Beeldende kunst: Richard Long: aards, bescheiden en gedempt

Lopen om de wereld te zien

De Britse kunstenaar Richard Long is een wandelaar, een loper, een struiner. ‘Als je een wandeling onderneemt, dan doe je iets wat in de hele geschiedenis van de mensheid doorklinkt.’

Courtesy of Lisson Gallery © Richard Long, Schanz Glacier Stones, 2012

Het aardige van het werk van Richard Long is dat u het ook kunt maken, sterker nog: dat heeft u hoogstwaarschijnlijk al eens gedaan. Iedereen die bijvoorbeeld wel eens een kampeertent heeft opgezet om daar een nachtje in te slapen heeft een ‘werk’ gemaakt zoals Richard Long dat doet. Bij het opbreken blijkt het rechthoekje gras, waarop de tent stond, platgedrukt of (als u er wat langer heeft gestaan) geel geworden. Het is heel eenvoudig: hier was je dus, eventjes, en je liet een spoor na, dat spoedig weer verdwijnen zal. In die waarneming ligt een flink deel van Longs oeuvre besloten. Je loopt over de aarde, je schopt tegen een keitje, je raapt een stok op, je baant jezelf een pad, even waait het stof achter je op, even buigt het gras, en dan is het allemaal weer voorbij. De wandelaar trekt verder, de natuur haalt de schouders op en als er niemand achter je aan wandelt, dan zal dat paadje vervagen.

Long (1945) is een wandelaar, een loper, een struiner. Hij werd geboren in Bristol en doolde als jongetje al door de heuvels van de vallei van de Avon, urenlang en mijlenver. Eenmaal op de kunstacademie viel die liefde voor de natuur buiten het curriculum. Hij werd zelfs van school verwijderd om een projectje met een grote bal sneeuw, die hij langzaam van een helling liet rollen om zo een spoor te maken in het landschap, een kronkelende lijn, die hij fotografeerde. Op zijn tweede school, St. Martins in Londen, lieten ze Long begaan, al snapten ze er weinig van. Zijn belangrijkste eerste werk was A Line Made by Walking (1967), een rechte streep in een grasveldje, gemaakt door een tijdje in rechte lijn heen en weer te lopen. Hij maakte daar een foto van, maar de foto was niet het ‘werk’, en de lijn zelf ook niet – die zou bovendien in een paar dagen verdwenen zijn. Het werk was het lopen zelf.

Dat leek best bij andere dingen in de kunsten van de jaren te passen – het minimalisme, de ‘land art’, de conceptuele kunst, de Magiciens de la terre, enzovoort – maar eigenlijk onttrok het zich daar ook weer aan. Long is zeker geen land artist, het verplaatsen van grote massa’s aarde is niet aan hem besteed; hij bestrijdt ook dat hij ‘monumentaal’ werkt. Hij maakt geen Stonehenges. Hij maakt werk met en voor het land, niet tegen het land.

Het werk is het onopgesmukte resultaat van een persoonlijke, ongestuurde ervaring. Het is kunst die voortkomt uit het eenvoudigste wat wij doen: lopen. In een lijn, of in een cirkel, ergens heen en dan weer terug, langs een rivier of over een rijtje heuvels, van A naar B, doelgericht of juist niet. Het is een obsessie, misschien, over de natuur en de planeet en de vormen die je daarop al wandelende beschrijft, de ordening die je en passant aanbrengt.

De praktiserende kunstenaar Long voert die planetaire obsessie al vijftig jaar uit op vier manieren. Ten eerste tekent hij op, in altijd dezelfde letters, op een wit doek, wat het beginpunt van de wandeling was en wat het eindpunt, waar die wandeling zich afspeelde, hoe lang hij erover deed, wat er zoal te horen of te zien was – bomen, vogels, windrichting, geuren.

Je loopt over de aarde, je schopt tegen een keitje, je raapt een stok op, je baant jezelf een pad

Ten tweede maakte hij meestal ergens ter plekke een sculptuur. Hij legt stenen in een rijtje of in een cirkel, of verwijdert juist stenen zodat er een paadje ontstaat. Hij gooit water op droge rotsen. Hij legt drijfhout bijeen in een kring. Meestal gaat dat niet veel verder dan het herschikken van de natuurlijke rommel, die voorhanden is. Van deze tijdelijke sculpturen maakt hij foto’s.

Ten derde maakt hij grote schilderijen met handen en voeten, van waterige klei, op wanden en vloeren. Ook die schilderijen beperken zich tot krachtige geometrische vormen, cirkels en rechthoeken; het geklieder met de klei kan best spetterig of rommelig lijken, maar in het oog van de kijker valt onmiddellijk de ordening op.

De vierde uitvoering, ten slotte, bestaat uit grote massa’s stenen die in de keurigheid van een tentoonstellingszaal ordentelijk worden uitgelegd, weer in cirkels en rechthoeken, soms als een kruis, soms een ovaal, soms als een doolhofje. Het museum kan zo’n werk daarna gewoon weer opslaan. Het is meestal een flinke berg, de brokken zijn niet genummerd; er is alleen een diagram en een algemene aanwijzing over het ‘ritme’ en de ‘verdichting’ waarmee de stenen moeten worden gelegd.

In museum De Pont in Tilburg liggen zeven van dat soort grote beelden, en in de kamertjes terzijde van de grote zaal hangen om en om tekstwerken en foto’s. Het is geen retrospectief, het is, in Longs woorden, ‘just a very nice selection’. Dat is het, al is het jammer dat er niet ook een groot schilderwerk werd getoond – dat had de schaal van het werk en de ruimte goed aangekund, en de tentoonstelling denkelijk meer ‘lading’ gegeven. Prominent in het ensemble is Planet Circle, een van de eerste werken die De Pont aankocht, nog voor het museum open ging. Het lag er de eerste vijftien jaar altijd op zaal.

Long maakt strak, koel aards werk met bescheiden toon en gedempte stem, een paar stenen in een cirkeltje of in een lijn – veel elementairder wordt ’t niet, in de kunsten. Het kan erg eenvoudig overkomen, te eenvoudig misschien zelfs – we staan in een museum toch ook niet kampvuurtjes te stoken, of Poohsticks te spelen? Long houdt zichzelf graag een beetje op de vlakte. ‘Het is niet illusoir of conceptueel: het is echt’, zei hij in museum De Pont. ‘Het gaat over echte stenen, echte tijd, echte acties.’

Het gaat om de schuchtere interventie in het landschap, de footprint

Als je de Engelse schrijver Bruce Chatwin mag geloven, was de allervroegste manier om de wereld in kaart te brengen een lied, een ‘songline’. Longs praktijk heeft daarmee iets te maken, met een primitieve manier van markeren en benoemen, en daardoor ‘scheppen’. Het gaat om de schuchtere interventie in het landschap, de footprint; het is ook een manier om een zekere lyrische bewondering uit te drukken voor de schoonheid van primaire materialen, stokken, keien, modder. Maar het is geen romantische landschapskunst: de natuur is wat het is, en Long projecteert er maar heel zelden een eigen idee op. Soms wel – soms maakt hij bewust iets herkenbaars. Zijn Connemara Sculpture uit 1971 is een labyrintje van keien. Soms wordt zomaar ergens een steen opgeraapt en een eind verder weer neergelegd, soms is dat een bewuste actie. In 1987 bijvoorbeeld: ‘Een steen van het strand van Aldeburgh op de oostkust gedragen naar het strand van Aberystwyth op de westkust. Een steen van het strand van Aberystwyth op de westkust gedragen naar het strand van Aldeburgh op de oostkust.’

De werken proberen zich niet aan het landschap op te dringen. Ze zijn niet ijdel, niet monumentaal, in de wandelingen gaat het niet om de prestatie. Pelgrimages zijn het niet en meditatie is het ook al niet, zei Long tegen me: ‘Neen. Ik heb nooit zen bestudeerd. Wat waarschijnlijk de beste manier is om zen te studeren.’

De wandelingen zijn lang. Ofschoon Long inmiddels de zeventig ruim is gepasseerd legt hij nog enorme afstanden af. Een paar jaar geleden nog liep hij in acht dagen 386 kilometer van Cornwall naar Oxfordshire, een kleine vijftig kilometer per dag. De voetgang is essentieel om plekken te vinden die zich lenen voor het maken van een sculptuur. ‘Ik maak deel uit van het landschap door er doorheen te lopen’, zei hij: lopen is een essentieel menselijke en tegelijkertijd een wereldbeschrijvende activiteit. ‘Als je een wandeling onderneemt, dan doe je iets wat in de hele geschiedenis van de mensheid doorklinkt. Lopen is een integraal deel van die geschiedenis. Mensen liepen te voet Afrika uit om de wereld in bezit te nemen. Ik volg op mijn eigen manier al die andere tradities van lopen.’

Lopen gaat over ritme. De werken van Long hebben allemaal iets te maken met de ritualiserende werking van het ritme waarmee een wandelaar – au fond een rechtop lopende aap – stap na stap zet, en zo de ruimte in zijn greep krijgt. De wandeling biedt de wandelaar een kader om verandering te zien, en dat meetinstrument van de hersenen registreert het complete universum. Al lopend wordt het lichaam de maatgever der dingen, met als eenheid de paslengte of de dagmars. Longs lopen is niet per se doelgericht, maar het bevat, denk ik, wel een doel in zichzelf: het is progress, als van John Bunyans Pilgrim: een beweging in de richting van een betere of meer ontwikkelde toestand.

De beschrijving van zo’n wandeling is in feite een plaatsbepaling, een kaart. Als de zichtbare en onzichtbare paden die ontstaan door het contact met de wereld worden vastgelegd worden dat kaarten, in duizenden vormen. Een rozenkrans is een kaart. Een Pollock-schilderij is een kaart. Een sonnet is een kaart. De zin ‘113 Walking Miles/ Between One Shower of Rain and the Next’ is een kaart.

De schrijver Richard Holmes liep voor zijn biografieën van Shelley, Coleridge en Robert Louis Stevenson alle voettochten van zijn onderwerpen na, en schreef dat de poëzie van Coleridge, bijvoorbeeld, pas werkelijk voor hem was gaan leven toen hij begreep dat die al lopend in Coleridge’s geest was ontstaan, op het ritme van diens – tamelijk haastige – pas. Zo zie je Long ook lopen (Spanish Stones, 1988): ‘A coast to coast walk of 410 miles in fourteen days/ from the Bay of Biscay to the Mediterranean/ making cairns of wayside stones along the way.’


Richard Long, t/m 16 juni in museum De Pont, Tilburg; depont.nl. Richard Long: From the River, drie grote cirkels, getekend met modder uit de Avon, t/m 19 mei in het Kröller-Müller Museum; [krollermuller.nl](http://krollermuller.nl)