Kees ’t Hart

Lopen

Raster brengt een themanummer rond «lopen». Essays, stukken, verhalen, verhaaltjes, gedichten, allemaal over lopen: lopen vroeger, lopen in wijsbegeerte, lopen in Griekenland, lopen bij de buren, lopen in den vreemde, lopen in de stad, lopen met Beckett, lopen met Walser, et cetera. Je kunt op deze manier een eindeloze hoeveelheid nummers uitbrengen. Bijvoorbeeld themanummer 2: Ziekte. Daar gaan we: ziekte vroeger, het zieke personage, ziekte in wijsbegeerte, ziekte in Griekenland, ziekte aan zee, ziekte bij de buren, ziekte bij de nouveau roman, ziekte thuis. Nummer 3: Het paard. Paarden vroeger, het paard bij Kafka, paarden in Griekenland… Ik begrijp dat ik wegens flauwheid nu moet stoppen. Als het meezit krijg je bij deze opzet goeie stukken binnen en als het tegenzit slechte en dan wordt het niks en heb je een slecht nummer. Als het tegenzit ga je als redactie uiteindelijk kapot aan het uitbrengen van themanummers omdat je een samensteller van bloemlezingen wordt, een stapelaar van willekeurigheid, van meningloosheid. Omdat je geen dwingende obsessie meer in de lucht houdt. Niet meer met literatuur bezig bent.

Ik weet niet zeker of het zo ver al bij Raster is, maar heb zitten twijfelen omdat het verschil in kwaliteit van de bijeengebrachte werken en werkjes in dit nummer ongelofelijk groot is. «Zilverwit gloort tussen silhouetzwarte stammen. De wandelaar nadert de bosrand.» Zulke Bouquetreeks-zinnen staan rustig in verhalen naast teksten van Töpffer, Kafka of Torgny Lindgren. Of neem dit reisgidsenproza: «Daar is alleen maar de vuurtoren, witte schuimkoppen, voorbijgaande schepen en een zeer welkom randje schaduw om in te zitten en olijven, tomaten, kaas en brood op te eten.» Er staan stukken in van auteurs als Samuel Beckett, Diderot, K. Schippers en Gerard van Westerloo, waarbij het enige dwingende verband is dat zij het over lopen hebben. Ach, ze hadden net zo goed mij kunnen vragen iets te schrijven, ik had het wel geweten, ik had binnen twee weken zeker veertig pagina’s geschreven over de verbijsterende wandelingen van Jean Jacques Rousseau, dertig over de wandelingen van Arthur Rimbaud, en nog eens dertig over het prachtige boek Mad Travellers van Ian Hacking, waarin een relatie wordt gelegd tussen psychopathische wandelaars die vanaf 1870 de Europese wegen onveilig maakten en literaire ontwikkelingen van die tijd. En als ik me kwaad had gemaakt, had ik ook nog een bijdrage geleverd over moppen over handelsreizigers die vooral vlak na de Tweede Wereldoorlog furore maakten.

Ik moet natuurlijk niet zo klagen. En gelukkig wordt alles, maar dan ook alles in dit nummer goedgemaakt met het prachtige kleine verhaal Wandelen van Robert Walser. Omdat het niet alleen een schitterend verhaal is, maar tegelijkertijd ook zijn literair programma verwoordt. Vervang in dit verhaal het woord «wandelen» door «schrijven» en ineens weet je niet wat schrijven zou kunnen maar wel wat het zou moeten zijn. Het begint zo: «Er ging eens iemand wandelen. Hij had de trein kunnen nemen en een verre reis kunnen maken, maar hij wou alleen maar wat in de buurt rondlopen. Het nabije leek hem belangrijker dan het belangrijke en grote in de verte. Daarom leek hem het onbelangrijke belangrijk.»

Raster, nr. 91.

Uitg. De Bezige Bij, 200 blz., ƒ34,50