Lou lichtveld

Dezer dagen is hij eregast op het Nederlands Filmfestival. Lou Lichtveld, beter bekend onder zijn schrijversnaam Albert Helman, was tussen 1928 en 1933 pionier op het gebied van de geluidsfilm, onder andere voor films van Joris Ivens. Een portret van een uomo universale.

‘IVENS RAADPLEEGT zijn draaiboek. “Zesde rol!” roept hij naar Lou Lichtveld. “Ben je klaar, Lou?” Dan tot den mixer gewend: “Also - wir brauchen jetzt noch die Stimme…”, en zijn vergissing (een heel gewone overigens in dit internationale milieu!) bemerkend: “Ah pardon.” De Philips-omroeper, expert in geluiden voor de microfoon, neemt zijn plaats in en begint plichtmatig te hijgen. Na het eerste hijgnummer komt Lichtveld uit de cabine. “Wat hoor je, Lou?” vraagt Ivens, die bij den hijgkunstenaar is achtergebleven. “Branding van golven op het strand”, luidt het enigszins verbijsterende antwoord. “Dus nog eens over!” ’
We schrijven 30 mei 1931. De opwinding waarmee L. J. Jordaan in De Groene Amsterdammer de geluidsopname voor de film Philips Radio verslaat, tekent de tijdgeest. Hier, in de Franse studio’s van Philips Sonore, werd gepionierd! En het was Lou Lichtvelds bijdrage aan deze film over de produktie van Philips-radio’s, die de aandacht van de pers trok. Ivens en Lichtveld hebben een gelijkwaardig aandeel in dit 'mechanisch Gesamtkunstwerk’ - hetgeen sindsdien wel eens over het hoofd werd gezien. Ivens tekende voor het beeld en Lichtveld voor het geluid. Dat bestond uit zijn Milhaud-achtige muziekcompositie, uit abstracte menselijke klanken zoals bovengenoemd gehijg bij beelden van het glasblazen, uit effecten, dialoog en stilten, die door Lichtveld al tijdens de opnamen op de juiste plek in de film moesten worden 'gemonteerd’.
In de zinderende spanning in de Franse studio ontstond Nederlands eerste lange geluidsfilm. Philips was niet zo tevreden, want er zouden te veel zwoegende arbeiders in beeld zijn. Ivens ook niet, want hij had wel een kunstwerk in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid gemaakt, maar de arbeiders waren te zeer uit het zicht verdwenen. De pers stond welwillend tegenover het experiment. En Lichtveld had zijn doel bereikt: kennis vergaren over de techniek en de mogelijke effecten van geluid.
Een jaar na de opnamen voor Philips Radio, in 1932, componeerde Lichtveld muziek voor Ivens’ Regen, een film die al een paar jaar oud was. Hoe weinig heilig het filmgeluid was, of beter: hoe heilig de beeldregisseur, blijkt uit het feit dat Ivens voor beide films later een andere geluidsband liet vervaardigen. De inmiddels negentigjarige Lou Lichtveld vertelt in het laatste nummer van Skrien, als het blad hem per ongeluk heeft getracteerd op een vertoning van Philips Radio in het nieuwe geluidsjasje, dat hij in die veranderingen niet is gekend: 'Al had ik het natuurlijk kunnen vermoeden, want voor “Regen” heeft Ivens ook een andere geluidsversie laten maken, door Hanns Eisler. Dat ontdekte ik een jaar of zes geleden. Maar ik begrijp het wel. Joris was een aartscommunist - wij noemden hem dan ook Boris - en toen hij op een gegeven moment naar Rusland is gegaan, moest hij daar natuurlijk laten zien wat hij in de voorgaande jaren had gedaan. Hij moest het van die mensen hebben. En hij zal toen wel hebben besloten dat hij met de middelen die hem inmiddels ter beschikking stonden ook iets heel anders kon doen. De Sovjets zijn altijd auteursrechtpiraten geweest, ze vonden dat je alles mocht doen wat je wou. En dat heeft Joris klaarblijkelijk ook gedacht.’
GEDREVENHEID bleef ook na het maken van Philips Radio de belangrijkste karaktertrek van Lodewijk (Lou) Lichtveld. In Spanje, waar hij van 1932 tot 1938 voor de NRC en De Groene de burgeroorlog volgde, is hij, naar eigen zeggen, door toedoen van de communisten zijn muzikale erfenis en toekomst kwijtgeraakt - zijn sympathie lag bij de armen en niet bij partijen die een ideologische strijd over hun hoofden uitvochten. De musicus en geluidskenner in hem - hij had in zijn geboorteland Suriname muziek gestudeerd - hield het voor gezien, al zou hij in de jaren vijftig nog een Volksmuziekschool in Paramaribo oprichten. In 1933 had Lichtveld in het boek Filmkunst (onder zijn nom de plume Albert Helman) ook zijn laatste woorden over film geschreven. Net als Menno ter Braak, de grote man achter de Filmliga waarvan zowel Ivens als Lichtveld na de oprichting in 1927 adviseur waren geworden. Bij de zwijgende (avant-garde)films improviseerde hij op de piano en draaide hij de grammofoonplaten die hij in De Groene recenseerde.
Maar Lichtveld keek verder dan zijn Liga- vrienden; hij had oog voor vernieuwingen in de kunsten die buiten hun blikveld bleven. En hij keek vooral anders: minder vooringenomen. 'Hij was niet bang voor de mechanisering van de kunst en hij flirtte met de populaire cultuur op een wijze die hem niet in dank zal zijn afgenomen’, schrijft Karel Dibbets in zijn boek Sprekende films. 'Negro-spirituals kon hij met evenveel liefde analyseren als strijkkwartetten, de stem van Marlene Dietrich bracht hem evenzeer van de kook als die van een concertzan- ger.’ Lichtveld was een ketter binnen de club, iemand met een brede, vooruitziende blik, die zich niet zoals zijn Liga-genoten bleef verzetten tegen de opkomst van de geluidsfilm en van de - o gruwel! - sprekende film.
Waarom filmmuziek? luidde de titel van zijn eerste Liga-geschrift, dat in november 1928 verscheen. Als kenner van de werking van de zintuigen wist hij het antwoord: 'De gezichtsindrukken hebben een aanvulling noodig.’ En muziek was immers 'gehoorfilm’. Pas nadat de vereerde Russen en Walter Ruttmann zich in het eerstvolgende nummer achter Lichtvelds meningen schaarden, volgde de redactie schoorvoetend. Lichtveld vond ook dat de kennis die de avant-garde had opgedaan met geluid bij documentaires, ten goede moest komen aan de speelfilm en dat men dat genre dus zelf ter hand moest nemen. Het moet de Liga-heren heel wat slapeloze nachten hebben bezorgd.
In De Groene Amsterdammer kon Lichtveld vrijuit schrijven over zijn geluids- en andere kunstpassies: over Oskar Fischinger, die hij in Berlijn ontmoette toen hij zich daar voor Philips Radio orienteerde, over zingende negers, waarvoor hij een wiskundig-linguistische 'phonophotographie van de nergerlach’ ontwikkelde, of over radiotechniek. Lichtveld leefde zijn passie voor het schrijven eind jaren twintig al in vele media uit, van De Telegraaf tot De Vrije Bladen. In 1926 was zijn eerste roman Zuid-Zuid-West verschenen. Hij was toen een 23-jarige letterkundige en stond op het punt hoogleraar te worden in de creoolse talen te Leiden - maar dat ging niet door vanwege de anti-koloniaal getinte epiloog in Zuid-Zuid-West.
DE FILMLIGA WERD hoe langer hoe wereldvreemder en verdween van het podium toen de geluidsfilm tot amusement voor het volk werd en de politiek door de economische crisis niet langer buiten de deur kon worden gehouden. Lou Lichtveld daarentegen had in de jaren twintig de smaak van het publiceren te pakken gekregen. Vorig jaar drukte Mutyama, een tijdschrift voor Surinaamse cultuur en geschiedenis, de duizelingwekkende bibliografie van Lichtveld/Helman af ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag. Onder de naam Albert Helman schreef hij tientallen romans, waarin de Nieuwe Zakelijkheid van de films met Ivens voelbaar bleef; hij publiceerde daarnaast ook dichtbundels en vele beschouwingen over schrijvers (Slauerhoff) en literatuur, maar ook over joodse vluchtelingen, over Gerrit-Jan van der Veen (in wiens verzetsgroep hij tijdens de oorlog zat), over Mexicaanse cultuur en over Suriname. Onder de naam Lou Lichtveld schreef hij veel over kunst en taal, maar behandelde hij ook onderwerpen als Afrikaans bijgeloof, democratisering, muziek en vooral Suriname.
Met zijn geboorteland, waar zijn familie tot de 'gekleurde middenklasse’ behoorde, heeft hij altijd een haat-liefdeverhouding gehad - 'het land dat hij “om zijn koloniale verwaarlozing en benepenheid gezworen had nooit meer terug te willen zien” en er vervolgens in 1949 terugkeerde, om het dan, na enkele jaren, wederom te verlaten, met acherlating van zeventien ontslagbrieven’, valt te lezen in het Lichtveld-nummer van Mutyama. Want de man die naast zijn schrijfwerk ook nog tijd overhield voor wetenschap (hij heeft een eredoctoraat in de linguistiek aan de Universiteit van Amsterdam) en politiek, was een ding wezensvreemd: benepenheid, hokjesgeest.
Lou Lichtveld heeft nu al bijna de hele twintigste eeuw meegemaakt, een eeuw die hem heeft gevormd tot een speelse vernieuwer, en tegelijk tot een wereldburger en humanist in de klassieke zin van het woord. Moge hij nog lang spreken.