Lord Voldemort (29 juni 1997 – 15 juli 2011)

Ook bekend als ‘De Heer van het Duister’, ‘Marten Asmodo Vilijn’, ‘Jeweetwel’, ‘Hij-die-niet-genoemd-mag-worden’. De antagonist van Harry Potter.

‘MR AND MRS DURSLEY, of number four, Privet Drive, were proud to say that they were perfectly normal, thank you very much.’ O, J.K. Rowling, wist ze wat ze ons aandeed toen ze Harry Potter de wereld in lanceerde, in de zomer van 1997?

Het is inmiddels afgezaagd om op te sommen welke records Rowling heeft gebroken met haar saga rond de bebrilde tovenaarsleerling, hoeveel boeken ze heeft verkocht, hoeveel mensen de verfilmingen hebben gezien, hoeveel miljard ze heeft verdiend – met de release deze week van de film Harry Potter and the Deathly Hallows, deel 2, komt definitief een einde aan de verbeelding van haar personages. Misschien komen er nog officiële stripboeken, themaparken (er staat er al een in Florida), computerspelletjes en online role playing games, toch is Deathly Hallows deel 2 het laatste Potter-project waarin de lezer louter wordt vermaakt met Rowlings verhaal. Alles hierna is een aftreksel.

Harry overleeft zijn avonturen, dat mag inmiddels bekend worden verondersteld; heer Voldemort, zijn antagonist, niet. Als straks de aftiteling over het beeldscherm rolt kun je nog fantaseren hoe het met Harry afloopt, met zijn vrouw, zijn kinderen. Voor Voldemort is dit het einde van een lange weg. Hij was een bad guy die inmiddels de popstatus heeft die voor weinigen is weggelegd, misschien Gollem of Darth Vader.

In deel 1 was hij nog een schim, een geest die het lichaam van een van Harry’s leraren heeft overgenomen; in deel 2 verscheen hij alleen in een magisch schoolschrift; in deel 3 was hij helemaal absent, en pas in deel 4 keerde hij terug naar zijn lichaam, bleek, met neusgaten en pupillen als een slang, kaal als een steen.

Hij-die-niet-genoemd-mag-worden. Heer van het Duister. Lord Voldemort. Of zoals later blijkt: Vol-de-mort, ‘vlucht van de dood’. Niemand hield van hem, en hij hield van niemand. Het zwart van Harry’s wit. Hij groeide op zonder ouders, in een weeshuis. Hij stal, martelde kinderen toen hij ontdekte magische krachten te hebben. Hij beloofde beterschap toen hij op de toverschool Hogwarts kwam, maar toen hij eenmaal merkte dat hij krachtiger was dan de andere studenten specialiseerde hij zich in de ‘dark arts’ om iedereen te kunnen onderwerpen. Toen Harry een baby was vermoordde hij diens ouders omdat een ziener had voorspeld dat Harry zijn ondergang zou betekenen; toen hij zijn toverstaf op baby Harry richtte, ketste zijn spreuk terug – ‘Avada kadavra!’ – en leefde hij meer dan tien jaar als een schim, gescheiden van zijn vernietigde lichaam.

In The Goblet of Fire (boek 2000, film 2005) krijgt hij zijn lichaam terug. Het is een gruwelijke scène. In een heksenketel boven een vuur snijdt een volgeling vrijwillig zijn hand af, beenderen uit het graf van zijn vader worden in de ketel gegooid, bloed van de gegijzelde Harry wordt vermengd met de botten en de afgehakte hand – en uit de nevel groeit een gebocheld baby-achtig gedrocht, binnen een paar tellen tot een vel-over-been, skeletachtige gestalte. Rode ogen, snerende stem, meteen schiet hij naar zijn aartsvijand Harry toe:

‘After tonight if they speak of you, they will speak only of how you begged for death, and I, being a merciful lord, obliged.’

De terugkomst van de fysieke Voldemort in de films betekende ook een verschuiving van het genre, waarin het etiket jeugdfilm definitief werd achtergelaten. De eerste twee films, geregisseerd door Chris Columbus, hadden iets braafs, ze mikten duidelijk op de kindermarkt. Bij de derde, The Prisoner of Azkaban (2004), ging het roer om: de Spaanse regisseur Alfonso Cúaron maakte er een donkerder verhaal van, Harry was eenzamer, de camera draaide vaker van hem weg en registreerde de donkere bossen en grauwe, harde bergen rond Hogwarts. Cúaron was de enige die van buiten de geschriften van Rowling durfde te putten, en Azkaban de geweldig omineuze tagline gaf, geleend van Shakespeare’s Macbeth en in de film gezongen door een hoog kinderkoortje: ‘Something wicked this way comes.’

Toch is het soms jammer dat niet meer regisseurs zich aan de boekverfilmingen hebben mogen wagen, mensen als Peter Jackson, David Nolan of Tim Burton hadden de serie meer afwisseling kunnen geven, visueel en thematisch. In haar boeken laat Rowling Harry nooit te zelfbewust worden, zijn gevoelens hebben vaak iets ambivalents – daar hadden regisseurs meer mee kunnen doen. Na Cúaron was Mike Newell aan de beurt, die van het vierde deel, The Goblet of Fire (ondanks de heftige wedergeboorte van Voldemort) weer iets zoets maakte. Newell legde de nadruk op de geweldig glamoureuze balscène, en haastte zich wat door de plot (de spannendste en meest omvangrijke uit de serie). De laatste vier verfilmingen kwamen van Richard Yates. Dat deed hij buitengewoon capabel; in zijn films wisselen de humor en de actie elkaar het behendigst af. Hij liet de camera dicht op Harry komen, je hoorde hem ademen, hijgen, nog net niet zijn hart kloppen – Harry werd van vlees en bloed.

En Harry’s menselijkheid straalde tegenover Voldemorts onmenselijkheid. Harry was ook een wees, groeide op bij zijn vreselijke oom en tante – de Dursleys, wier uptight, paniekerige denken al in de eerste zin van het eerste boek resoneerde – die hem in de bezemkast onder de trap lieten slapen. Toch hield Harry van iedereen, van zijn familie, zijn vrienden, zijn leraren, de slaafachtige huiselfen, hij vergaf zijn vijanden en zag in hoe meelijwekkend Voldemort was. Daar kun je niet tegenop concurreren. Eigenlijk heeft Voldemort nooit een eerlijke kans gekregen om onze harten te winnen.