Losse eindjes

Afgezien misschien van bajesklanten en intercontinentale vliegers leest niemand een boek in één keer, of zoals de bedenkelijke aanbeveling luidt: in één ruk. De lectuur is onvermijdelijk verdeeld over porties vrije tijd, verspreid over uiteenlopende plaatsen als bedden, treinen, stranden, toiletten en terrassen.
Even onvermijdelijk stelt de schrijver zich voor dat zijn werk wel degelijk als een ononderbroken geheel gelezen gaat worden. Rond elk manuscript zweeft een theoretische of hypothetische lezer, die verdacht veel wegheeft van een bajesklant of intercontinentale vlieger. Iemand die het zuivere licht van de schepping zal inademen, op één plaats en in één, vooruit, ruk.
In werkelijkheid raakt dit schijnsel gebroken in allerlei korte of langere sessies en in allerlei ruimtes, waar het als het ware door geïnfecteerd raakt. Het zou onzinnig zijn om te doen alsof de plaats waar we een boek lezen geen invloed heeft op de inhoud ervan. Ik las De koperen tuin van Vestdijk in de Cévennes, Onsterflijkheid van Kundera in Rome en Moon Palace van Auster in Milaan. Het zouden andere boeken zijn geweest als ik ze in Harlingen, Parijs of New York had gelezen.
De schrijver mag dan de overmoedige droom hebben dat hij zijn lezers tot regelrechte toeschouwer van het theater in zijn kop kan maken, hij weet verdomd goed dat zij hun eigen beelden maken, en daarbij hun directe omgeving kaalgrazen.
Dat realiseerde ik me toen ik deze zomer een paar avonden lang met L'Horizon van Patrick Modiano op schoot zat. Ik had het boek gekocht in de Super U bij Gennes, een dorpje aan de Loire, tussen Saumur en Angers en begon er rond half negen ’s avonds in te lezen, in de tuin van ons gehuurde huisje in Saint-Georges-des-Sept-Voies, met uitzicht op een zonsondergang. In m'n andere hand een koele Sancerre in een beslagen glas. Zoiets vertellen recensenten er nooit bij, maar is voor een goed begrip van hun leeservaring toch relevante informatie. Daarom stellen we ons nu ook het wereldontvangertje voor in het gras naast mijn ligstoel, afgestemd op 91.7 FM, France Musique, dat in die week elke avond een live concert uit Londen doorstraalde, met overwegend Beethoven.
Het hele boek is doordesemd van precies die schemerige zomersfeer. Sterker nog, de beschreven straten en huizen hebben allemaal die kenmerkende Loire-architectuur, met verweerde frontons, krulvoluten, dakkapellen met ronde lichtgaten, en leigrijze muren begroeid met klimop. Het gezicht van de mannelijke hoofdpersoon heb ik ’s ochtends bij de bakker in Coutures gezien, dat van de vrouwelijke op een terras in Le Thoureil.
Stom toevallig allemaal natuurlijk. Of niet, want Modiano is, meer dan andere schrijvers, iemand die steunt op de verbeeldingskracht van de lezer. Hij vertelt altijd net iets te weinig, laat losse verhaaleindjes net iets te los en breekt een scène net iets te vroeg af. Wat een andere manier is om te zeggen dat hij het allemaal precies goed doet.
Als schrijver lees je altijd als een roofdier, beweert Cees Nooteboom in Rode regen, en zo lees ik Modiano ook, omdat hij technieken beheerst (of aandurft) waar ik zelf niet goed in ben (of te bang voor). Weglaten bijvoorbeeld. Beelden zonder commentaar laten en niet alles willen uitleggen en duiden.
Neem deze passage. Op een zonnige dag in de winter komt het meisje, Margaret Le Coz, de jongen, Jean Bosmans, voor het eerst opzoeken op z'n werk, zo lezen we op pagina 64. Goed, denk je, nu komt het. Er is al wat spanning tussen de twee, een vage sfeer van ruzie. Alles in je bereidt zich voor op een confrontatie, een dialoog.
Modiano doet vervolgens dit: hij beschrijft hoe Jean Margaret aan ziet komen, ze kijkt links en rechts over de straat ‘alsof ze het huisnummer van de bibliotheek is vergeten’. Vanaf die dag, schrijft Modiano, zal hij haar altijd door het raam bekijken als ze hem komt opzoeken. Volgt opnieuw een beschrijving van hoe ze loopt, van de blauwe hemel en de bloeiende bomen, en dan: 'Il pleut quelquefois, mais la puie ne semble pas la gêner. Elle marche sous la pluie du même pas tranquille que d'habitude. Elle serre simplement de la main droite le col de son manteau rouge.’
Einde hoofdstuk. En ook in het volgende niets over de dialoog, de confrontatie. We zagen het meisje in slow motion in de zon, in de winter, en in de regen. Dan legt Modiano de film stil die daardoor foto wordt: Ze sluit eenvoudigweg met haar rechterhand de hals van haar rode jas.
Pas bij herhaalde lezing valt het knappe op. Door haar komst in alle seizoenen te tonen wordt de tijd zowel vertraagd als versneld. Hoe geraffineerd: die seizoenen leveren een grote tijdssprong en toch voltrekt die zich voetje voor voetje.
Zo zou je idealiter een boek moeten lezen: gelijktijdig traag en in één ruk. Maar dat kunnen zelfs bajesklanten en intercontinentale vliegers niet.