Louis ferron ‘ik roer graag in de droesem’

Vrijwel al zijn personages zijn ouwe mopperkonten die zich terugtrekken in het ballingoord van een versleten rookstoel. Autobiografisch? Zeker. Maar Louis Ferron komt de rookstoel wel eens uit, om in dubieuze kroegen rechts-extreme praat aan te horen. ‘Ik heb ergens de hoop dat er onder die kromme redeneringen iets heel zuivers zit. De kern van alle kennis ligt wellicht bij de eenvoudigen des harten.’

Ondanks de Ako-prijs voor zijn roman Karelische nachten en een almaar verder uitdijend oeuvre, lijkt Louis Ferron gedoemd zich te moeten blijven ophouden in de schaduw van het literaire theater van Nederland. Maar wellicht houdt de schrijver juist van die positie. Hij is opgegroeid in Haarlem, en daar woont hij nog steeds, aan een van de oudste grachtjes van Nederland, een paar huizen voorbij het kantoor van de Rozenkruisers en tegenover een yogacentrum waar zich in de jaren zestig het roemruchte Electric Centre bevond. Liever daar, onder de rook van toen, dan in de Amsterdams grachtengordel.
Ook de personages in zijn boeken leven bij voorkeur in de schaduw: verzuurde, pathetische mannen met een moedercomplex en een gebrek aan daadkracht. Zijn nieuwste boek, De Walsenkoning, gaat weer over zo'n personage. En over Haarlem. En over goed en fout voor en na de oorlog.
Gaan al uw boeken in feite over een en dezelfde persoon?
Ferron: ‘Ja, het is niet eens zo gewaagd om het zo te stellen. In die zin zijn ook mijn zogenaamde historische romans autobiografisch. Het Duitsland in mijn boek is gemodelleerd naar wat ik in Haarlem ervaren heb: het broeinestidee, de provinciestad als kweekvijver voor gemankeerde ambities. Kijk, ik heb wel veel te mopperen op Haarlem, maar ik zal er niet gauw weggaan. Een achtergrond waartegen het kwaad geboren wordt. Hoe wordt die rancune gevoed, daar ben ik naar op zoek. En als het even kan met een beetje sympathie. Haarlem is een typische ambtenarenstad, met nauwelijks enig proletariaat van betekenis. Wel met, vergeleken met andere Noordnederlandse steden, een hoog percentage geemancipeerde katholieken, die daar iets werelds aan meegeven.
Ik heb ook nog de roemruchte laatste jaren van societeit Teisterbant meegemaakt. Daar kwam je dat in optima forma tegen: burgerij met artistieke ambities. Wacht deel twee van De Walsenkoning maar af, daarin komen die luitjes aan de orde. Ik was toen een jaar of twintig, had artistieke ambities, dus ik wou zo gauw mogelijk bij zo'n clubje horen. Maar ik had al even zo gauw door dat het allemaal heel benard en heel beperkt was wat daar speelde. Harry Mulisch was toen al naar Amsterdam vertrokken. Gillend weggelopen, mag ik aannemen. Ja, Bomans bleef er zitten. Maar die hoorde er ook thuis, dat was de grote paus van dat Teisterbant. Daar mocht ik alleen maar vanuit de verte naar kijken.’
Bestaat er een speciale Haarlemse variant van extreem rechts?
'Zo ver durf ik niet te gaan. Ik ben wel van mening dat een stad als Haarlem heel gevoelig voor dat soort ontwikkelingen zou kunnen zijn. Al zijn we in Haarlem toch weer te fatsoenlijk om CD te stemmen. Maar God hoort ze brommen. Tenminste, zo wil ik het zien. Ik heb vooral iets tegen dat fatsoen. Omdat ik dat aan den lijve heb ervaren, in zijn meest abjecte vormen. De manier waarop ik werd behandeld toen ik terug was uit Duitsland - zoals dat een beetje in De Walsenkoning aan de orde komt - dat heb ik echt als grievend ervaren.’
Wanneer was dat?
'Zeg maar begin jaren vijftig. Laat ik zeggen tussen mijn zesde en mijn twaalfde.’
U werd op school gepest omdat u Duits was?
'Bij vriendjes niet over de vloer mogen komen. Gesmiespel achter je rug: “Jouw moeder is toch niet getrouwd?” Dat soort grappige teksten met die ondertoon van: “Je deugt niet, je vader is een Duitser.”
Nee, ik heb geen Duitse achternaam, ik heet naar mijn moeder. In Duitsland heette ik Beckering, naar mijn vader. In die buurt in Haarlem, de bomenbuurt, keek je bij elkaar op tafel. Katholieke klijnburgers. De kleinburger in uw boeken is altijd in het verleden geplaatst.
'Ik zou hem ook niet in het heden kunnen plaatsen, omdat ik het gevoel heb dat dat type aan het uitsterven is. Dat is toch allemaal vooral mijn eigen generatie.’
Bent u gefascineerd door zo iemand als Janmaat?
'Dat spreekt bijna vanzelf. Ik heb laatst een paar interviews uit de krant geknipt met van die Janmaat-achtige jongelui. Kaalgeschoren koppen, grote laarzen aan. Ik dacht: dit is iets waar ik niet nu maar misschien wel over een jaar of tien wat mee kan.’
U heeft zich enorm met de Tweede Wereldoorlog beziggehouden. Ziet u niet voortdurend parallellen?
'Ja en nee. Misschien juist omdat ik me er zo in heb verdiept, vind ik de verschillen markanter dan de overeenkomsten. Dat irriteert me ook een beetje aan een instituut als de Anne Frank Stichting en allerlei zich braaf wanende politieke partijen en voormannen. Ik vind het nogal makkelijk om die parallellen te trekken. Ik ervaar dat de verschillen misschien wel groter zijn. Alle Janmaat-stemmers voor racisten uitmaken, dat vind ik dom en demagogisch. Dan zet je ze nog meer in een hoek, en ze voelen zich al zo in een hoek gedrukt.’
Voor de oorlog bestond extreem rechts in Nederland in eerste instantie uit allerlei intellectuele clubjes.
'Precies. De NSB mag je geen fascistische beweging noemen. Zeker niet de intellectuelen, dat waren toch eigenlijk halve anarchisten. Het enige wat die lui wilden, was dat ingeslapen Nederland wakker schudden. Waar op zich nooit wat op tegen kan zijn, vind ik. Ik denk dat als ik bijvoorbeeld jong zou zijn geweest in het begin van deze eeuw, ik op dezelfde manier fout zou zijn geweest als iemand als Ernst Junger. Of Thomas Mann, die uiteindelijk toch een onverdacht democraat werd, maar die ook in het begin van Eerste Wereldoorlog het gevoel had dat die de grote zuivering zou brengen in een vastgelopen samenleving. Dat de werkelijke waarden van de mensen weer naar boven zouden komen: kameraadschap, dapperheid, trouw, eergevoel.’
U kunt zich daar wel in vinden?
'Ik pleit me van geen enkele menselijke domheid vrij. Ik denk dat als ik in die tijd zou hebben geleefd, het niet onmogelijk is dat ik net zo hard had meegelopen.’
De personages in uw boeken komen vrijwel niet tot handelen.
'Je schrijft tot op zekere hoogte natuurlijk altijd vanuit je eigen milieu. Dan heb ik het over de generatie van mijn ouders. Mensen die nooit over hun eigen schaduw konden heenspringen, niet in staat waren op ouderwets marxistische wijze de wereld te analyseren en er een conclusie uit te trekken. En dan zie je ze wegzakken in het zomp van die samenleving. Veel van mijn personages hebben natuurlijk even iets meer dan dat. Ze beseffen dat heel vaag, maar komen toch niet uit het zomp. En dan zie je ze allemaal verkeerde keuzes doen, omdat ze denken dat ze bij een flinke partij als de nazi’s dat ideaal zouden kunnen waarmaken. In die zin geneer ik me er absoluut niet voor om mijn eerste boeken marxistisch te noemen.’
U heeft het communisme aangehangen?
'Tamelijk enthousiast zelfs. Dat heeft tot m'n vijfentwintigste geduurd, en daarna ben ik langzaam via de PSP, zoals dat dan gaat, naar politiek indifferent afgedaald. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat het conservatisme mij persoonlijk paste. Gaandeweg zijn mijn personages om die reden ouwe mopperkonten geworden die zich terugtrokken in het exil van een versleten rookstoel.’
Probeert u ze nog wel in beweging te krijgen?
'Ik laat ze op zoek zijn naar dat sprankje licht. Maar ik weet zelf nog niet waar het zit.’
U bent nog in de weer geweest met een lokale partij hier in Haarlem.
'Wat mij voor ogen stond, was een beetje wat nu de SP doet. De sentimenten van de CD-stemmer serieus nemen, en daar iets mee doen. De mensen waarmee ik dat clubje probeerde op te zetten, vonden dat toch een beetje eng. Maar goed, je moet gewoon boeken schrijven. Het had ook te maken met het feit dat ik in die periode worstelde met De Walsenkoning. Ik dacht, als ik niet uit dit boek kom, dan staat mijn schrijversschap stil. Die drempel moest ik over.’
Heeft dat te maken met het autobiografische element in 'De Walsenkoning’?
'Dat ik mijn moeder zo heb neergezet, daar had ik het emotioneel toch moeilijk mee. Ik kwam daar niet doorheen, en ik dacht: als je daar niet doorheen komt, moet je ophouden met schrijven, dan kom je nooit meer verder. Terwijl, dat moet je wel beseffen, het brave mens nog leeft. Ik heb haar in het boek doodgemaakt - nou dat heeft een bijna animistische werking. Ik kan nog wel ter mijner ontlasting zeggen: ik heb mezelf ook niet op mijn allersympatiekst neergezet.’
De zoon in het boek heeft nooit afstand van de moeder kunnen nemen.
'Nee. Maar nu komen we wel op het moeilijke gebied van de psychologische interpretatie. Ik zie het niet zozeer als mijn taak om mijn eigen analyse te leveren. Ik kan wel zeggen dat ik de neiging heb om me te zeer aan vrouwen te hechten.’
Voelt u zich aangetrokken tot sterke vrouwen?
'Ik denk het wel. Hoewel ik ook mijn uiterste best lijk te doen de omstandigheden zo te maken dat ikzelf vertrokken ben voor ik kan worden verlaten door de vrouw. Dat schijnen ze verlatingsangst te noemen. Maar ach, hachelijke materie hoor.’
In hoeverre gaat u mee met de 'foute’ opvattingen die uw personages er op nahouden?
'Ver. En dat mag je als staatsburger natuurlijk niet doen. Ik ga wel zo ver dat als ik in cafes kom, ik unverfroren meepraat met de meest rechtse teksten die er geuit worden. Als ik ga zeggen van foei bah, dan houden ze hun mond dicht en daar worden we ook niet veel wijzer van. En dan voel ik ook af en toe aan mezelf dat ik drempels overschrijdt. Dat ik denk: he, ik ben het misschien wel meer met die persoon eens dan ik mezelf zou durven toegeven. De enkele keer dat ik in Amsterdam in cafes kom waar ik collega’s zie, loop ik hard gillend weg, want met dat soort dapper geklets wil ik niks te maken hebben. Maar de mijnheer die al dertig jaar werkloos is, of de mijnheer die een kapotte rug heeft, of een vermeende kapotte rug omdat-ie geen zin heeft om te werken, en die vervolgens kankert op alle uitkeringstrekkers: over die mensen wil ik het hebben.’
U hoort ze uit.
'Ik hoor ze uit, ik praat met ze mee, ik help ze op weg. Kijk, mijn boeken lezen ze toch niet. Dus ze zullen zich er ook nooit in herkennen.’
Heeft u het idee dat die mensen een soort geheim hebben?
'Dat zou best wel eens kunnen. Dat ze niet zo slecht zijn als ik denk dat ze zijn. Dat er ergens wel degelijk een sprankje medeleven met hun soortgenoten is. Misschien is dat het wel. Maar ik weet het niet precies, hoor. Misschien moet je wel zeggen dat de kern van alle kennis bij de eenvoudigen des harten ligt. In de bijbel, in het Nieuwe Testament, staat ook dat we allemaal als kinderen moeten worden. Dat soort mensen dat altijd in de hoek zit waar de klappen vallen, misschien hebben die uiteindelijk wel de geldige ethiek in huis. Die moet alleen even zichtbaar gemaakt worden. Misschien.’
U zegt 'misschien’, maar u steekt er toch nogal wat energie in.
'Ik kan het nog niet hard maken. Maar die mensen zijn alleen nog maar bezig met overleven. En mensen die daarmee bezig zijn - zo kom ik toch weer bij Junger en aanverwanten terecht - staan nog steeds op het slagveld en komen juist door hun directe confrontatie met de hardheid van het leven dichter bij de waarheid dan wie dan ook. Al denk ik niet dat ze zelf in staat zijn om het goed te verwoorden. En ik denk ook dat ze drogrederingen hanteren. Ik heb ergens de hoop dat er onder die kromme redeneringen iets heel zuivers zit. Alleen heb ik dat nog niet los kunnen pellen.’
Zolang u nog niks heeft gevonden, kunt u altijd blijven denken dat er iets moois moet zijn.
'Ja, dat zou best kunnen. Als ik dat zou ontdekken, had ik ook mijn laatste boek geschreven natuurlijk. Ja God, puur vanuit je ambacht gezien moet dat motortje ook wel blijven draaien.’
U houdt dus een mythe in stand.
'Mogelijk.’
Zo kan ik dit alles toch wel samenvatten.
'Ja, wat is daar op tegen?’
U komt die personen in die cafes niet echt tegen, u komt een beeld tegen.
'Dat is natuurlijk ook zo. Dat is ook bijna onlosmakelijk verbonden met het schrijven van belletrie. Als ik ze letterlijk zou beschrijven, in naturalistsche zin, dan wordt het zo eendimensionaal dat ik mijn bedoeling voorbijschiet, denk ik.’
Ja, in de Nederlandse literatuur is de gewone man vrijwel uitgestorven.
'En dat spijt mij zeer. Want hij bestaat natuurlijk tot op zekere hoogte nog wel. Ja, hij heeft nu zo'n raar sportkostuum aan. En hij heeft wel degelijk te eten. Want ik zie hem in de supermarkt bezig en dan laadt hij zijn karretje voller dan ik het mijne. Maar als ik die arme afgetrapte man in zijn sportpakje zie rondlopen, word ik toch door diep mededogen beroerd, hoor.’
Toch zult u die hedendaagse personen niet snel beschrijven.
'Omdat ze me nog veel te dicht op de nek zitten. Ik heb een beetje historische afstand nodig. Maar het komt wel steeds dichter bij. Zo'n Walsenkoning is toch vanuit het heden geschreven. Ik heb een heel lange aanloop nodig gehad om dichter bij het heden te komen. Het zijn allemaal poginkjes tot sprongen. Ik denk dat het onvermijdelijk is dat ik nu de lijn van De Walsenkoning zal doorzetten.’
Het milieu waar u uit voortkomt, valt te omschrijven als lower middle class. Bent u nooit jaloers geweest op mensen die uit een arbeidersgezin kwamen?
'Ja, dat heeft natuurlijk in mijn jeugd een rol gespeeld: het idealiseren van het proletariaat. Dat waren de jongens die een vuist balden. Ik heb nog die mensen gekend die tegen Franco hadden gevochten. Daar had ik veel bewondering voor. Een eenvoudig wereldbeeld, maar het zat wel hecht in mekaar. Daar kwam ik dan met mijn pedanterieen aan. Het is een heel diffuse klasse waar ik uit kom. Wat sommige mensen nog steeds het cement van de samenleving noemen, maar waar ook een hoop ondeugdelijks in zit.’
Slechts zelden beschrijft u situaties waarin mensen elkaar bijvoorbeeld liefdevol aanraken.
'Ik kom niet uit een aanraakcultuur waarin mensen liefdevol met elkaar omgaan. Ik ben daar wel jaloers op, als ik gezinnen zie waar dat tot de normale omgangsvormen hoort. De enkele keer dat ik het probeer te beschrijven, ben ik altijd bang dat ik te sentimenteel word. Daar tob ik nogal mee, eerlijk gezegd. Een van mijn ontroerendste scenes vind je in De ballade van de beul, waarin de hoofdpersoon met zijn doodzieke hond naar een film van Rintintin gaat zitten kijken. Ja, dat vind ik op het randje van sentiment, maar dat is wel precies de relatie die ik met gevoeligheden heb. Die man kan zijn liefde alleen maar aan een hond geven.’
Door nadrukkelijk onderscheid tussen schrijver en staatsburger te maken, probeert u een discussie af te schuiven.
'Uiteindelijk zal ik toch op mijn boeken worden beoordeeld. Als het er op aankomt, kan ik die discussie dus niet ontlopen. Ik hou me graag met droesem bezig en ik roer graag in de stront.’
U benoemt het nu nadrukkelijk als slecht.
'Ja, maar zo komt dat niet in mijn boeken van pas.’
Het effect kan dus zijn dat u met uw boeken een mythe ontwikkelt waarin het droesem zich zeer wel kan vinden.
'Dat risico loop ik maar. Ik maak natuurlijk ook mensen mee die zeker mijn eerste boeken op zo'n manier waarderen dat ik denk: hallo! Dan zit ik bij een boekhandel te signeren en die komen dan vertellen waarom ze het zo fantastisch vinden.’
Dat zijn dan mensen met fascistoide ideeen?
'Om het maar zachtjes uit te drukken. Het zijn mensen die echt gegrepen zijn door de manier waarop ik dat wereldje van toen heb neergezet. Die daar iets mythologisch in herkennen. En eerlijk gezegd vind ik dat nog wel spannend ook.’
Schrijft u ook omdat u benieuwd bent in hoeverre uzelf bepaalde grenzen op dat terrein kan overschrijden?
'Jawel. Hoe ver kan ik, hoe ver durf ik?’
Dat is een bevrijding?
'Absoluut. Zeker. Maar ik heb nog een weg te gaan, hoor. Ik ben er nog niet.’
Nu komen we echt in het gebied van 'fout’, he?
'Ja, of op het gebied waar fout in goed kan omslaan. Zoals mystici ook door het zwartste gat gingen. Ze voelden zichzelf de slechtste mensen die er waren en juist door die fase door te maken, kwamen ze aan de verlichting toe.’