Perquin

Lot

Het begon met gemijmer over een appelboom. Eén appelboom, vonden we, zou al voldoende zijn. We konden er een bankje omheen timmeren om op te zitten als de avond viel. ‘Dan moet er misschien wel een passend uitzicht bij’, zei ik. Hij knikte. Dat zou niet overdreven zijn. Weilanden om over uit te staren, een groepje wilgen in de verte, een slootje met een rietkraag. Eenvoudig maar aangenaam, dachten we. We namen samen plaats en zagen hoe passend het was. 'Eigenlijk zonde om nu te beknibbelen op geluid’, zei hij. Dus breidden we onze gedachten uit met mekkerende schapen, krekels in de schemering, het verre blaffen van een hond. Toen was het klaar. Er hoefde niets meer bij. We zagen onszelf zitten: vredelievende mensen, volmaakt tevreden met wat rust en ruimte. Alleen een beetje dorstig, als we heel eerlijk waren.
'Een karafje zelfgemaakte wijn zou wel iets toevoegen’, zei hij. Ik stemde in. Zo kwam het dat onze appelboom gezelschap kreeg van kersenbomen, bessenstruiken en (waarom ook niet) een kleine kas waar we druiven konden verbouwen. We hadden een flinke kelder nodig, met flessenrekken. Het hele huis begon toen vorm te krijgen: de grote keuken met bosjes kruiden aan de balken, de witgesausde kamers, de antieke houtvloer, de knusse bibliotheek, het ledikant. We lieten het bankje even voor wat het was en liepen binnen rond. Veel te mooi om voor onszelf te houden, concludeerden we. Dus begonnen we aan gezelschap te denken. Oude vrienden die aan de lange tafel zouden zitten, verhalen uitwisselend, lachend.
'Een schaal olijven’, zei hij. 'Dampend brood met versgekarnde roomboter, bestrooid met zeezout.’ 'Franse chansons van een antieke pick-up’, vulde ik aan. 'Een grote vuurplaats. En een gastenverblijf natuurlijk, voor als ze blijven logeren.’
We glimlachten naar elkaar. 'Wil je nog wijn?’ vroeg ik. Hij knikte. Ik schonk zijn glas vol. We luisterden naar de geluiden van de stad. Naderende sirenes. Een toeterende auto. Gillende kinderen. De basgitaar van beneden. 'Zullen we gaan kijken of we iets gewonnen hebben?’ vroeg hij. 'Nee’, zei ik. 'Laten we nog even van het uitzicht genieten.’