Lopen op het niets

Roberto Bolaño is de beste dode schrijver van dit moment. Zijn postume meesterwerk 2666 is geen roman, maar een tombe waarin zijn schrijverschap ligt begraven.

ROBERTO BOLAÑO
2666
Meulenhoff, 1088 blz., € 49,95

Er bestaan verschillende verhalen over leven en dood van Roberto Bolaño. Geboren in Chili, in 1953. Zijn vader was een vrachtwagenchauffeur en amateur-bokser, zijn moeder een lerares die hem poëzie gaf om hem over zijn dyslexie heen te helpen. Hij verhuisde in 1968 naar Mexico-Stad. De jonge Roberto spijbelde vooral en maakte van boeken stelen een kunstvorm. In 1973 ging hij terug naar Chili, uit het ideaal om Salvador Allende te helpen, maar hij arriveerde vlak voor de coup van Pinochet. Bolaño werd opgepakt en had kunnen eindigen zoals die duizenden generatiegenoten die gevangen gezet of geëxecuteerd werden. In plaats daarvan werd hij in zijn cel ontdekt door oude klasgenoten die voor het nieuwe regime werkten, en vrijgelaten.
Hij keerde terug naar Mexico, waar hij een avant-gardedichter werd, een infra-realist, wat er in de praktijk vooral op neerkwam dat hij door andermans lezingen heen schreeuwde – deels uit overtuiging, deels uit zijn waarschijnlijke heroïneverslaving. Uiteindelijk vertrok hij naar Spanje waar hij moeizaam de rekeningen betaalde met baantjes als vuilnisman en bordenwasser. Hij kreeg een zoon en een dochter en streek neer in Blanes, een mondain dorp aan de Costa Brava
Om zijn kinderen te voorzien van een beter inkomen, en in de wetenschap dat hij een leverziekte had waardoor hij niet oud zou worden, stapte Bolaño over van poëzie op proza. In tien jaar tijd schreef hij een oeuvre bij elkaar waar andere schrijvers een heel mensenleven over zouden doen. Toen hij in 2003 stierf, stond hij boven aan de lijst voor levertransplantaties en was hij in het Spaanse taalgebied een ster.
Dit alles kan waar en niet waar zijn. Volgens zijn vrouw was hij nooit aan heroïne verslaafd, volgens oude klasgenoten was hij niet in Chili tijdens de coup van Pinochet. Bronnen spreken elkaar tegen. En zelf mystificeerde Bolaño zichzelf nog eens extra en speelde hij een spel met het personage Arturo Belano, een alter ego dat alle autobiografische gegevens met de auteur lijkt te delen, maar net even iets anders is.
Al eerder verscheen wat werk van hem in Nederlandse vertaling, maar dat bleef vrijwel onopgemerkt. Maar sinds in 2007 de Engelse vertaling van Los detectives salvajes (1998; The Savage Detectives) verscheen is Bolaño een hype in de Verenigde Staten, waar de recensenten lyrisch enthousiast zijn. Zowel Detectives als het postuum verschenen 2666 werd door The New York Times uitgeroepen tot een van de vijf beste romans van het jaar, en op de website van The New Yorker werd een Month of National 2666 Reading afgekondigd, waarop verschillende recensenten alle mogelijke facetten van het boek bespraken.
Met die hype op de achtergrond verschijnt 2666 nu in het Nederlands, vertaald door Aline Glastra van Loon en Arie van der Wal, bij Meulenhoff, tegelijk met een heruitgave van De wilde detectives. Het zijn twee mijlpalen in een oeuvre dat gelezen en herlezen moet worden, waar academici op moeten en zullen promoveren, dat David Lynch of Guillermo del Toro eens zou moeten proberen te verfilmen – en dat verplicht leesvoer moet worden voor iedereen in Nederland die zichzelf Schrijver durft te noemen, want als een elektrische storm blaast Bolaño een wind door dat genre dat zo vaak stoffig en braaf en voorspelbaar is, de Roman.

2666 verscheen postuum, in 2004. 1088 pagina’s. 2666 is geen roman maar een tombe, waarin het schrijverschap van Bolaño begraven ligt. Het is een roman in vijf delen die elkaar nauwelijks overlappen en die zich centreren rond de grensstad Santa Teresa, een amper gecamoufleerde fictieve versie van Ciudad Juárez, waar de laatste vijftien jaar bijna vierhonderd jonge vrouwen werden vermoord.
Het eerste deel gaat over een groepje jonge academici. Een Fransman, een Italiaan, een Spanjaard en een Britse groeien in hun respectieve landen uit tot experts op het gebied van Benno von Archimboldi, een mysterieuze Duitse schrijver. De vier raken steeds meer geobsedeerd door Archimboldi en trekken elkaar door hun hechte (liefdes)relatie steeds verder die obsessie in. Als ze horen dat de Duitser in een Mexicaanse grensstad gesignaleerd is, reizen ze er naartoe en lijkt elke ambitie of hoop uit ze weggezogen te worden.
Deel 2 draait om Amalfitano, een Mexicaanse hoogleraar die langzaam gek begint te worden uit zorgen om zijn dochter, van wie hij vreest dat ze nummer zoveel-honderd wordt van de vermoorde vrouwen.
Deel 3 draait om Oscar Fate, een zwarte Amerikaanse journalist die naar Santa Teresa wordt gestuurd om te berichten over een bokswedstrijd. Fate heeft geen verstand van boksen en raakt geïnteresseerd in het verhaal van de vermoorde vrouwen. Hij ontfermt zich over Rosa, de dochter van Amalfitano, voor wier leven hij vreest.
Bolaño goochelt met genres. Het eerste deel doet denken aan de college novel zoals we die kennen van schrijvers als Scott Fitzgerald en Bret Easton Ellis. Zoals die romans altijd bepaalde stereotypen opvoeren – de studiebol, de feestganger, de sportieve playboy et cetera – zo speelt Bolaño hier met stereotypen van de nationaliteiten. De Fransman Pelletier is glad en charmant, de Spanjaard Espinoza is opvliegend en larmoyant, enzovoort. Het tweede deel over Amalfitano is een joyceaanse stream of consciousness; het derde deel is een hard boiled verslag à la Norman Mailer of Raymond Chandler. Poëzie is nooit ver weg; Bolaño schetst zijn verhalen in dromerige, abstracte beelden: ‘De Universiteit van Santa Teresa leek op een begraafplaats waar men onverwacht en op een zinloze manier was begonnen na te denken. En hij leek op een lege discotheek.’
Dan komt het vierde deel, dat niets minder is dan een aanslag op de lezer. In droog proza lepelt Bolaño als in een politieverslag de ene na de andere vondst van een vrouwenlichaam op, verkracht, gewurgd, stuk gesneden. Dat gaat bijna driehonderd bladzijden zo door, monotoon, gruwelijk, alsof hij de lezer uitdaagt het boek weg te leggen, weg te kijken, zoals justitie in Mexico en de rest van de wereld ook al jaren doen.
Het laatste deel is de biografie van Benno von Archimboldi, geboren als Hans Reiter in de bossen van Zuid-Duitsland. Als kind verdronk hij bijna in het badwater – laat hem liggen, zei zijn vader tegen zijn moeder: kijken wat er gebeurt – en onder water voelde hij zich thuis. ‘Hij hield ook niet van de zee, of van wat door de gewone sterveling de zee wordt genoemd en wat in feite alleen de oppervlakte van de zee is, de door de wind opgezweepte golven die allengs veranderd zijn in de metafoor van de nederlaag en de waanzin. Waar hij wél van hield was de zeebodem, dat andere land vol vlakten die geen vlakten waren, valleien die geen valleien waren en afgronden die geen afgronden waren.’
Daarna gaat de ongewoon lange Hans door het leven alsof hij onder water is. Hij wordt opgeroepen voor het leger, vecht aan het Oostfront, aanschouwt de vernietiging van Europa, overleeft in een gevangenkamp – allemaal met een schijnbare afstand, alsof wat er gebeurt niet echt op deze wereld plaatsvindt. Hans overleeft en begint met schrijven, niet om zijn ervaringen met de wereld te delen, maar om ze te verhullen. Hij vlucht steeds verder weg van zijn lezers, totdat niemand meer weet waar hij is. Pas als zijn neef in Mexico wordt verdacht van tientallen moorden reist hij af naar Santa Teresa. Daar eindigt het boek, abrupt.
Het zegt veel over Bolaño dat hij pas proza ging schrijven toen hij geld nodig had; diep van binnen is hij zichzelf altijd als dichter blijven beschouwen. En dat is te merken, want nergens schrijft hij als een gelikte romancier. Centraal in zijn werk staat de exodus van linkse intellectuelen en schrijvers die het Latijns-Amerika van de militaire junta’s ontvluchtten naar Mexico en Europa, en als een stiefkind van de door hem bewonderde Jorge Luis Borges zocht hij steeds andere vormen voor zijn verhalen; Nocturno de Chile (2000; vertaald als Chileense nocturne) is een ononderbroken monoloog bestaande uit twee lange alinea’s, van een ‘foute’ jezuïtische priester die op zijn doodsbed nadenkt over zijn leven als Opus Dei-agent en literair criticus. Het hilarische Historia de la literatura Nazi en America (1996; alleen in het Engels vertaald, als Nazi literature in the Americas) is een geannoteerde encyclopedie met biografieën van fictieve fascistische schrijvers. Los detectives salvajes (De woeste detectives, een geweldig grappig portret van een groepje stelende, neukende en dichtende tieners in het Mexico-Stad van de jaren zeventig, onder leiding van Arturo Belano) is deels een dagboek, deels oral history.
Ook in 2666 spot Bolaño met geijkte romanvormen. In het eerste deel wordt een verhaal verteld over een vader en zoon die deelnemen aan een paardenrace, waarin ze allebei de wedstrijd saboteren om elkaar te laten winnen. Het is een romantisch verhaal over vaders en zonen, machismo, over liefde voor een vrouw – het type verhaal waar iemand als Isabel Allende of García Márquez een hele roman omheen gebouwd zou hebben. Bolaño vertelt het ongeïnteresseerd, via-via, in één lange slordige alinea; een sneer naar zijn Latijns-Amerikaanse collega’s.
Het boek zit vol open eindes, nergens komen de verhaallijnen verhelderend samen. Bolaño’s metaforiek werkt eerder vervagend dan dat ze illustreert. Sommige passages zijn verveeld geschreven en ontoegankelijk. Echt uitgediepte vrouwelijke personages zijn er nauwelijks. Maar dat maakte Bolaño niet uit. Zoals hij de verstrooide professor Amalfitano laat zeggen: de beste boeken zijn ‘de grote, onvolmaakte, onstuimige werken die zich een weg banen in het onbekende’.
Als 2666 een pad in het onbekende is, wat is dat onbekende dan? 2666 lijkt over het Kwaad te gaan. Overal worden personages geconfronteerd met geweld, de dood, haat. Maar eigenlijk kijkt de roman het Kwaad juist niet recht in de ogen. Veel van de moordende personages zijn gek, de moordenaars van Santa Teresa blijven anoniem en worden nergens in actie gezien. Het boek gaat over vluchten.
Daar kom je bij de titel: 2666. Nergens wordt het getal genoemd. Amerikaanse critici dachten dat Bolaño ‘To 666’ bedoelde, dus ‘Op weg naar 666’, het nummer van het Beest, dat met de Apocalyps wordt geassocieerd. In zijn werk noemt Bolaño het getal één keer, in Amuleto. Van de boeken die zijn generatie bezingen heeft Amuleto de warmste stem, die van Auxilio Lacouture, de ‘Moeder van Mexicaanse poëzie’, die in 1968 tijdens de bezetting van de universiteit door het leger als enige de faculteit niet ontvlucht, maar zich twaalf dagen verschuilt op het damestoilet. Daar raakt ze wat Kurt Vonnegut ‘unstuck in time’ zou noemen (Bolaño en Vonnegut delen hetzelfde sinistere gevoel voor humor); ze herinnert zich haar verleden, maar ook haar toekomst, tot ver voorbij haar dood.
Op een avond achtervolgt ze haar lievelingetje onder de jonge dichters, het lefgozertje Arturo Belano, als hij een collega-dichter uit de schulden bij een pooier probeert te helpen. Ze volgt hem naar een smerig, uitgewoond hotel, aan Avenida Guerrero: ‘Guerrero (…) lijkt meer op een kerkhof dan op een brede laan, geen kerkhof in 1974 of in 1968, of 1975, maar een kerkhof in het jaar 2666, een vergeten kerkhof onder het oog van een lijk of een ongeboren kind, badend in de onhartstochtelijke vloeistoffen van een oog dat zo hard geprobeerd had één specifiek iets te vergeten dat het uiteindelijk al het andere vergat.’
Amulet eindigt met een visioen van Auxilio waarin alle kinderen die onder Latijns-Amerikaanse junta’s zijn omgekomen lieflijk zingend, hand in hand een bodemloze afgrond in lopen. Het visioen is vol liefde beschreven en hartverscheurend om te lezen; een onvergetelijk beeld, literatuur van de hoogste klasse.
Waar in Amulet die afgrond nog ergens in de verte is, is hij in 2666 onder je voeten. Elk personage, elke familie, elke emotie staat op het punt om te verdwijnen in het gapende niets. Daarin moet ook de titelverklaring schuilen: volgens Thora- en Kabbala-teksten zaten er precies 2666 jaren tussen de dag waarop God de Mens schiep en de Exodus uit Egypte. Net als Bolaño’s andere boeken draait 2666 om vlucht en ballingschap. De Europese academici en Archimboldi vluchten hun levens uit, een leven van Kunst in. Oscar Fate en Rosa vluchten uit een wereld die meer is dan ze aankunnen. En de vermoorde vrouwen, zij zijn degenen die het niet gehaald hebben, voor wie ballingschap te laat kwam. Zelden is pure horror zo in een boekvorm gegoten. Dat is de kracht van het proza van Roberto Bolaño, het is eng en het leeft, en je kunt je ogen er niet van af houden.