A-punt Moonen is een gek

Los van de wereld

Hij zit regelmatig in een inrichting, de schrijver A punt Moonen. Wankelend aan de zelfkant van de literatuur, houdt hij meer van boeken dan Harry Mulisch ooit zal doen.

Het is niet politiek correct om te zeggen: «Dat is een gek.» En dat vervolgens ook te menen. Gekken heten patiënten, of nog erger: cliënten. Maar de schrijver A. Moonen noemde zichzelf «een gek». Waarom?

«Ja, luister — oehoe — m'n beste, ik heb 23 keer in een inrichting gezeten — hallo, bent u daar nog — ja, ik ook — nou, dan kun je me toch moeilijk normaal noemen, nietwaar? Afgezien daarvan, m'n beste, m'n huwelijk met Yilmaz — hij heeft me vannacht 23 keer genomen, echt waar, van achteren, hij kon er geen genoeg van krijgen — is ook niet wat je noemt normaal.»

Altijd met die stem die wat hoog lag.

A punt Moonen — zo werd hij graag genoemd.

«Waar staat die punt voor, Moonen?»

«Voor de M, m'n beste.»

Ik leerde hem kennen op een boekenmarkt, ruim twintig jaar geleden. Van hem was Stadsgerechten verschenen — een boek dat indruk had gemaakt. Het waren verhalen met «een opvatting», zoals we dat toen noemden: het droeg een uitermate vreemd wereldbeeld uit — en daar hielden wij van. Wij herkenden de schrijvers die Moonen hadden geïnspireerd, en die bevielen ons ook: Gerard Reve, Jan Arends, Feylbrief… Schrijvers die, op hun manier, eveneens aan de zelfkant van de literatuur wankelden. Reves wereld — in Stadsgerechten schrijft hij brieven aan zijn vriend Jan — was er een waarin een Helder Joch een rol speelde, en aan alles werd duidelijk dat vooral de poëzie van een pedofiele omgeving werd geschetst; de onmogelijke liefde voor een jonge jongen, de schoonheid van het verval, de aantrekkingskracht van de zelfkant — dat alles geschreven met humor.

Op die schrijversmarkt in een voormalige kerk aan het Kattegat in Amsterdam was Moonen prominent aanwezig. Het was 1980. De jaren zeventig waren krap voorbij; Moonen droeg een strakke ribfluwelen broek («Mijn sexbroek»), had een gemillimeterd hoofd en was luidruchtig, vooral waar het ’t aanspreken van aantrekkelijke dames betrof.

«Zeg jongedame, mag ik een jarretel over uw dij spannen, wilt u mijn ondergoed zien? Ik heb vandaag mijn Franse broekje aan.»

Moonen moest op die boekenmarkt signeren. Stadsgerechten was verschenen bij De Bezige Bij en die lieten niet alleen hem, maar op hetzelfde moment ook Harry Mulisch signeren. Het gevolg was dat er een enorme rij voor Mulisch stond en helemaal niemand bij Moonen. Die werd daar kwaad over. «Oké, dan heb ik een kutboek geschreven, neem het dan maar zo!» waarna hij zijn eigen boek aan stukken scheurde en de bladzijden als confetti over Mulisch en diens fans probeerde te werpen.

«Moonen, dat moet je niet doen», zei Mulisch zuinigjes met zijn pijp tussen zijn tanden geklemd, «je moet respect hebben voor boeken». Mulisch begreep het niet; althans hij begreep op dat moment niet dat Moonen meer van zijn boek en de literatuur hield dan Mulisch ooit zal doen.

«Die Moonen moeten we gastredacteur van Propria Cures maken», zei ik tegen mederedacteur Vic van de Reijt.

Zo gezegd, zo gedaan.

Moonen was inderdaad een gek. Maar ook zo aardig en aandoenlijk.

Hij woonde in de Jan van Galenstraat in Amsterdam. Op een dag werden we uitgenodigd omdat hij jarig was. In zijn woning stond niets. Het was een grote lege kamer met alleen een vloerkleed, wat stoelen en een kleine tafel. Daarnaast lag zijn werkkamer met een bureau en een tikmachine. Moonen schreef alles met de hand met een ballpoint en op van die snel vergelende kladblokvellen die hij in de lengte doormidden vouwde.

Hij ontving ons gekleed in netkousen met jarretels en paarse pumps en droeg inderdaad zijn Franse broekje — zo was ik al eens vaker ontvangen, ook als ik gewoon met hem ging schaken. Nadat we hadden gelachen om zijn outfit en verhalen («Daarnet was Yilmaz hier nog, hij heeft me dertien keer geneukt — hoe doen die Turken dat toch?») kleedde hij zich om. Dit keer in een gewone broek.

Ooit ben ik met de schrijver A punt Moonen — die liefhebberde in het lopen in dure Franse lingerie — nadat hij een voorschot had bedongen, naar de Bonnetterie gegaan om een nieuwe collectie Franse broekjes te kopen. Moonen, die als het ware «los van de wereld» stond, liep naar een dame en zei: «Ik wilde graag zo'n Frans slipje met zo'n hemdje, u weet wel… het is voor mezelf.» En of het de gewoonste zaak van de wereld was, werd Moonen geholpen, die daarna die twee paarse pumps kocht, maatje 43 en daarmee vrolijk door de winkel liep, roepende: «Niet zo kijken, hoor jongens, ik heb mijn benen nog niet geschoren!

In de kamer was al bezoek. Volgens mij zag ik de tekenaar Dirk Wiarda, een jongen die «de Roodschrijver» werd genoemd, een boekverkoper van Athenaeum en — tot mijn stomme verbazing — Kees Lekkerkerker, de grote Slauerhoff-kenner die ik ooit had ontmoet als medewerker van het Letterkundig Museum in Den Haag. Moonen had wat cola en bier voor ons. Het stond op een tafel waarboven hij een papier had gehangen waarop stond: «Zelfbevrediging.» Hij bedoelde daarmee dat we zelf voor ons eten en drinken moesten zorgen. Dat eten zal ik niet licht vergeten. Moonen had voor ons allemaal lekkere boterhammetjes gemaakt en die op naam in een apart zakje gedaan en op die tafel gelegd. «Zo kan er geen ruzie ontstaan.» Hij vond het heerlijk om ons allemaal een pakje met brood te geven, en terwijl we zaten te eten, las hij ons voor uit zijn eerste manuscript Zalf voor de dood, dat toen nog niet verschenen was.

Hij was een figuur in Amsterdam — deze Rotterdammer. Als hij weer achter het station had rondgehangen en wat sombere koffiehuizen had «gefrequenteerd» (Moonen mocht zich graag archaïsch uitdrukken) bezocht hij zijn vrienden in de stad. Ik was toen net vader geworden. Ik herinner me dat hij het heerlijk vond om achter de wandelwagen te lopen waar mijn dochter in lag. Op mij wijzend zei hij dan: «Dit is mijn man, en dit is ons kind, we noemen haar Loempiaatje.» Gezien mijn afkomst had en heeft mijn dochter een ietwat getint uiterlijk. Iedereen in het Vondelpark hield hij aan.

«Je zou niet zeggen, hè, dat ik een vrouw was — maar ja, hij (op mij wijzend — thh) wilde dat ik me liet ombouwen. Maar ik ben en blijf natuurlijk toch een vrouw.»

En plotseling kon hij dan heel serieus over literatuur spreken. Over Achter groene horren, dat hij een meesterlijk boek vond, of over Samuel Beckett die het volgens hem helemaal begrepen had. Maar het mooist kon hij vertellen over zijn grote liefdes: Céline, Reve, Arends en Loesberg.

Robert Loesberg leefde toen nog, en Moonen vroeg mij of ik niet kon bemiddelen dat hij die eens zou zien. Dat is me nooit gelukt. Wel zat hij een keer in café Welling met wijlen Adriaan Venema te praten. «Zo jongeman, is de oorlog al afgelopen?» vroeg Moonen, «en weet u dat ik nog steeds NSB'er ben… En wilt u uw pijp op uw hoofd uitkloppen, hij stinkt enorm, ik ga hier toch ook niet met een open gulp rondlopen…» Na zeven minuten stond Venema op en liep weg met de luide uitroep: «Jan Arends was een stuk leuker.»

Moonen was inderdaad labiel. Hij is tenslotte gek. Hij kon zo manisch worden — en dan wist je: nu gaat het fout. Op een avond raakte hij «ver heen». Ik was gebeld door de buren. Moonen was dingen naar buiten aan het gooien. Ik nam een taxi en zag dat Moonen — geheel naakt — druk doende was zijn boeken over de Jan van Galenstraat te zeilen.

Ik kwam boven en zag daar een aantal bekenden: weer die boekverkoper uit Athenaeum die zei dat hij de psychiater professor Kuiper al had gebeld die had gezegd dat gewoon eerst de huisarts gebeld moest worden, Pim Oets herinner ik me, en nog een meisje dat ik niet kende en snel weer wegging. Het huis was een troep. Moonen had zijn bed tegen de wand gezet, had hier en daar tegen de muur gepist en op de grond gekakt, was voortdurend met een dildo in de weer die hij in zijn kont stopte, en schreeuwde onsamenhangende dingen. Het was duidelijk een psychose, al had ik dat nog nooit gezien.

Het verhaal van die avond is eigenlijk onmogelijk in een beperkt aantal woorden op te schrijven. Nooit zal ik vergeten dat ’s nachts de dienstdoende huisarts kwam, een hindoestaanse dokter die luisterde naar de naam Samdoeharsingh of iets dergelijks. Een wat burgerlijke, oudere man. Toen Moonen hem zag, ging hij met zijn rug voor de arts staan, bukte zich en dreef een dildo in zijn reet, waarop de arts tegen mij zei met een zwaar accent: «Volgens mij is deze mijnheer homofiel.»

Een ander hoogtepunt kwam vele uren later toen eindelijk, eindelijk «de rijdende psychiater» was gearriveerd in de hoedanigheid van een vrouw. Een bitch. Moonen pikte dat niet. «Kunnen ze niet een echte dokter sturen?» Hij werd agressief, onbenaderbaar, zwaar beledigend, ging weer pissen en kakken, gooien… Na weer een lange tijd wisten ze hem een injectie te geven waarna hij rustiger werd en afgevoerd kon worden. Maar hij bleef zich verzetten. En opeens leek de injectie niet meer te werken. Hij wilde wel naar mij luisteren. Ik praatte op hem in en eindelijk lukte het me om hem naar beneden te krijgen. In de Jan van Galenstraat stond de ambulance. «Het is niet erg Moonen, ga er nou gewoon in.» Er stonden allemaal mensen te kijken en die lieten zich niet wegsturen. Moonen wilde dat ik eerst de ambulance in ging. Dat deed ik, en toen ik in de ambulance zat, gooide Moonen de deuren dicht zodat ik in de ambulance opgesloten zat, en zei hij keihard tegen de broeders en de mensen op straat: «Dat is de columnist Theodor Holman. Breng hem maar snel weg, hij heeft een psychose.»

Ik bezocht Moonen regelmatig in Bullewijk dat toen net was gebouwd. Ik sprak met zijn psychiater die weigerde de boeken van Moonen te lezen, terwijl daar volgens mij alles in stond. Ik kreeg niet de indruk dat Moonen goed werd behandeld. Ze spoten hem plat. Van mijn bezoeken deed ik steeds een kort verslag in Propria Cures.

Toen Moonen uit de inrichting was ontslagen, was hij niet meer de oude. Hij sprak over lithium- en kaliumbalansen, maar hij was zijn gezellige hypermanische gedrag kwijt. Hij gedijde niet meer — sommigen gedijen door hun vorm van krankzinnigheid. Hij kwam nog in cafés, deed nog «raar», schreef — maar het beviel hem niet

Wel zette hij zijn contacten met Yilmaz voort. Ik heb Yilmaz één keer gezien, samen met uitgever Kees Aarts. Yilmaz was een grote, dikke Turk, compleet met snor. Toen wij binnenkwamen, hadden de heren waarschijnlijk net seks gehad en stonden onder de douche. Yilmaz sprak nauwelijks Nederlands. Hij kwam onder de douche vandaan, ging breeduit in de kamer staan en Moonen moest hem helemaal afdrogen.

«Ja, zo hebben ze het graag. De vrouw staat helemaal in hun dienst en ik ben een goed vrouw voor Yilmaz. Ik ben een goed vrouw, hè Yilmaz.»

«Jij goed vrouw», zei Yilmaz.

Moonen wilde terug naar Rotterdam waar hij vandaan kwam. Waarom hij dat besluit plotseling nam, weet ik niet. Wel hoorde ik dat hij een paar maanden later «op de vleugels van de giro» (zo noemde hij een creditcard) naar een of ander warm vakantieland was geweest; niet alleen had hij daar de boel op stelten gezet, het vliegtuig had op een gegeven moment rechtsomkeert moeten maken. De lithium- of kaliumbalans zal wel ontregeld zijn geweest.

Weer later hoorde ik dat hij wederom was opgenomen — en dat hoorde ik steeds met enige regelmaat.

Nu, twintig jaar later, ben ik hem, helaas uit het oog verloren. Ik krijg geen contact met hem. Via via verneem ik dat hij af en toe Rotterdam nog wel eens onveilig maakt.

Via internet vind ik alleen een foto van hem: Moonen die twee naakte opblaaspoppen omhelst, een plastic man en een plastic vrouw. De foto treft me.