksten van Werner Schwab niet exact hetzelfde?
Een heftig land, dat Oostenrijk.