De hele wereld trekt naar Chinese steden

Losvoetig voorwaarts

In Chinese steden is een grote kloof ontstaan tussen stedelingen en gelukszoekers van het platteland en uit het buitenland. In Guangzhou bestaat bijna de helft van de inwoners uit dergelijke ‘losvoetigen’.

AAN DE PARELRIVIER in Zuid-China, op korte afstand van de oostkust, ligt de metropool die vroeger bekend stond als Kanton. Deze vruchtbare delta is altijd dichtbevolkt geweest, maar dit gebied is pas sinds de jaren zeventig in de vorige eeuw een van de belangrijkste groeipolen in het land. Guangzhou telt twaalf miljoen inwoners, waarvan bijna de helft uit arbeidsmigranten bestaat. Vanuit mijn logeeradres op de campus van de Sun Yat Sen Universiteit moet ik de rivier oversteken om het stadscentrum te bereiken. Aan de andere kant van de brug rijst een woud van wolkenkrabbers op. Het is behalve een fraai ook een benauwend gezicht. Om de opeengepakte mensenmassa die hier leeft aan en af te voeren bestaan de wegen uit twee of drie etages.
De stedelijke burgerij is in de hoogbouw gevestigd, al naar gelang hun inkomens in meer of minder comfortabele appartementen. Het enorme leger van arbeidsmigranten is ondergebracht in laagbouw. Aan de buitenrand van de stad zijn dit slaaploodsen op het gesloten en bewaakte terrein van de daar gevestigde bedrijven. Verder wonen ze verspreid over de stad in wijken met tienduizenden bewoners die als stedelijke dorpen worden aangeduid. Er zijn 138 van deze woonkernen. Hier huizen de nieuwkomers opeengepakt in huurkazernes die door smalle gangen van elkaar zijn gescheiden. Deze huurders zijn vrijer in hun doen en laten dan de fabrieksarbeiders die in de buitendistricten hun slaapplaats en maaltijden van de werkgever krijgen. Voor mijn onderzoek onder arbeidsmigranten heb ik me gericht op inwoners van deze stedelijke dorpen, omdat met hen gemakkelijker contact te leggen valt dan met de arbeiders aan de rand van de stad, die ook buiten de werkuren onder controle van de baas staan.
De grootste stedelijke dorpen herbergen tachtigduizend zielen. Hoe onappetijtelijk deze pakhuizen ook zijn, ze ogen niet als de sloppen waarom de steden elders in Azië zo berucht zijn. De migranten uit het achterland van China zijn met meer sociaal kapitaal uitgerust dan hun lotgenoten in bijvoorbeeld India of Indonesië. De laatsten zijn nagenoeg volledig bezitsloos, terwijl de vlottende bevolking in China veelal afkomstig is uit huishoudens met enig grondbezit. Dat is de nawerking van de landhervormingen die kort na de revolutie zijn uitgevoerd. Bovendien gaan kinderen in China naar school en moeten zij niet, zoals in Zuid-Azië, hun arbeidskracht al op een veel te vroeg tijdstip te gelde maken.

LOSVOETIG volk, zo is de aanduiding voor de nieuwkomers die uit de landbouw zijn weggetrokken op zoek naar een beter bestaan in de steden. Hoewel China nu voor de fabriek van de wereld doorgaat, is industrieel emplooi toch niet de voornaamste economische bedrijvigheid. De arbeidsmigranten werken in allerlei vormen van dienstverlening, handel, transport en bouwnijverheid, als ondergeschikt personeel in kleine ambachtelijke werkplaatsen of winkels, dan wel opererend voor eigen rekening binnenshuis of in de openlucht.
Informaliteit is het dominante patroon van de beroepsuitoefening onder de migranten. Aan de komst naar de stad kunnen zij geen recht op blijvende vestiging ontlenen. Ze horen thuis op hun plaats van herkomst; ze worden geacht na kortere of langere tijd terug te gaan. Dat betekent dat de migranten geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen die bedoeld zijn voor de échte inwoners van de stad, zij die er geboren en getogen zijn: volkshuisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, bijstand bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid en ten slotte een oudedagsuitkering. Voor toegang tot onderwijs en gezondheidszorg kunnen de migranten alleen terecht waar zij geregistreerd staan, in hun plaats van herkomst dus.
De buitenstaanders hebben ook geen stemrecht en kunnen geen lid worden van de vakbond in hun bedrijfstak. Het gevolg is dat de migranten die geen werk meer hebben geen andere keuze hebben dan de stad te verlaten. Bovendien, naar de stad komen alleen mensen die tot werken in staat zijn. Voor ouderen en kinderen is er geen plaats, want hun aanwezigheid zou gezien de lage lonen een te zware belasting voor het huishouden zijn. De afwezigheid van mensen die nog niet of niet meer werken verklaart de jeugdige samenstelling van de migrantenpopulatie in Guangzhou, bijna uitsluitend mannen en vrouwen van tussen de zeventien en vijftig jaar.
De kloof tussen de beter bedeelden en de onderbedeelden in de stad is het resultaat van de economische herstructurering in kapitalistische zin die zich door heel China aftekent. Maar de volksverhuizing die gaande is, wijst niet op herhaling van de industrialisatie en urbanisatie zoals die zich een eeuw eerder in het Westen voltrokken. Ook toen vond een uittocht van het platteland plaats, maar de migrantenmassa slaagde erin op de plaatsen van aankomst zowel werk als onderdak van meer dan tijdelijke aard te vinden. Een volgende kanttekening is dat ondanks de groeiende kloof in welvaart de nieuwkomers in de stad er beter aan toe zijn dan voor hun vertrek uit het achterland. Wel raken zij in vergelijking met de gezeten burgerij en zeker met de kleine maar machtige, zichzelf verrijkende bovenlaag steeds verder achterop in welstand. Terwijl bij mijn eerste bezoek in 1990 de migranten nog blij waren met een naaimachine, fiets en elektrische rijstkoker, hebben zij nu een veel groter assortiment aan duurzame gebruiksgoederen (televisie, elektronica, koelkast, motorfiets). In haarstijl, kleding, schoeisel en make-up probeert men de middenklasse te volgen. Dit consumeergedrag hangt samen met de stijging van inkomsten. In 1990 bedroeg het doorsnee maandloon voor migrantenarbeid vijfhonderd yuan, in 2001 rond duizend yuan en sindsdien zijn de verdiensten opgelopen tot bijna tweeduizend yuan per maand (circa 180 euro). De munt heeft haar koopkracht behouden en de trend naar verbetering is daarom onmiskenbaar.
Er heerst een vurig verlangen om het verblijf in de stad voort te zetten en de sprong vooruit in de volgende generatie te consolideren. Het besef dat aan al deze verworvenheden een einde zal komen wanneer de weg terug moet worden ingeslagen, is een belangrijke voedingsbodem voor maatschappelijk ongenoegen.

GUANGZHOU is in de wereldeconomie ingebed en dat proces is al lang geleden begonnen. Overzeese handel liep uit op de vestiging van Kantonezen in Zuidoost-Azië. Kolonies van deze landslieden ontstonden al voor de koloniale periode in onder meer de Filippijnen, Indonesië, Malakka, Indo-China en Thailand. De contacten met het verder weg gelegen buitenland werden sterker na de eerste opiumoorlog in 1840, waarmee Europese mogendheden de openstelling van Chinese havens met geweld afdwongen. Britse en Franse handelshuizen, banken en scheepvaartlijnen vestigden in de territoriale concessies van Kanton hun kantoren en clubs voor de staf. In het gerestaureerde Brits-Franse kwartier aan de zuidoever van de rivier is het weer aangenaam verpozen voor een nieuwe lichting van blanke expatriates. Het verschil met vroeger is dat nu ook Chinese burgers de toegang tot deze enclaves niet kan worden ontzegd.
Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond in verschillende delen van de wereld een groeiende behoefte aan goedkope arbeid. Dit leidde tot het ronselen en verschepen van koelies voor tewerkstelling op plantages, in mijnen en voor de aanleg van wegen en spoorlijnen in de gekoloniseerde landen van Zuidoost-Azië en Noord-Amerika. Hun nakomelingen hebben zich over tal van nieuwe beroepen verspreid en vormen nu de wegbereiders van een nieuwe golf van emigranten uit Kanton en omgeving. De overzeese Chinezen worden geacht als goede patriotten de belangen van het moederland te behartigen, donaties te geven en te investeren in de groeiende bedrijvigheid die in hun plaatsen van herkomst is ontstaan.
De afgelopen jaren heeft ook een snel groeiende stroom van Afrikanen Guangzhou bereikt. Vanaf de jaren negentig in de vorige eeuw, maar vooral na aansluiting van China bij de Wereldhandelsorganisatie in 2001, zijn ze gekomen om handelswaar te kopen (vooral kleding, schoeisel, leerwaren, cosmetica en elektronische artikelen) en de uitvoer daarvan naar Afrika te regelen. De meerderheid bestaat uit mannen, maar met een kwart tot een derde van het totaal vormen vrouwen een aanzienlijke minderheid. De Afrikanen wonen geconcentreerd in een paar buurten - zoals het centrale zakendistrict Xiabei. Chinezen zijn niet gewend aan de aanwezigheid van vreemdelingen en de komst van naar schatting twintigduizend Afrikanen wordt niet door iedereen met instemming begroet. ‘Zwarte wijk’ is de naam waaronder deze diaspora in de volksmond bekend staat en zwart is niet een huidskleur die erg in de smaak valt.
De Chinezen beschouwen de vreemdelingen als een homogene menigte Afrikanen, maar ze komen uit uiteenlopende landen, van Algerije tot Zuid-Afrika, van Ethiopië tot Guinee. Ten overstaan van de bevolking van Guangzhou neigen zij er ook zelf niet toe hun verscheidenheid te benadrukken, evenmin als de Chinezen overzee hun regionale identiteit etaleren.
Belangrijker dan de onderlinge verschillen is de uitsplitsing van de Afrikanen naar verblijfsduur. Het merendeel blijft niet meer dan enkele weken, om een paar maanden later opnieuw te komen. De overigen, nog altijd ettelijke duizenden, zijn min of meer in Guangzhou gevestigd, hebben daar hun eigen business (een winkel, een werkplaats, een reisbureau of een verschepingskantoor) en treden voor hun af en aan reizende landgenoten als bemiddelaars op met Chinese zakenlieden, politie, douane en andere overheidsinstanties. Zij zijn bekend met de taal en cultuur, leven vaak met een Chinese vrouw samen of hebben zelfs een transcultureel gezin gesticht.
Voorbeeld van een langverblijver is de secretaris van de Mali Society, een vereniging met 861 leden die een lidmaatschapskaart krijgen om zich te identificeren. Zijn kantoor op de 26ste verdieping van de Tianxiu-wolkenkrabber fungeert als spil in een Afrikaans netwerk. Dat geldt ook voor het kleine gebedshuis dat in het gebouw is ingericht en waar een moellah voor geestelijke bijstand zorgt. Op vrijdag worden de religieuze plichten vervuld in een van de grotere moskeeën in de stad. Dat de oudste daarvan teruggaat tot de Tang-dynastie (zevende tot eind negende eeuw) wijst op de aanwezigheid van Arabische handelaren al in een ver verleden.
De kortverblijvers logeren in een hotel of huren een wisselonderkomen in een naburig stedelijk dorp. Als zij buiten de ongeregelde werkuren niet hier rondhangen, zijn ze te vinden in een van de islamitische eethuizen die op uithangborden hun halal voedsel aanprijzen. Home away from home is de indruk die dit straatbeeld wekt.
Afrikanen zijn niet de enige etnische minderheid in Guangzhou. Bronnen die ik niet heb kunnen verifiëren spreken van tienduizend Russen, eveneens kooplieden, die zich voornamelijk ophouden rond wat de Europese markt heet. Verder zijn er kolonies van Japanners en Zuid-Koreanen, maar de aantallen daarvan in de Noord-Chinese steden zijn veel hoger. De etnische diversificatie neemt dus toe, maar ontegenzeggelijk is de Afrikaanse diaspora het kleurrijkst.
De Afrikanen lijken meer contact te hebben met hun continentgenoten dan met de Chinese bevolking. Gebrek aan taalvaardigheid is niet de enige oorzaak. De nieuwsgierigheid, laat staan waardering voor de andere cultuur is gering en dit levert een etnische stereotypering op die eerder negatief dan positief geladen is. De kortverblijvers onder mijn Afrikaanse zegslieden noemen de Chinezen harde zakenlieden door geldzucht gedreven. Sommigen zeggen minder last te hebben van discriminatie dan in Europa, anderen klagen over de racistische bejegening die hun ten deel valt. Omgekeerd beklagen Chinezen zich over de luidruchtigheid en assertieve lichaamstaal van deze buitenlandse gasten. Afrikanen die over de ritprijs willen onderhandelen krijgen met boze taxirijders te maken. De ruzies kunnen hoog oplopen. Vooral Nigerianen staan onder verdenking van illegale activiteiten, zoals oplichting, vrouwen- en drugshandel. Zij zouden erop uit zijn vrouwen met hiv te besmetten. Zij zouden om die reden veel moeilijker een visum kunnen krijgen dan andere Afrikanen.
Maar allen hebben klachten over het brute optreden van de vreemdelingenpolitie. Er is een strenge controle op illegale aanwezigheid en de inspecterende ambtenaren storen zich aan het gebrek aan gedweeheid die zij in de omgang met het publiek vanzelfsprekend achten. In juli vorig jaar sprong of viel een Afrikaan uit het raam van een wolkenkrabber, vermoedelijk om te ontsnappen aan uitzetting wegens overschrijding van zijn verblijfsduur. Het incident leidde tot een demonstratie van enkele honderden Afrikanen voor het lokale politiebureau. De overheid was niet geamuseerd en verscherpte haar surveillance.

HOE KLEMMEND de problemen door de aanwezigheid van een etnische minderheid ook zijn, de numerieke omvang van de vreemdelingen is toch te gering - misschien vijftigduizend op een bevolking van twaalf miljoen - om het maatschappelijk bestel onder druk te zetten. De voornaamste breuklijn die door de stad loopt is niet die van etnische identiteit maar van sociale klasse. Nou ja, het verschil is niet waterdicht. De ruim vijf miljoen buitenlui die Guangzhou zijn binnengestroomd hebben etnische trekken die hen onderscheiden van de stedelijke burgerij.
Die andere geaardheid geldt zowel voor hun uiterlijk (donkerder gelaatstrekken) als voor hun gedrag en kleding (omschreven als lomp en boers). Het dialect dat zij spreken bevestigt hun inferieure status. Ze gaan door voor onbeschaafd, terwijl de gezeten burgerij prat gaat op haar verfijndere smaak, vertrouwdheid met de moderniteit en een geciviliseerde levensstijl. Toch lijkt deze cesuur primair klassebepaald. Het aantal werkuren van de buitenlui is groter en de vrije tijd brengen ze hoofdzakelijk door in hun woonenclaves. Hier wordt wel contact aangegaan met lotgenoten uit andere provincies, terwijl van omgang met de burgerij in de betere wijken nauwelijks sprake is.
De buitenstaanders zijn zich van hun achterstand terdege bewust. Er wordt van hen verwacht dat ze tevreden zijn met de bereikte lotsverbetering, maar de welvaart of zelfs weelde die de stad zo zichtbaar uitstraalt wekt steeds meer ontevredenheid. Eerder dit jaar zijn in de industriële zones van Guangzhou arbeidsconflicten uitgebroken die met stakingen gepaard gingen. Het waren op collectieve actie geschoeide protesten van fabriekswerkers die afrekenden met het beeld van de harmonische maatschappij dat door partij en staat zo zorgvuldig wordt gekoesterd. Interessant was dat het de stakers niet in de eerste plaats om hogere lonen ging. Hun eisen golden meer het recht op pensioen en sociale voorzieningen, een behandeling op voet van gelijkheid met de burgerij. Uit angst voor politieke onstabiliteit toont de centrale overheid zich bereid tot concessies. Het stadsbestuur daarentegen verzet zich tegen inwilliging van de eisen uit angst dat bij stijging van de arbeidskosten het marktvoordeel verloren gaat dat de economische groei zo krachtig stimuleert.
Als buitenstaanders komen de buitenlui niet voor het partijlidmaatschap in aanmerking en zij zijn ook niet aangesloten bij verenigingen of clubs. Elke vorm van formele organisatie is hun vreemd. Het gefragmenteerde bestaan dat ze leiden stelt grenzen aan de onderlinge verbondenheid. Een illustratie voor de vergaande staat van sociale atomisering zijn de capsuleonderkomens die gebouwd worden om de minst draagkrachtigen een slaapplaats te bezorgen. Het zijn vertrekken van 0,79 meter breed en 2,40 meter lang met daarin een eenpersoonsbed, een klaptafel, een elektrische koker, water en licht. De maandhuur ervan bedraagt 250 yuan. Zodoende brengen veel losvoetige mensen hun dagen in eenzaamheid door. Sommigen raken vervreemd, hetgeen er regelmatig toe leidt dat iemand van een hoge brug in de Parelrivier springt. Dat gebeurt vaak genoeg om professionele lijkendreggers aan het werk te houden. Elk stoffelijk overschot dat zij opvissen levert hun een premie op.

DE GROEIENDE onrust lijkt zich niet alleen van de buitenlui maar ook van de gezeten burgerij meester te maken. Die kritiek heeft betrekking op wat als onrechtmatig en onrechtvaardig optreden door het omvangrijke staatsapparaat wordt beschouwd. Een frappant voorbeeld is de ontvreemding van particulier eigendom door de overheid. De gedwongen overdracht van woningen in eigen bezit, voor veel lager dan de marktprijs, met beroep op het publieke belang. Maar de doorverkoop van de grond aan bouwondernemers, die een volgende wolkenkrabber oplevert, gaat met zeer omvangrijke corruptie gepaard. Hele buurten gaan op de schop in de aanloop naar de Asian Games. De willekeur waarmee dit gebeurt en de onmogelijkheid van verzet tasten de legitimiteit van de staat ernstig aan.
Dat geldt ook voor de schandalen die aan het licht komen over de verkoop van voedselwaren die schadelijk zijn voor de gezondheid. En dan is er de milieuvervuiling, een constante purple haze waarmee de stadslucht vergiftigd is. De neiging om de publieke opwinding hierover als een uiting van groeiend consumentenbewustzijn uit te leggen miskent het politieke karakter ervan. De civiele maatschappij keert zich tegen de harde hand van de staat. Symptomatisch is de groeiende aandacht hiervoor in de media, die zich langzaam lijken om te draaien van boodschappers van de overheid tot spreekbuizen van de samenleving.