Los van kerk en staat

In 1880 richtte Abraham Kuyper de Vrije Universiteit op: wetenschap op christelijke leest. Maar anno 1999 zijn ‘de idealen van Abraham de Geweldige verkwanseld’. De rector-magnificus maalt er niet om: ‘Christelijke wetenschap bestaat helemaal niet.’

‘ZIJ, IN WIER handen de hoogheid over deze Stichting rust, droegen mij de taak der ere op, om hun school voor hoger onderwijs in te wijden, door ze op het publieke levensterrein in te leiden bij Overheid en Volk.’ Zo begon Abraham Kuyper op 20 oktober 1880 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam zijn vermaarde openingsrede 'Souvereiniteit in eigen kring’. Het markeerde het begin van de Vrije Universiteit, waar niet gehinderd door 'de vermoeienis der antithese’ wetenschap 'los van staat en kerk’ bedreven kon worden. En op christelijke leest geschoeid, met de bijbel als uitgangspunt. Kuyper in zijn lange uiteenzetting: ’(“Souvereiniteit in eigen kring” zou U voorts de signatuur zijn óók van ons wetenschappelijk bedoelen. - Ook dit vat ik practisch op. Geen afgetrokken schoolse dorheden, maar beginselvastheid, diepte van inzicht, helderheid van oordeel, i.é.w. geheiligde denkkracht, als weerstandsmacht tegen wat door overmacht de vrijheid beperken wil in en van ons menselijk leven.’ In het betonnen bolwerk van de Vrije Universiteit in Amsterdam-Buitenveldert is van de illustere stichter nog maar weinig terug te vinden. Natuurlijk, Kuypers beeltenis is aanwezig: een streng borstbeeld in een achterafzaaltje, een onherkenbaar portret in een hypermoderne lichtwand, en de rector heeft nog een VU-spaarbusje op zijn bureau waarmee eens voor Kuypers ongesubsidieerde universiteit geld werd ingezameld. Al wat Kuyper inhoudelijk met de Vrije Universiteit voor ogen stond, is echter grondig weggepoetst. De VU is een academie als iedere andere. Dat is tenminste de oprechte mening van emeritus filosofie dr. A. Troost, kuyperiaan van het eerste uur. De idealen van Abraham de Geweldige zijn 'verkwanseld’, zegt hij. De christelijke wetenschapsbeoefening, dat waar de VU zich in onderscheiden moest, bestaat niet meer. Troost: 'Sinds de jaren zestig zegt de VU: wij moeten gewoon voorzien in de behoefte aan hoger onderwijs, niet meer en niet minder. Het woord antithese is een scheldwoord geworden. Er is geen speciale rol meer als christelijke universiteit, die zoekt naar een inhoudelijke kerstening van alle wetenschappen. Van dat oorspronkelijke kuyperiaanse ideaal is vrijwel niets meer over.’ TROOST (1916) begon zijn studie in Kampen: theologie. Aan de VU haalde hij zijn doctoraal en eind jaren vijftig promoveerde hij op de filosofische grondslag van de ethiek. In 1964 werd hij buitengewoon hoogleraar economische en sociale ethiek, drie jaar later gewoon hoogleraar filosofische ethiek. In deze jaren al was de VU gezwicht voor de academische wereld. De universiteit wilde 'erbij horen’. Je zag dat al aankomen in de jaren dertig, zegt Troost nu, inmiddels vijftien jaar met pensioen. In diverse gedenkboeken die tijdens het vijftigjarig bestaan van de universiteit verschenen, werden voortdurend liberale hoogleraren van buiten opgevoerd die blijk hadden gegeven van waardering voor een bepaalde VU-publicatie. 'Zie je wel, wij tellen mee’, leest de goede verstaander in de gedenkboeken van die eer ste jaren. Troost: 'De VU had in die tijd een enorm minderwaardigheidsgevoel aangepraat gekregen. Buiten de VU kon men slechts schamper over ons spreken, ons wetenschappelijk gehalte werd gewoon niet au serieux genomen. Ik herinner me een bijeenkomst van een theologisch studentenclubje in Leiden. Onder leiding van een zeer vrijzinnige hoogleraar spraken we over een bepaald boek. Ik bracht de filosofie van Dooyeweerd ter discussie. Bleek die hoogleraar dat niet eens te kennen! Bij mij aan de VU waren Dooyeweerd en Vollenhoven de belangrijkste filosofen. De Leidse hoogleraar beloofde Dooyeweerd te lezen en ons de volgende bijeenkomst erover in te lichten. “Nou, ik heb het ingezien”, zei hij een week later. “Maar, dit heeft helemaal niets met filosofie te maken. Het is gewoon kuyperiaanse theologie! De moeite niet waard.” Kijk, zo werd er buiten de VU over ons gesproken - niet vreemd dus dat er een minderwaardigheidsgevoel was.’ Toen Kuyper - zelf overigens nooit onder een minderwaardigheidscomplex lijdend - in 1920 overleed, werd men op de VU steeds gevoeliger voor wat de buitenwacht van de christelijke wetenschapsbeoefening vond. 'Men was verheerlijkt als van niet-christelijke kant complimenten kwamen’, zegt Troost. 'Als gevolg hiervan vond men het nodig met de tijd mee te gaan. In de jaren vijftig kwamen er al allerlei hoogleraren die zeiden dat Kuyper te hoog had gegrepen met dat ideaal van een christelijke universiteit. Dit waren mensen die niet met hun hart achter de oorspronkelijke idealen stonden. Zij zeiden: we moeten ons christen-zijn niet zoeken in de wetenschapsbeoefening, maar in de maatschappij. VU-hoogleraren die het bestaan van een christelijke wetenschap in de zin van Kuyper gewoon ontkennen!’ DE SCHOK VAN Troost is de waarheid van professor Taede Sminia, sinds twee jaar rector-magnificus van de Vrije Universiteit. 'Christelijke wetenschap’, zegt hij, 'bestaat helemaal niet.’ Sminia: 'Kuyper dacht in hiërarchische lijnen van geloof en wetenschap. Ik denk dat de mensheid inmiddels tot de conclusie is gekomen dat de wetenschap haar regels en wetten kent en dat daarnaast het geloof zijn regels en wetten kent. Het geloof heeft zijn eigenheid en de wetenschap ook. En voor elkaar kunnen ze een heleboel betekenen, maar slechts in de onderwerpkeuze. Tijdens de oprichting van de VU was er in de maatschappij nog een heilig geloof in zoiets als neutrale wetenschap. Inmiddels weten we al lang dat dit niet bestaat. De wetenschap wordt altijd in een bepaalde context beoefend en die context bepaalt de wetenschap. Wetenschap waarbij principes, gedachten, denkbeelden uit de bijbel een rol spelen is wel degelijk mogelijk. Als je naar het bijbelse verhaal kijkt, dan zit daar een aantal hoofdelementen in die kunnen meespelen in de bepaling van je onderwerp. Rentmeesterschap, dienstbaarheid, barmhartigheid - allemaal christelijke waarden, die humanistische waarden zijn geworden. Als je met dat soort termen aan de slag gaat en je probeert dat te vertalen, kun je in de wetenschap keuzen maken.’ Troost: 'Ik ben nog steeds van mening dat in de geest van Kuyper wetenschap bedreven kan worden. De idee van religieus neutrale wetenschap zoals die in de achttiende en negentiende eeuw mode was, verwerp ik nog steeds. Het grappige is dat in onze tijd ook buiten het christendom langzamerhand wordt ingezien dat er geen religieus neutrale wetenschap bestaat. Iedere wetenschap houdt verband met een levensbeschouwing en een werkelijkheidsbeschouwing die religieus geladen is. Het gaat hier om de verhouding tussen God en de werkelijkheid. Tegenwoordig zoekt men de antwoorden echter niet meer zozeer in de geest van het christendom maar in de geest van bijvoorbeeld het nihilisme of het relativisme. Of in de interreligiositeit. Op de middelbare school zei mijn wiskundeleraar: de projectie van een punt is weer een punt, dat hebben wij nu eenmaal zo afgesproken. Alle natuurwetten werden op dezelfde manier beschouwd als wetten die de mensen hebben uitgevonden en opgelegd aan de natuur. Daartegenover zei Kuyper: dit zijn geen wetten van de natuur, maar voor de natuur. Van God, voor de natuur. In de wetenschap is men op zoek naar regelmatigheden en wetten. De christelijke visie hierop is dat niet de mens dat allemaal onderling afgesproken en in mekaar gezet heeft, maar dat God dit al heeft geschapen. Dat zijn twee verschillende visies op de werkelijkheid: twee geloofsvisies.’ EEN EENDUIDIGE definitie van Kuypers ideaal is niet te geven. Voor fundamentalistische theologen, en die bepaalden tot ergernis van Troost met name in de beginjaren het klimaat aan de VU, betekende christelijke wetenschap in de eerste plaats nog steeds het verwerpen van de evolutietheorie die Darwin al in 1859, ruim voor de oprichting van de universiteit het licht deed zien. Maar in de jaarrede die Kuyper in 1899 op zijn VU uitsprak, blijkt van zijn kant een genuanceerder standpunt. 'Onze negentiende eeuw sterft weg onder de hypnose van het evolutiedogma’, luidde de beroemde eerste zin die in de verdere geschiedenis van de VU menigmaal aangehaald werd wanneer over geloof en evolutie gesproken moest worden. Kuyper was tegen het darwinisme, omdat het zichzelf overschreeuwde. Het wilde de enige waarheid zijn, zegt Troost. Maar Kuypers volgelingen in deze beginjaren wilden de nuances die hij legde volgens Troost niet zien. Pas in de jaren vijftig brak de bioloog Jan Lever aan de VU een lans voor een bescheiden acceptatie van een evolutietheorie. Hij haalde de belemmeringen van de evolutietheorie voor de gereformeerden weg door erop te wijzen dat ook dit 'maar een hypothese’ was. Troost deelt de nuances van Kuyper: 'De vraag naar het begin kan nooit wetenschappelijk beantwoord worden, daar is iedereen het over eens. Het is niet te onderzoeken. Dan helpt het christelijk geloof: met een antwoord vanuit de bijbel, de scheppingsdaad van God. Dit gaat de menselijke maat te boven.’ De 'knieval’ naar de evolutietheorie heeft de VU de nekslag gegeven, zo willen de fundamentalisten ons doen geloven. Troost is het hier niet mee eens: 'De orthodoxe theologie heeft vaak van de bijbel een soort informatieboek gemaakt voor natuurwetenschappelijke vragen. Maar je moet geloofswaarheden, theoretische waarheden en wetenschappelijke waarheden onderscheiden. De bijbel wil met de scheppingsverhalen wijzen op de goddelijke oorsprong van alle dingen. Hij wil helemaal niet een soort notulenboek van de schepping maken. Dan kom je juist in de problemen met die evolutietheorieën.’ Troost ziet het minderwaardigheidsgevoel, het idee 'erbij te willen horen’, als grotere oorzaak voor het loslaten van de idealen van Kuyper. De knieval voor het evolutiedogma is hier een gevolg van. Net als de knieval voor de liberale schriftkritiek onder theologen, eind jaren zestig, begin zeventig. 'Een radicale verloochening van de antithesegedachte zoals Kuyper die inspireerde’, fulmineert de emeritus. KOMMER EN KWEL, al met al. De VU heeft de idealen van de grote stichter verkwanseld en zou zó met een andere universiteit kunnen fuseren. Waartoe is de VU nu nog op aarde? Rector-magnificus Sminia ziet zeker nog een speciale positie voor de VU. Met het verhaal van Troost is hij het natuurlijk helemaal niet eens. De erfenis van Kuyper verkwanseld? Welnee. 'Kuyper zou juist trots zijn op deze universiteit’, zegt hij. 'Wij werken namelijk nog wel degelijk in zijn lijn. Hij wilde een universiteit maken, vrij van kerk en staat. Als hij tegenwoordig geleefd zou hebben, dan zou hij gezegd hebben: vrij van kerk, staat… én het bedrijfsleven. Gewoon onafhankelijk dus.’ Sminia heeft het verhaal vaker moeten afdraaien. Met een snelle kant-en-klare sheet demonstreert hij de bijzondere identiteit van de VU. Hij praat over de privaatrechtelijke universiteitsstructuur, de Raad van Bestuur (typisch geval van soevereiniteit in eigen kring, zegt Sminia), over mission statements. 'Wij zijn een gewone universiteit met een bijzonder karakter’, zegt hij ook. 'Wij hebben heel duidelijk een identiteitslabel dat we in onderwijs en onderzoek handen en voeten geven. Dat onderscheidt ons wel degelijk. Het is een label dat uitgaat van een bepaalde levensvisie waarbij bijbelse waarden heel belangrijke factoren zijn.’ En zo had Kuyper het bedoeld? Sminia: 'Je moet Kuypers visie in het teken van zijn tijd zien. Als hij nu zou zijn geboren, dan zou hij een vergelijkbare visie hebben als ik. Het was immers een verstandig mens. Dit alles is een doorvertaling van de denkbeelden van Kuyper in onderwijs en onderzoek van nu. Dat is anders dan toen, maar we zijn ook 120 jaar verder. En we zijn nog steeds heel anders dan de meeste andere universiteiten. We zijn gewoon én bijzonder, zeg ik altijd maar: we zijn een gewone, degelijke, middelgrote universiteit, maar bijzonder door onze pregnante keuzen voor bijvoorbeeld de verouderingsproblematiek, de zorg, het kind. Maar ook door het verplicht stellen van vakken als ethiek en filosofie.’ DE WIJSBEGEERTE moest in de leer van Kuyper binnen de Vrije Universiteit het verband tussen de verschillende takken van wetenschap aanbrengen. Toch hebben de theologen bijna altijd de overhand gehad. De filosoof Troost: 'Men verkondigde nog het middeleeuwse standpunt dat de theologie de koningin van de wetenschap was. Die gedachte heeft ertoe geleid dat in deze jaren alle andere faculteiten aan de theologen moesten vragen hoe het eigen vak christelijk kon worden. In de tijd van Kuyper ging dit nog wel goed, maar na zijn dood gaf dat moeilijkheden. In de jaren vijftig werd nog eens een poging tot kerstening van de andere faculteiten gedaan. Niets van terechtgekomen: theologie is nu eenmaal een andere wetenschap. Men behoort als theoloog te weten wat er in de bijbel staat, maar meer ook niet. In de sfeer van het amateurisme mag je iets zeggen over bijvoorbeeld de economie, maar je moet zeer beseffen dat je amateur bent. De filosofie heeft als wetenschap alle eeuwen de laatste en diepste grondvragen van de verschillende vakwetenschappen besproken. Dat is haar taak. Vragen naar de oorsprong kunnen slechts via geloof worden beantwoord. Wat in het midden van deze eeuw bij de gereformeerden nog theologische ketterij was, maar bij de filosofen overeind werd gehouden, dat was de gedachte dat “het geloven” de mens eigen is. Net zo structureel eigen als lopen en zingen en zien en praten… kortom: dat het geloven tot de menselijke natuur behoort. Ongeacht de inhoud van dat geloof natuurlijk, dat is in alle culturen verschillend. Er is in ieder geval geen mens zonder geloof, een mens kan niet niet geloven. Het leuke is: dat was Kuypers idee en alleen de filosofen hebben dat overeind gehouden. De term “soevereiniteit in eigen kring” las ik op de VU eigenlijk alleen nog maar bij de filosofen. Bij de theologen was dat helemaal aan het uitslijten. Een van de theologen merkte dat hij geestelijk vervreemdde van zijn faculteit. De theologen, zij hebben de erfenis van Kuyper verkwanseld.’ NA ZIJN PENSIONERING in 1984 heeft Troost nog enige jaren college gegeven aan de Evangelische Hogeschool in Amersfoort. Hier wordt een 'basisjaar’ verzorgd als opstapje naar de universiteit. De school is begonnen als een soort alternatief voor de VU, sinds daar de waarachtige christelijke wetenschap niet meer werd bedreven. 'Als je als christen-student in de colleges te maken krijgt met de evolutietheorie of een andere visie op de wereld waarin God geen rol speelt, kan dat heel confronterend zijn’, schrijft de reclamefolder. Het lijkt een variant op een van Kuypers weinig besproken idealen: het beschermen van de christelijke student voor de boze wereld, de 'pastorale zorg’ - ervoor zorgen dat de student op achttienjarige leeftijd onderweg naar de academie niet opeens van zijn geloof af valt. Eind jaren tachtig heeft Amersfoort geprobeerd een met diverse alfa-faculteiten uitgebouwde academische, theologisch-orthodox gestoelde opleiding aan te bieden. De spaarbusjes van Kuyper maakten plaats voor gewone giro-overschrijvingen, maar het geld moest door de stichters ook nu weer zelf bijeen worden gebracht. Door geldgebrek en interne onenigheid is het experiment gestaakt.