WILLEM JARDIN

Losgeslagen schrijfbarbaar

In 2008 debuteerde Willem Jardin (1964) met de opvallende Monografie van de mond, een ambitieuze roman die gek genoeg bij weinig recensenten ook daadwerkelijk opviel. Dik boek, volle bladspiegel. Het is een debuut dat rammelt als een opgevoerd miniatuurtreintje dat zo hard gaat dat het elk moment van de rails dreigt af te schieten.

Negen Raven € 17,95
Negen Raven € 14,95 (e-book)

Medium negen raven

In proza dat van verhalend naar essayistisch schipperde, vertelde Jardin in Monografie het verhaal van twee joodse broers, Paul en Frank, die op eigen manier hun verleden in hun heden voegen, de een door een lugubere maquette te bouwen van zijn grootvaders abattoir (dat steeds meer begint te lijken op een Duits vernietigingskamp) en de ander door het verleden op afstand te houden, erover te filosoferen met zijn geliefde. Het metaforische treintje ontspoorde soms en strandde, Jardin hield zijn dwingende vertelstijl niet altijd vol, maar leek zonder meer een belofte voor de Nederlandse letteren. Of zoals Kees ’t Hart destijds in De Groene Amsterdammer schreef: ‘Ach, waren er maar meer van dit soort losgeslagen schrijfbarbaren in Nederland!’
Nu is Jardin terug, met Negen raven, een slanke verhalenbundel. In het eerste verhaal, Vrouw, probeert een zoon zich in de gedachtekronkels van zijn dementerende vader in te leven; in God bless America probeert een man zijn oorlogsvriend tevergeefs uit een psychiatrische inrichting te redden. Proberen en falen. Vrouw is geschreven in een droog realistische stijl, de plot en de spanningsboog werken maar al te makkelijk (wie is de vrouw die de seniele vader zich herinnert?); in God bless America probeert Jardin de waanzin van de oorlogsveteraan en diens van verdriet gebroken vader te beschrijven in kale zinnen, die heldere beelden moeten oproepen maar in feite niets meer worden dan ijle beelden die je snel weer vergeet. En hij probeert, opnieuw al te makkelijk, de nazi-methodes en rassenwetten van Neurenberg te spiegelen aan de lobotomie in het naoorlogse Amerika.
Het derde verhaal is wel raak, helemaal. In Glorietijd werkt Jardin verder aan het thema van mensen die elkaar tevergeefs proberen te begrijpen en niet snappen wat ze zien, op een volkomen eigen manier. Door de ogen van een jong meisje, Annet, zien we een gezin - vader, moeder, broertje, zusje - waar de dementerende grootmoeder bij in komt wonen. De oma heeft hallucinaties en aanvallen, 'als het zover is moet mijn moeder haar tegen zich aanklemmen’. De vader trekt het niet meer, terwijl alle inspecties keer op keer langskomen. Annet voelt de druk, probeert eraan te ontsnappen door zich in de kruipruimte te verstoppen. 'Soms luister ik, meestal steek ik mijn vinger in mijn oren en kruip ik in mijn kussen. Het gaat niet goed met ons, ik ben bang. Ik wil onzichtbaar worden. Dat kan.’
Het verhaal werkt omdat Jardin de tijd neemt een setting te geven, de observaties van het meisje zijn gevoelig en geloofwaardig ('Pauper. Klinkt gek, klinkt als een vrucht. Een pauper met een dikke schil’), haar vertelstem is even ondervragend als bang, kwetsbaar.
Misschien is de reden dat ik Glorietijd, met 23 bladzijden het langste verhaal in de bundel, zo mooi vind wel mijn banaliteit als lezer, misschien is het algemener, maar je hebt toch een zekere rust, in de zin van tijd, ruimte, bladzijden, nodig om in een verhaal te komen en het op waarde te schatten. Er wordt nogal eens geklaagd dat verhalenbundels in Nederland weinig aanzien hebben, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld Noord-Amerika. Een van onze grootste literaire prijzen, de Libris, besloot zelfs vorig jaar dat verhalen niet meer naar de hoofdprijs kunnen meedingen. Als dat zo is, het gebrek aan prestige, dan hebben schrijvers dat toch ook aan zichzelf te danken. Veel van de Nederlandse bundels die verschijnen voelen nu eenmaal aan als tussendoortjes, en bevatten vaak een stuk of tien, twaalf of zelfs vijftien verhalen die nauwelijks langer zijn dan tien bladzijden en waar slechts met moeite een rode draad in is te verzinnen. Natuurlijk generaliseer ik, pas op, en het betekent niet dat bij die verhalenbundels geen mooie, gestileerde verhalen zitten, maar juist het feit dat ze zo kort zijn maakt het moeilijk er iets van te vinden. Het zijn te vaak flarden, ondergeformuleerde gedachtes die juist door de kortheid of vaagheid iets mysterieus uitstralen, maar in feite niets te melden hebben.
Jardin heeft wel iets te melden. De kracht van Negen raven is dat hij op steeds andere manieren speelt met de frictie tussen wat zijn personages denken en wat ze waarnemen. De verhalen die volgen na Glorietijd - Hond (negen bladzijden), over een soldaat op een grenspost die niet weet of hij op een hond of op een kind schiet; Schepper (vijf bladzijden), een droomachtig relaas over een personage dat zijn bedenker ontmoet - zijn interessant. Sinaï is dan weer een redelijk onbegrijpelijke, pretentieuze waas van woorden. De staccato stijl in Schwärzung voelt wat gemaakt. Pas de laatste twee verhalen, Clown en Raaf, zijn weer langer, en vooral Clown is heel fraai, geschreven in een geladen, warme melancholie van een oudere man die zelfmoord overweegt en zijn leven overziet. Net als in zijn debuut is Jardin in Negen raven onvoorspelbaar, positief en negatief. Alleen dat al houdt het spannend.

WILLEM JARDIN
NEGEN RAVEN
Meulenhoff, 143 blz., € 17,95