‘lotte, ik wil sterven’

HET HEEFT de reputatie een der beroemdste boeken van zijn tijd te zijn, hetgeen meer zegt over de betreffende tijd dan over de betreffende roman.

Wees voorzichtig! Na lezing moet de complete vloerbedekking worden ontzilt, een gevolg van het feit dat tweehonderd pagina’s lang een constante tranenvloed de huiskamer is binnengestroomd.
Het zijn de tranen van de jonge Werther, die zich even eerder, op de voorlaatste bladzijde van zijn lijdensgeschiedenis, uit liefdesverdriet - ‘Lotte! Lotte, vaarwel, vaarwel!’ - een kogel door zijn kop heeft geschoten.
Het probleem van de jonge Werther is zo oud als de wereld: de jonge Lotte wil niets van hem weten. Zij is namelijk verloofd met de jonge Albert, een brave ambtenaar die zij van harte genegen is, niet in de eerste plaats omdat zij haar stervende moeder heeft bezworen met hem te zullen trouwen. Vanaf de zijlijn kijkt Werther toe. 'Zij liepen het pad op, ik bleef staan, keek hen na in het maanlicht en huilde het uit.’ Drie maanden later treden Lotte en Albert in het huwelijk. 'Mijn blik viel op haar trouwring en de tranen liepen mij over de wangen.’ Hij verliest, door zijn affectieve gevoelens verteerd, alle zelfbeheersing en overdekt haar lippen met woeste kussen. 'Werther!’ roept Lotte ontzet en ze zoekt beschutting in een zijvertrek. Dan beseft hij dat hem slechts één oplossing rest. 'Ik viel ontredderd op mijn knieën. O, God, gun me een laatste soelaas van bittere tranen!’
Ondertussen heeft Werther zijn beminde vele bladzijden lang geterroriseerd met zijn geklaag, gesmeek, gejammer, gezeur en gelamenteer, desnoods in aanwezigheid van haar echtgenoot. 'Werther’, zegt de man, die met een engelengeduld is gezegend, 'u ziet alles zo geëxalteerd.’ Het vermag de jongeman niet te kalmeren. Heeft iemand, inclusief Jezus Christus, ooit zo geleden als ik? vraagt Werther zich af. 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge mij verlaten?’ Alvorens zich de hersenen uit het hoofd te schieten stuurt hij Lotte een briefje opdat zij voor de rest van haar leven onder een martelend schuldgevoel gebukt moge gaan. 'Lotte, ik wil sterven’, kondigt Werther aan. 'Als je dit leest, lieve, beste, dekt het koele graf reeds het verstarde overschot van de rusteloze, de ongelukkige, die voor de laatste ogenblikken van zijn leven geen groter zoetheid zou weten dan met jou te praten. Deze nacht is beslissend geweest en heeft mij in mijn besluit gesterkt: Ik wil sterven.’
HET IS DE TAAL van een emotioneel chanteur, een stalker, jengelend om en hengelend naar ongewenste intimiteiten met een vrouw die, in haar onervarenheid, ook niet weet wat zij aanmoet met dat bombardement van genegenheidsbetuigingen. Hele generaties Werther-deskundigen hebben zich verbaasd over het feit dat het uitgerekend Lotte was die ervoor zorgde dat de labiele knaap die fatale pistolen in handen kreeg. Mij verbaast het niets. Enerzijds was Lotte gevleid door Werthers idolatrie. Toen deze echter alle redelijke grenzen dreigde te overschrijden en Werther zelfs zijn handen niet meer thuis kon houden, restte - jammer, tragisch, maar helaas! - slechts één manier om hem met goed fatsoen kwijt te raken.
Ondanks alles was Het lijden van de jonge Werther, de roman (uit 1774) die de fundamenten zou leggen voor het artistiek en intellectueel imperium van Johann Wolfgang von Goethe, een grensverleggend boek. Fatale liefde en rokende pistolen, het was op het breukvlak van de achttiende en negentiende eeuw vloeken in de kerk, het was ontolereerbaar in een stokstijve, zorgvuldig naar rang en stand ingedeelde maatschappij, waarin elke vorm van afwijkend gedrag als een doodzonde gold. Terwijl Werthers tijd- en leeftijdgenoten in Frankrijk de bestorming van de Bastille begonnen voor te bereiden, bewandelde men in het bedaarde Duitsland een literaire omweg in de vorm van de Sturm und Drang, de voorzichtige protestbeweging tegen de geritualiseerde conventies van een burgerlijke cultuur. Opeens waarde, in de persoon van Werther, een individu door de literatuur, ook al beleden de wertherianen hun individualisme op een wijze die letterlijk tenhemelschreiend was, hetgeen bij voorkeur werd gesitueerd op de maanovergoten, decoratief bemoste grafsteen van een dierbare overledene.
WERTHER was dit splinternieuw vertoon van idealisme voorgegaan. Zijn zelfmoord, zorgvuldig voorbereid en met redenen omkleed, leidde zelfs tot een soort Wertherfieber, die spoedig van Duitsland naar de rest van Europa oversloeg. Hele volksstammen liefdeshongerige jongelieden - zegt men - grepen eveneens naar het pistool, en als dat toevallig even niet voorhanden was hing men zich op of verdronk men zich in de bosvijver. Zo beweerden althans - ook in Nederland - bladen als Vaderlandsche Letteroefeningen, De Menschenvriend en De Vrolyke Zedemeester. 'Welk een verbaazend aantal van rampzaligen hebben niet hunne wreede handen met hun eigen bloed geverfd sedert Goethe het mensdom met het Lijden van den jongen Werther beschonken heeft!’
Het is een verhaal dat men tot op heden in de Goethe-literatuur terug kan vinden, zowel bij een geachte Goethe-deskundige als Richard Friedenthal als bij bijvoorbeeld kenners en liefhebbers als de schrijvers Louis Ferron en Gerrit Komrij. Het is niettemin een mythe. Zeker, Werther is uitgebreid berijmd, nagedicht, zijn beeltenis is in menige tafelpo gebrand, de epigonen en aanhangers besprenkelden elkaar met Eau de Werther en er was menige neo-Werther in het straatbeeld te zien, à la Werther gestoken in een blauwe rok, een geel vest, bruine laarzen, een gele pantalon, het geheel bekroond door een ronde, vilten hoed. Niettemin, die besmettelijke golf van suïcide heeft slechts plaatsgevonden in het stoffige brein der beroepsmoralisten, die in het gedrag van de verliefde jongeling de bron van al ’s werelds kwaad zagen en aan hun vervloekingen de meest boude onheilsprofetieën hebben vastgeknoopt.
ZO KREEG Goethe drie jaar na het verschijnen van de roman bezoek van lord Bristol, bisschop van Derry. Die stak tegen de schrijver een geharnaste Wertherpreek af, waarbij de gastheer (andermaal) die vermeende zelfmoordepidemie in de schoenen werd geschoven. 'Het lijden van de jonge Werther’, concludeerde de Britse geestelijke, was 'een immoreel boek’ dat niet streng genoeg kon worden veroordeeld. Goethe kon dit niet op zich laten zitten. 'Ha!’ riep de dichtervorst-in-spe. 'Als u al op deze toon tegen die arme Werther spreekt, welke toon slaat u dan wel aan tegen de groten dezer aarde die met één pennestreek honderdduizend mensen tot het slagveld veroordelen, waarbij alle betrokkenen tot moord, brandstichting en plundering worden geprovoceerd? Onderwijl dankt u God voor deze gruweldaden en zingt er zelfs een Te Deum bij! En wat doet u nu? U plaatst een schrijver, inclusief zijn werk, op de zwarte lijst, enkel en alleen omdat zijn boek door enkele labiele persoonlijkheden verkeerd is geïnterpreteerd, een feit waaruit deze domkoppen en deugnieten de consequentie hebben getrokken door het weinige licht dat in hun duisternis heerst voortijdig uit te blazen. Ik dacht dat ik de mensheid daarmee een goede dienst had bewezen, zodat ik eigenlijk uw lof verdien in plaats van uw berispingen!’
Het is een fraai en welsprekend voorbeeld van contemporaine kritiek op de clericale dubbelhartigheid-door-de-eeuwen-heen - en bovendien moeten wij uit Goethes woorden de conclusie trekken dat ook hij in het woeden van zo'n zelfmoordepidemie heeft geloofd.
GOETHE MAAKTE er tegen J.P. Eckermann, zijn huispapegaai, geen geheim van: 'Ik heb de pelikaan met mijn eigen hartebloed gevoederd.’ Daarmee bedoelde hij dat de belevenissen van Werther zijn belevenissen zijn geweest, met dien verstande dat Charlotte S. in werklijkheid Charlotte Buff heeft geheten, wier aanbidder, na door haar te zijn afgewezen, uiteindelijk véél te verstandig was zich harentwege het leven te benemen. Goethe gaf er de voorkeur aan zijn emoties tot literatuur te veredelen en, over de rug van de arme Werther heen, wereldberoemd te worden. Voelde hij, en voelden al die andere ingezetenen ener volkomen masculiene maatschappij in feite niet een soort minachting voor zo'n doetje als Werther, met zijn 'al te grote sensibiliteit’ (Werther over Werther), een sensibiliteit die van oudsher het prerogatief van het kantklossend deel der natie was geweest? Had Goethe die echte of vermeende zelfmoordenaars tegenover de bisschop van Derry geen 'domkoppen en deugnieten’ genoemd? Dit harde oordeel vertoont een opvallende parallel met dat van de anonieme officier die, met de rondborstigheid van zijn kaste, zei: 'Een vent die zichzelf vanwege een meisje om het leven brengt, enkel en alleen omdat zij niets van hem wil weten, is een dwaas en er is niets aan gelegen of er een dwaas meer of minder op de wereld rondloopt.’
Het waren mannelijke woorden, die in Duitsland vóór het optreden van de jonge Werther min of meer de communis opinio representeerden. Waarna de Duitsers, toch al tot een zekere ongebreideldheid geneigd, in een radicaal andere richting dreigden door te schieten. Madame Germaine de Staël, die het land van 1803 tot 1808 bereisde, was getuige van dit proces. 'Door Werther waren overdreven gevoelens zozeer in zwang gekomen dat bijna niemand zich meer kil of gereserveerd durfde te betonen, zelfs niet als zijn aard van nature zo was’, schreef zij. 'Vandaar die verplichte geestdrift voor de maan, de bossen, het platteland en de eenzaamheid, vandaar die zenuwziekten, dat gekunstelde stemgeluid, die smachtende blikken, kortom, die hele poespas aan sentimentele gevoeligheden die door sterke en oprechte geesten worden afgewezen.’
OOK IN NEDERLAND. Enerzijds is er sprake van menige jongejuffrouw die bij het lezen van de roman ostentatief een appelflauwte krijgt. Anderzijds is het boek ook hier een regelrechte bedreiging van de openbare orde, tot dusverre gekenmerkt door het rookgekringel uit de gouwenaar en de weldadige traagheid van de trekschuit tussen Haarlem en Leiden. De geest van Werther, schreef J. Prinsen, 'stond absoluut buiten het beperkte brein en het slappe gevoel van den bloemzoeten Hollander dier dagen’, die hoogstens uit zijn lethargische dommel ontwaakte door 'den knal van heusche pistolen’.
Ook te onzent werd Werther van alle kanten onder vuur genomen.
Lezen de kinderen wel de juiste boeken? vroeg A. aan zijn vaderlijke vriend B.. Is het niet erg onverstandig geweest hen een boek als Het lijden van de jonge Werther te recommanderen? Want: 'Ik heb gemerkt, dat hunne harten zeer gevoelig zijn. Laatst met uw Dochter in de Maaneschijn kuijerende zuchtte zij even, alsof zij Charlotte was, die Werther verlooren hadt, en sprak mij geduurig, dat haar bestaan als opgelost wierd in de schoonheden der natuur, terwijl zij gestadig het oog gevestigd hield op een strik, die ik geloof, dat de heer Mirandus, haar op een middag present gedaan hadt. Ik ging toen eens doorpraaten, met uw Dochter over dat opgeloste wezen, en ik vond niets anders, mijn Vriend, dan eenige klanken van “, ach, gevoel, tederheid, zagte bedwelmende gewaarwording, enz.’
De spreker vervolgde zijn analyse: 'Beide, uw dochter en zoon, zijn ze juist in de Jaaren dat de natuurlijke liefdesdrift de grootste verwarring in het brein en hart der Menschen kan aanrechten. Sofia meent, dat ieder Jongeling, die haar aanziet, of haar eens een verliefd kneepje geeft, haar met eene eeuwige, heilige liefde aanbidt, en zich als een andere Werther om haar tenminsten zich verdrinken zou, daar dit in dit land gemaklijker is, dan zich voor den kop te schieten. Alexis verbeeldt zich, dat hij een Meisje maar eens ter degen toe te lonken heeft, en dat dan haare gevoelige ziel zo aan hem verkleefd moet wezen, dat zij alle andere betrekkingen verachten moet, en haar Vader en Moeder haaten, en zich werpen in de armen van een Jongeling, die zo veel denkbeelden heeft van wezenlijk Menschengevoel en het verhevene der liefde, als de kat, die tegen de gindsche Boom opklaauwtert, van de Algebra.’
'Maar mijn Vriend, wat raad, wat raad!’ riep de vader ontsteld.
Die heeft zijn vriend gelukkig ruimschoots voorhanden: 'Neem alle de sentimenteele jaa alle Romaneske Boeken uit de Kamer van Alexis en Sofia, want de beste Romans zijn nu vergift voor beide. Leg er eenvoudige zedekundige geschriften in de plaats, en sluit de genoemde Werken op.’
GOETHES BOEK moge inmiddels tot de grens der onleesbaarheid zijn verouderd, het thema heeft zijn eeuwigheidswaarde behouden: de jonge rebel versus de boze, behoudzuchtige buitenwereld, die het niet accepteert als je aan andermans echtgenote zit en met hel en verdoemenis dreigt als je de baas over je eigen leven wenst te wezen. Men herkent in Werther de vrijgevochtenheid van de punkers, met die demonstratieve veiligheidsspeld door hun neus, hij is verwant aan Holden Caulfield, de dolende hoofdfiguur in Salingers The Catcher in the Rye, en wie aan de wieg van de jonge Oostduitser Edgar Wibeau heeft gestaan, de tragische held in Ulrich Plenzdorfs Die neuen Leiden des jungen W., drong zelfs door tot de botte schedel van de toenmalige staatsschef Erich Honecker, die bij de verschijning van het boek meende te moeten waarschuwen tegen de nieuwe subjectiviteit in de literatuur, op contrarevolutionaire wijze cumulerend in antisociaal en antisocialistisch geflirt met de dood.
In het Nederlandse taalgebied lijkt Werther nog het meest op Boudewijn Büch, althans op de dichter Büch, met zijn op vele Goethe-thema’s gebaseerde poëtische Weltschmerz. Níet zozeer op de schrijver Büch, een waarachtige Goethe-geleerde, wiens eigen Goethe-monografie (Goethe en geen einde, 1990) helaas niet meer dan een catalogus van de feiten en feitjes is die er in de loop der jaren over Goethes kat, Goethes hond, Goethes bril en Goethes valse tanden in circulatie zijn gebracht. De jonge Werther en de jonge Büch - het zijn hooggetalenteerde jongelui, maar te ongedurig en te ongeduldig, de een om te leven, de ander om een behoorlijk boek te schrijven.
IN 1938 SCHREEF Thomas Mann een essay over Goethes Werther, die op de laatste bladzijde een interessante suggestie bevatte. Stel je de volgende situatie voor, schreef Mann. Een oude dame brengt in 1816 een familiebezoek aan Weimar, de woonplaats van Duitslands meest gevierde, inmiddels bejaarde dichter en schrijver. De dame is Charlotte Kerstner, geboren Buff, die ooit model voor Werthers Lotte heeft gestaan. Het nieuws komt Zijne Excellentie al snel ter ore. Hij nodigt haar uit voor de lunch, waarnaà 'Kort gezegd’, schreef Mann, 'ik denk dat dit gegeven zich uitstekend leent voor een beschouwelijke novelle of roman, over sentiment en literatuur, over waardigheid en ouder worden, waarbij tussen de bedrijven door een indringend beeld van Goethes karakter en genialiteit kan worden geschilderd. Misschien is er een schrijver die zich door het bovenstaande voelt aangesproken.’
Uiteindelijk schreef Mann die roman dus maar zelf. Het werd Lotte in Weimar (1939).
HET IS EEN BOEK waarin een onverwachte blik op de battle of sexes wordt geworpen. Er is in de rond veertig jaar dat zij, Charlotte Buff en Goethe, elkaar niet hebben gezien, natuurlijk veel veranderd. Charlotte is niet alleen oud maar ook wijs geworden, een representante van een geslacht dat allang niet meer in de kantklosserij de hoogste levensvervulling ziet. Goethe is op zijn beurt niet alleen oud geworden, maar heeft zich, als zovelen van zijn leeftijd- en seksegenoten, tot een traditionele conservatief ontwikkeld. De mannen zijn, zoveel jaren na de Wertherfieber, uitgeweend. Het was een ongewenste aanval van gevoeligheid geweest, waarna zij weer hun oude gewoonten (en machtsposities) hebben ingenomen. Goethe op kop. In feite is de Heros, de Geweldenaar, de grote, dierbare Meester inmiddels een onuitstaanbare conservatief waar geen zinnig, menselijk woord uit te krijgen is, ook niet tegenover de aanbedene uit zijn jongelingsjaren, die hij voor de lunch heeft uitgenodigd. Hij orakelt boven de soep voornamelijk over het 'overdreven liberalisme’, gedomineerd door 'de waan van de jongeren die zich met alle geweld met de hoogste staatsaangelegenheden wensen te bemoeien’. Om zijn, tussen de gangen door gepraktiseerde bruuske humor wordt door de tafelgenoten 'gedienstig’ gelachen. Behalve door Charlotte, die zich danig ergert aan ’s mans haantjesgedrag. Na een gezamenlijk bezoek aan Theodor Körners treurspel Rosamunde ('In de parterre stromen iedereen de tranen over de wangen’) wordt zij door hem in zijn equipage naar het hotel gebracht. Zij geeft hem er ongenadig van langs. Wat is er na 'ons boekje, Werther’ van de sensibele jongeling van vroeger terechtgekomen? Waar gewone mensen zich nog steeds graag willen laten ontroeren, 'maak jij de dingen koeltjes “interessant”’. Zij zucht. En verzucht: 'Je hebt er goed aan gedaan, Goethe, dat je je ooit jeugdige gestalte in een kunstwerk vereeuwigd hebt, nu je als een stijfbenige excellentie het tafelgebed voor je hielenlikkers uitspreekt. Alle poëtische vernieuwing en verjonging ten spijt sta en loop je zo stijf dat het erbarmelijk is, en je loodzware hoffelijkheid kan, dacht ik, ook wel wat opodeldoc gebruiken.’
Goethe hoort haar met beleefde verbijstering aan. Wat durft die vrouw allemaal tegen hem te zeggen, tegen hém, de alom aanbeden vorst aller dichters en denkers, tegen hém die zelfs door zijn eigen moeder met u werd aangesproken! Maar zij, deze vrouw, is hem inmiddels vrijelijk gaan tutoyeren. Terwijl hij zelf niet anders dan de traditionele, in gietijzer gegoten beleefdheidsfrasen over zijn lippen kan krijgen!
Zo werden, in de persoon van Duitslands meest vooraanstaande kunstenaar, de eerste scheurtjes zichtbaar in het mannenbolwerk, opgetrokken uit eigenwaan en als vanzelfsprekend ervaren baasjesspelerij.
DE JONGE Werther had de vrouwen tot tranen toe weten te ontroeren; niettemin had zijn larmoyante optreden een onverwacht neveneffect. Kronkelend in het stof maakte hij hen van hun macht bewust. Wie had eigenlijk bedacht dat de vrouw de mindere van de man zou zijn? Werthers Lotte, en mét Lotte haar seksegenoten, had een lange weg te gaan, een marsroute die zeker nog anderhalve eeuw in beslag zou nemen.
'Als de vrouwen eens wisten wat zij zouden kunnen als zij zouden willen’, had Goethe eens gezegd. Zij wilden zo veel! Om te beginnen wilden zij geen huisslavin meer zijn. Zij wilden een gelijkwaardige plaats in een genormaliseerde samenleving mét behoud van hun geheime wapen: hun sensibiliteit, zij het niet in de overdosis die de jonge Werther fataal was geworden.
Nog was de tijd niet rijp. Eerst moesten er nog wat revoluties worden uitgeroepen en oorlogen worden uitgevochten, gebeurtenissen waarin de vrouwen, door aard en aanleg, een bescheiden aandeel zouden hebben, waardoor de mannen trouwens werden gestijfd in het denkbeeld dat zij nog steeds de eersten en de besten waren.
Toen brak, althans in het ontwikkelde en welvarende deel van de wereld, eindelijk een langdurige periode van vrede aan. En terwijl de mannen hun plaatsvervangende oorlogen naar de boksring en het voetbalveld verplaatsten, grepen de vrouwen hun kans. Zij lieten weten voortaan baas in eigen buik te zijn, infiltreerden de massamedia en bestormden het ambtenarenapparaat benevens de politieke instituties waar zij tot dusverre slechts de alibirol van die éne neger in het State Department hadden mogen spelen.
In de slaapkamer hadden zij altijd al de dienst uitgemaakt. Nu begon het eindelijk tot die botte mannenbreinen door te dringen dat hun partners (in werkelijkheid niet zelden hun voormalige partners) ook elders konden worden ingezet, sterker, het bleek in de praktijk dat zij zich in hun pasveroverde functies beter, intelligenter, integerder én sensitiever weerden dan hun toenmalige onderdrukkers ooit voor elkaar wisten te krijgen. Die bleven in hun gevoelsarmoede verschanst en vroegen zich verbijsterd af hoe het ooit zo ver heeft kunnen komen.
De vrouwelijke vechtlust, waarvan altijd was beweerd dat die niet bestond, was beloond, de vrouwelijke rede, die altijd laatdunkend was ontkend, had getriomfeerd, de enige oorlog die de moeite van het voeren waard is, was uitgevochten, de jonge Werther had zijn tranen niet voor niets gestort.