Losse handen, los toezicht

De commissie-Samson heeft deze week vastgesteld wat altijd werd vermoed. In jeugdinstellingen en pleeggezinnen vindt structureel seksueel misbruik plaats. Het geschetste beeld van de jeugdzorg was eveneens langer bekend: bagatelliserend, onbarmhartig, nalatig en bureaucratisch. Dat maakt de uitkomst na twee jaar onderzoek des te pijnlijker.

In 1977 verscheen het boek Jan Rap en z’n maat van Yvonne Keuls waarin ze op basis van eigen onderzoek in tehuizen het reilen en zeilen in een opvangtehuis beschrijft. De pubers hebben een belabberde jeugd achter de rug, kampen met drugsverslaving, trauma’s van incest en mishandeling en vertonen allerlei gedragsstoornissen. Geen makkelijke groep om mee om te gaan. De groepsleiders zijn op hun beurt ervaringsdeskundigen of nauwelijks opgeleide softeriken. Slechts een enkeling is steengoed: betrokken maar met professionele distantie. Het boek deed indertijd veel stof opwaaien. Het toonde een wereld van enerzijds kwetsbare jongeren en anderzijds van falende instanties en blunderende teamleden. De kritiek op de hulpverlening die loskwam werd in de losse seksuele moraal van toen schouderophalend ontvangen. ‘Wij’ zijn bovendien de stiekeme paters in de kerk niet!

Het fictieverhaal van Keuls wordt door het onderzoeksrapport volledig bevestigd. Seksueel misbruik (en ook mishandeling) komt in tehuizen drie tot vier keer meer voor dan in normale gezinnen. Verstandelijk beperkte kinderen lopen twee keer meer risico dan ‘gewone’ probleemkinderen afkomstig uit multiprobleemgezinnen. In pleeg­gezinnen zijn ze net iets beter af. Deze groep wordt niet één keer in haar veiligheid aangetast, niet twee keer, maar drie keer. Jeugdzorg ziet slechts twee procent van het misbruik, de rest sneuvelt in het systeem. Kinderen zwijgen uit angst, want ze zitten in een afhankelijke positie. Meldingen worden door instellingen ontkend of weggemoffeld: het kind heeft zo’n levendige fantasie… De commissie-Samson liep er zelf ook tegenaan. Veel instanties weigerden mee te werken.

De conclusie van het rapport dat ‘misbruik inherent is aan het systeem’ kan dan ook niet zonder verregaande consequenties blijven. Anders dan bij de rooms-katholieke kerk spreken we niet over de verleden tijd. Op dit moment zijn ruim veertigduizend kinderen toe­vertrouwd aan hulpverleners in de jeugdzorg. Dat schreeuwt om schoon schip maken. Maar de aanbevelingen uit het rapport doen ook verbazen. Alle medewerkers moeten zich voortaan certificeren en bij sollicitaties moeten referenties nagetrokken worden. Seksuele voorlichting moet een vast vak in de opleidingen worden. Nu pas? Dat normale professionele eisen en mores hier niet golden, ­illustreert hoe onverschillig de overheid deze sector benadert. Zinvolle adviezen zijn er genoeg, zoals het scheiden van jongens en meisjes. Maar in één adem door vrees je toestanden zoals in de internaten bij de Broeders van Liefde, waar mannelijke paters zich aan jongens vergrepen. Laat mannen beperkt toe, hoewel vrouwelijke hulpverleners op hun manier niet vies blijken te zijn van machtsmisbruik. En hier geldt weer: beter toezicht.

Een concrete aanbeveling is dat de inspectie weg moet bij het ministerie van Volksgezondheid en ondergebracht moet worden bij een onafhankelijke controlerende partij zoals de kinderrechter. Het is een illusie dat seksueel misbruik uitgebannen kan worden. Achter de voordeur van ‘gewone’ gezinnen komt het ook al zo veel voor. Wel verdient deze geschonden groep extra kinderbescherming.