Loslaten (2)

Ik had mijn stuur weer stevig in mijn handen vast, dat was voorlopig de enige zekerheid. Door de harde wind werden de wolken over de aardappelvelden gejaagd en de horizon kleurde grijs. Wat er later op de dag zou gebeuren, kon ik alleen maar gissen. Zou ik weer aan een aanval van partijdigheid ten prooi vallen? Of aan een crisis van misplaatste vereenzelviging met elf onbekenden die toevallig hetzelfde soort paspoort als ik bezaten?

Een gespierde haas schoot uit de greppel en keek me verschrikt aan. Heel even geurde de auto naar de civet de lièvre uit de keuken van mijn Normandische grootmoeder. Ik liet dit verlangen los door, heel behendig, een bergje verpletterde ingewanden op de weg te visualiseren. Ik remde en de haas verdween weer in de greppel. Een gevoel van gelukzaligheid vervulde me: loslaten!
Tussen de achtste finale tegen Paraguay en de kwartfinale tegen Italië had ik voor de zekerheid de belangrijkste werken van de Tibetaanse meesters opnieuw gelezen. In zes dagen van intensieve zelfheropvoeding had ik alle registers van de sublieme techniek van het loslaten opengetrokken. Voor deze gelegenheid had ik zelfs een nieuwe mantra verzonnen als hulpmiddel bij mijn meditaties: ’(’t kan me niets schelen, ’t kan me niets schelen…’ (uit te spreken als ‘laoum ni peda medne’) Nee, het kon me geen snaar schelen dat ze eruit zouden worden geknikkerd, dat Barthez drie keer door Del Piero gepasseerd zou worden. Dat, voor een afgrijselijk open doel, Blanc en Zidane tien keer ernaast of op de paal zouden schieten.
Ik kocht een diepvriespizza quatro formaggi van Iglo, een fles Montepulciano en als toetje - hoewel ik het in normale omstandigheden niet lust - een Tiramisu, en zette koers naar het eenzame Zeeuwse huisje waar ik me in tijden van diepe crisis altijd terugtrek.
Om 16.00 uur dook de gedaante van bruine stenen op tussen de droeve akkers. De deur van het huisje zat onder het ongedierte, maar met een hart vol compassie liet ik de walgelijke insecten ongemoeid. De muffe lucht kwam me tegemoet.
Om 16.30 uur deed ik de tv aan. Ik zat voor het toestel in lotushouding met halfgesloten ogen. Volgens een beproefde techniek ademde ik inktzwarte lucht in die ik weer schoon en wit richting het tv-toestel uitblies om de gehele wereld erachter van zijn onreinheid te zuiveren. En terwijl het scherm met gele kaarten, schuttingtaal, elleboogstoten en andere aardse vulgariteit werd gevuld, vlogen gracieus door de kamer tal van laoum ni peda medne’s en lebberde ik tussendoor aan een glas ingestraald water. Ik was een ijsklont geworden. Geen passie en geen vuur meer. Geen Frankrijk, geen Zidane, geen paspoort. Alleen de bevrijding van het loslaten. De onmetelijke helderheid en wijsheid van de bereikte verlichting.
Dan de ultieme beproeving: de strafschoppen. Ik rukte mijn leugenachtige ego uit mijn borstkas en klemde hem al lopend naar de keuken onder mijn arm. Bij wijze van zelfkastijding besloot ik de pizza in zijn bevroren toestand te eten en liet de Montepulciano gekurkt. Langzaam kauwend zag ik hoe Di Bagio zijn penalty als een verrotte appel op de lat uiteen liet spatten en zodoende Frankrijk naar de volgende ronde hielp. laoum ni peda medne: het deed me niets! Niet de geringste trilling bij mijn handen en geen begin van gebonk achter mijn ribben. De overwinning was voor mij. In de spiegel zag ik een emotieloos gelaat met toegeknepen lippen. Die nacht heb ik als een blok graniet met een stenen hart diep en rustig geslapen.
Het ging pas de volgende dag mis. Totaal onverwacht. Ik keek in al mijn onschuld naar Nederland-Argentinië en voelde plotseling het beest uit zijn hol kruipen. Nederland, zei een brommende stem in mijn hoofd, is toch je tweede vaderland, nietwaar? Dat primitieve gevoel, maar dan met twee keer zo veel kracht, kwam als een te lang ingedamde vloed over mij heen. Ik probeerde me de mantra te herinneren maar kwam niet verder dan iets met 'olé, olé’ toen Kluivert scoorde. Mijn gezicht liep rood aan en met het schuim op mijn lippen wenste ik de Argentijnen vreselijke ziekten toe. Ik vloekte, tierde, stampte en brak de oude blauwe stoel met een armzwaai. Toen Bergkamp het tweede doelpunt maakte rende ik naar de keuken en haalde de pizzaverpakking uit de vuilnisbak. En omdat hij uit oranje karton was gemaakt zette ik hem op mijn hoofd. Tot mijn spijt waren de akkers en velden verlaten, op een boerenzoon na die op zijn tractor terugzwaaide. Vervolgens spoot ik de kleine insecten op de deur allemaal dood, sprong in mijn auto en ging plankgas op zoek naar oude geuren uit de keuken van mijn Normandische grootmoeder.