Loslaten

Loslaten is de formule. Wie goed kan loslaten heeft de wereld in handen.
Het valt natuurlijk niet mee om iets wat je begeert de rug toe te keren. Om de passie in je hart vrijwillig te blussen. Maar dit is wel de enige juiste manier om de kale weg naar de bevrijding in te slaan. Want wie niet aan het leven hecht, vreest de dood niet meer, en wie nergens naar verlangt, wordt nooit teleurgesteld. Maak daarom van je leven een grote woestijn - of op zijn minst een zandbak - waar geen enkel grassprietje groeit zodat je bij het verlaten van deze steriele grond geen spijt hoeft te voelen. Loslaten is de beste remedie tegen de pijn. De universele anesthesie, de definitieve narcose die illusies en hun stoet van verdriet, pijn en lijden als zeepbellen laat exploderen.

Toen de eerste oranje balletjes aan de antennes van de auto’s begonnen te bloeien werd ik door een overweldigend gevoel van compassie overmand. Bij het passeren van ieder oranje café voelde ik de drang om binnen te stappen en zachtjes tegen de mensen te zeggen: ‘Niet doen, niet doen! Loslaten is de enige weg. Straks komt de pijn.’
Ik weet heel goed dat ze toch niet naar me hadden geluisterd. Dat ze nog in het epicentrum van de ledigheid van deze schijnwereld aan het spartelen waren. Maar even goed weet ik dat wanneer het laatste tegendoelpunt straks is gevallen en het ultieme fluitsignaal heeft geklonken, het vreselijke lijden gaat beginnen. Dan geen getoeter en gepolonaise meer: het wordt muisstil in al die horecagelegenheden. En ook in de huiskamers zullen de engelen des doods als een zwerm behaarde en grauwe vliegmuizen tussen de oranje slingers zweven en hun litanie van verderf rondfluisteren: 'Uitgeschakeld, uitgeschakeld…’ Dan zal bij velen de wrede pijn toeslaan alsof het leven zich uit hun aderen heeft teruggetrokken. Uitgeschakeld: hoofdpijn, tranen, weken van moeizame verwerking, echtelijke ruzies, verpeste vakanties.
Ooit heb ik die pijn gevoeld. Het was in 1982 in Sevilla. Frankrijk stond tegenover Duitsland in de halve finale van het WK. Een sublieme wedstrijd. Platini, Giresse, Tigana het gouden middenveld met de verfijndste techniek die op de aardbol te zien is geweest. Die afschuwelijke keeper, Schumacher, schopte Batiston rechtstreeks het Spaanse ziekenhuis in, maar in de verlenging speelden de engelen op hun goddelijke harpen: 3-1 voor 'les bleus’ na doelpunten van Trésor en Giresse. Duitsland naar huis!
Nee, Duitsland komt altijd terug. Penalties. Stileke miste, Stileke huilde. Ik juichte. Bosis miste op zijn beurt. Grote vliegmuizen drongen mijn hoofd binnen en fluisterden: 'Uitgeschakeld, uitgeschakeld…’ Die dag heb ik mezelf beloofd dat ik nooit meer die pijn zou voelen.
Sinds 1982 ben ik dus voor niemand meer. Ik heb leren loslaten en bereikte zodoende het nirvana van de onverschilligheid. Tegenwoordig kijk ik minzaam hoe de bal rolt en vervolgens hobbel ik zelf verder.
Zestien jaar lang is het goed gegaan. Tot afgelopen zondag om precies te zijn.
Waarom uitgerekend zondag tegen het nietige Paraguay? Ik begrijp het nog steeds niet. Ik voel geen enkele binding met die spelers en de Marseillaise in de Franse stadions doet me kokhalzen. De trainer? Je n'aime pas Aimé. Lens is geen Sevilla, het spel van 'les bleus’ is niet om aan te zien, de Beaujolais is dit jaar niets en bovendien gevaarlijker dan cannabis, Chirac en Air France staken voortdurend, ik heb niets tegen acht, zelfs niets tegen zestien jaar Duisenberg.
Desondanks voelde ik dat oude, knagende sentiment weer bovendrijven. Ik, die mezelf beschouwde als bevrijd, onpartijdig en bijna verlicht. Mijn harnas viel van mijn schouders, mijn vlees werd rauwer, mijn tenen kromden zich, ik vloekte en het zweet vulde mijn handpalmen. Stop, cut!
Ik veerde op en weigerde verder naar de verlenging te kijken en weer een sessie dodelijke strafschoppen. Ik sprong in de auto en hoopte al rijdend mijn menselijke waardigheid te hervinden.
Maar na twintig minuten zag ik hoe mijn vingers naar de knop van de radio vlogen. Op Radio France hoorde ik een lange schreeuw: doelpunt van Blanc! Ik schreeuwde mee. Als een beest, als een bloeddorstige Gallische krijger die zojuist een hersenpan had verbrijzeld. Ik schreeuwde mijn schaamte uit en merkte bij het passeren van een rood licht en een kluwen versteende en verschrikte overstekers tegen wie ik mijn vuisten balde, dat het enige dat ik eigenlijk had losgelaten mijn stuur was.