Louter lijkenwater

Frank Dikötter, Mao’s Great Famine. The History of China’s Most Devastating Catastrophe, 1958-1962, € 23,90
Frank Dikötter, Mao’s massamoord, € 29,99
Barbara Demick, Hand in hand in het donker. Leven en liefde in Noord-Korea, € 21,5
Timothy Snyder, Bloodlands. Europe Between Hitler and Stalin, € 35,75
Timothy Snyder, Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin, Vertaald door Patty Adelaar en Ton Heuvelmans, € 39,95
Sönke Neitzel, Harald Welzer, Soldaten. Protokolle vom Kämpfen, Töten und Sterben, € 25,50

De oorlogswreedheden van de twintigste eeuw zijn uitgebreid gedocumenteerd. En dat is nodig.

‘Communisme is geen liefde. Communisme is een hamer die we gebruiken om onze vijand te vermorzelen’, is een beruchte uitspraak van Mao Zedong. Als voorzitter van de Chinese communistische partij zette hij de bevolking in ter bevordering van China’s grootheid, en daarmee die van hemzelf. In Mao’s massamoord vertelt de Nederlandse historicus Frank Dikötter het verhaal van de dodelijkste campagne uit Mao’s regeerperiode: de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1962). Dikötter is hoogleraar aan de universiteit van Hongkong. Zijn boek verscheen vorig jaar in het Engels (Mao’s Great Famine) en sinds mei is er een Nederlandstalige editie. In juli won Dikötter voor zijn onderzoek de Samuel Johnson Prize 2011, waar een bedrag van 22.000 euro mee gemoeid is.
Dikötter maakte gebruik van een nieuwe Chinese archiefwet die grote hoeveelheden documenten van de communistische partij beschikbaar maakte. Hij gebruikte meer dan duizend archiefdocumenten uit verschillende geledingen van het Chinese bestuur: van ministeries, provincies en grote en kleinere steden. Daarmee lukte het hem als eerste om een verbinding te maken tussen de beslissingen in de top van de communistische partij en de gevolgen daarvan voor het dagelijkse leven van de gewone Chinezen. Het leverde een gedetailleerd en verschrikkelijk beeld op van de Grote Sprong Voorwaarts.
Met de Grote Sprong Voorwaarts wilde Mao Zedong de Russische leider Chroesjtsjov de loef afsteken. Die had beweerd dat de Sovjet-Unie binnen vijftien jaar de Verenigde Staten voorbij zou streven. Mao, die meende dat hem als leider van het grootste communistische land ook het leiderschap van de communistische wereld toekwam, moest daar iets tegenover stellen. Hij blufte dat China binnen vijftien jaar de Britse economie achter zich zou laten. Daartoe moest de primitieve Chinese economie in korte tijd volledig op de schop. Mao’s wil was wet, dus legde de partij in 1958 de Chinese boeren (verreweg de meerderheid van de bevolking) een radicale vorm van collectivisatie op. De nieuw gevormde communes werden massaal ingezet voor enorme bouwprojecten, zoals de aanleg van stuwdammen, die een sterk verhoogde landbouwproductie moesten opleveren. De dammen bleken vaak ondeugdelijk en begaven het soms, wat tot vele duizenden doden leidde. Alleen al de massale mobilisatie en de minimale voedselvoorziening tijdens het zware graafwerk leverden honderdduizenden doden op. In de provincie Qingshui spraken de bewoners lang voor de Rode Khmer-terreur in Cambodja al van killing fields.
Om de buitenwacht te imponeren had Mao indrukwekkende productiecijfers nodig. Dat leidde tot een spiraal van cijfermatig geknoei, van het hoogste tot het laagste niveau, met fatale gevolgen voor degenen aan de onderkant van de macht: de boeren. Want het deel van de graanoogst en de rijst dat door de partij werd gevorderd voor de export en het voeden van stedelingen bedroeg op papier vaak een derde tot de helft, maar was gebaseerd op veel te hoge, vervalste cijfers. In werkelijkheid werd vaak vrijwel de gehele voedselvoorraad van een gemeenschap afgevoerd. Het leidde tot een ongekende hongersnood in vrijwel heel China. In veel dorpen stierf in een jaar zo'n dertig procent van de inwoners.
Het is knap hoe Dikötter de taaie kost van zijn onderzoek - vaak gebaseerd op productiecijfers - zo weet te brengen dat hij de aandacht van zijn lezer niet verliest. Waar hij de persoonlijke gevolgen van Mao’s productieplannen beschrijft, vermijdt hij al te subjectieve kwalificaties. Slechts zo nu en dan duiken formuleringen op als 'gruwelijk’ en 'alsof het nog niet erg genoeg was’. Die terughoudendheid komt de leesbaarheid ten goede. Want de ellende spat toch wel van de pagina’s. Bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe een moeder, nadat ze voor straf zes dagen geen eten had gekregen in de kantine van haar commune, zich niet kon inhouden en het rantsoen dat bestemd was voor haar kind opat. Omdat ze haar schuldgevoel en het gehuil van haar lijdende kind niet aankon pleegde ze zelfmoord. Ook zwangere vrouwen die gedwongen werden mee te werken, deden dat. De angst dat ze hun aanstaande kinderen niet zouden kunnen voeden was te groot. Vaak sprongen ze in ijskoude rivieren.
De planeconomie reduceerde mensen tot louter cijfers op een balans, een hulpmiddel dat kon worden geëxploiteerd. De staat was alles, het individu niets. Zijn waarde werd bepaald door wat zijn arbeidsvermogen de staat opleverde. In eerdere studies naar de Grote Sprong Voorwaarts, gebaseerd op minder uitvoerig bronnenmateriaal, werd dat onderkend. De miljoenen Chinese doden werden daarin beschouwd als een 'bijeffect’ van een economisch systeem. Dikötter laat echter zien dat het nog erger was: terreur was de basis van Mao’s regime. Hij becijfert dat zo'n tweeënhalf miljoen mensen moedwillig werden gedood omdat ze weigerden te werken of niet genoeg arbeidsvermogen hadden, terwijl ze wel aanspraak maakten op het schaarse voedsel. Mensen werden voor straf overgoten met kokend water, er werden oren en neuzen afgesneden. In de provincie Hunan werden mensen levend begraven. 'Na een periode van uitzinnig schreeuwen en rukken en krabben aan het luik stierven ze in een angstaanjagende stilte.’
Mao’s 'visioen van overvloed’ leidde volgens Dikötter in vier jaar tijd tot 45 miljoen doden. Ter vergelijking: de zes jaar durende Tweede Wereldoorlog kostte tussen de vijftig en zeventig miljoen levens. Er is een interessante vraag die buiten Dikötters studie valt, maar die zich al lezende opdringt: zou de huidige Chinese middenklasse die zich zo fanatiek-materialistisch betoont soms handelen met het schrikbeeld van de hongersnood nog op het netvlies? Wie destijds acht jaar was, is nu 61. Met die wetenschap in het achterhoofd is de Chinese economische monstergroei opeens niet meer zo wonderlijk.
Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts probeerde wie maar kon de honger te ontvluchten. Zo trokken veel Koreanen die aan de Chinese kant van de grens leefden naar Noord-Korea. Dertig jaar later stierven velen daar alsnog van de honger. Barbara Demick, correspondent voor de Los Angeles Times, probeerde de hermetisch gesloten Noord-Koreaanse samenleving te doorgronden door te spreken met vluchtelingen. Het leidde tot het boek Nothing to Envy dat vorig jaar werd vertaald als Hand in hand in het donker: Leven en liefde in Noord-Korea. Demick sprak uitvoerig met zes vluchtelingen uit de noordelijke stad Chonjin, waar zelden een westerling is geweest. 'Er is zoveel over Noord-Korea dat ontoegankelijk en ondoorgrondelijk blijft, dat het dwaasheid zou zijn om te beweren dat alles wat ik heb opgeschreven helemaal klopt’, schrijft ze. Dat mag zo zijn, haar boek leest als een uitmuntend geschreven en gedetailleerd verslag van het dagelijks leven in de bruutste dictatuur die de wereld nog kent.
De levens van Demicks personages mondden alle uit in de hongersnood van de jaren negentig, die naar schatting twee miljoen slachtoffers kostte. Mevrouw Song beschrijft de dood van haar sterke zoon Nam-oak. De grootste, meest gespierde mannen stierven als eerste, want hun lichamen hadden veel calorieën nodig. Kleuterleidster Mi-ran vertelt hoe ze zag dat haar klas uitdunde. De paar leerlingen die op het eind nog kwamen, lagen voortdurend met hun hoofd op tafel te slapen. Het was de voorbode van hun dood. Haast onvoorstelbaar is de wreedheid van het huidige Chinese regime, dat tijdens de hongersnood jacht maakte op Koreanen die het gelukt was de grensrivier Tumen over te steken. Zonder scrupules werden zij teruggestuurd, waarna ze terechtkwamen in strafkampen waar nog veel minder voedsel was dan daarbuiten.
In april verscheen in Duitsland het boek Soldaten: Protokolle vom Kämpfen, Töten und Sterben van de historicus Sönke Neitzel en de sociaal-psycholoog Harald Welzer. Het boek, dat begin volgend jaar in een Nederlandse vertaling zal verschijnen bij Ambo-Anthos, is opgebouwd rond een opzienbarende ontdekking in de archieven. Neitzel stootte in Londen en Washington op 150.000 pagina’s waarin woord voor woord de afgeluisterde conversaties waren vastgelegd die Duitse krijgsgevangenen uit alle krijgsmachtdelen in hun cellen met elkaar voerden.
Ook hier hongersnood. De Duitsers gebruikten water en voedsel voor de miljoenen Russische krijgsgevangenen liever voor hun eigen troepen. Na de winter van 1942 stierven daardoor twee miljoen Russische soldaten. Veel afgeluisterde Duitsers vertellen met afschuw over de massale hongerdood die ze zich onder hun ogen zagen voltrekken. Maar niet luitenant-generaal Maximilian Siry: 'Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar we waren veel te week. (…) We hebben het gezien: wij kunnen geen oorlog voeren, we zijn niet hard genoeg, niet barbaars genoeg. De Rus is dat wel, zonder twijfel.’ De misdadigheid beperkte zich niet tot de Wehrmacht. Een U-bootkapitein vertelt vergenoegd aan zijn celgenoot hoe hij een Brits kindertransport - het betrof een schip met 77 kinderen aan boord - tot zinken bracht. Dat maakte toch maar mooi indruk op de vijand. En een jachtvlieger doet gedetailleerd uit de doeken hoe hij in Polen tientallen burgers mitrailleerde die vergeefs probeerden weg te komen en uit pure wanhoop de Hitlergroet brachten in de richting van het aanstormende vliegtuig.
De afluisterverslagen vormen een belangrijke historische bron waar het de jodenvervolging betreft. De gesprekken vonden plaats tijdens de oorlog, soms niet al te lang nadat de acties die ter sprake komen plaats hadden gevonden. De jodenvernietiging blijkt onmiskenbaar deel te hebben uitgemaakt van de wereld van de dienstplichtige reguliere Wehrmacht-militair. Al vrij vroeg in de oorlog waren de afgeluisterden op de hoogte van zo'n beetje alle details. Lange tijd werd in Duitsland de mythe in stand gehouden dat de grootscheepse moordpartijen het werk waren van de fanatieke nazi’s in de SS en de Sicherheitsdienst. Pas vanaf 1995 werd de mythe van het onschuldige gewone leger doorbroken door de rondreizende tentoonstelling Verbrechen der Wehrmacht ('Misdaden van de Wehrmacht’). Uit Neitzels afluisterverslagen blijkt zelfs dat Wehrmacht-militairen nog veel uitvoeriger op de hoogte waren dan bekend, hand- en spandiensten verleenden en goedkeurend toekeken.
Luitenant-generaal Heinrich Kittel, een van de commandanten van Heeresgruppe Nord, vertelt aan zijn celgenoten: 'Kinderen, driejarige kinderen, zo op een schep omhooggehouden en met het pistool afgeschoten, en daarna hebben ze ze [in het massagraf] geworpen. Dat heb ik zelf gezien.’ Hij vertelt dat hij besloot in te grijpen, maar verbijsterend genoeg niet omdat joodse kinderen werden vermoord, maar omdat de executie in het open veld plaatsvond en omwonenden en Duitse soldaten stonden toe te kijken. De generaal droeg de Sicherheitsdienst op om met hun werk verder te gaan in het bos, om te voorkomen dat er al te veel getuigen van de misdaad zouden zijn. Ook maakte hij zich zorgen om de kwaliteit van het drinkwater. 'We betrekken ons drinkwater uit grondwaterbronnen, zo krijgen we louter lijkenwater.’
Neitzel en Werner behandelen uitvoerig de referentiekaders van de Duitse militair. Ze vergelijken de afluisterverslagen met de handelswijze van Amerikaanse soldaten in Irak en Vietnam, waar ook op burgers werd geschoten. In Vietnam schreven Amerikanen brieven naar huis waarin ze zwoeren wraak te nemen voor de dood van hun kameraden op elke Vietnamees die ze voor hun geweerloop kregen, ook vrouwen en kinderen. 'Het moderne vertrouwen op geweldscontrole is een illusie’, concluderen de auteurs. 'Mensen doden om allerlei redenen. Soldaten doden omdat het hun beroep is.’
Maar er was één groot verschil tussen Duitse en andere militairen: het nazisme had de Duitsers - de 'gewone’ dienstplichtige Wehrmacht-militairen net zo goed als de volbloednazi’s van de Waffen-SS - vergiftigd met ultiem vijanddenken langs raciale lijnen. Een jood of een Rus werd niet gezien als individu, maar als element van vijandige volkeren die vernietigd moesten worden - niet uit sadisme, maar uit zelfverdediging: als ze de kans kregen, zouden de Untermensch-volken van joden en 'slaven’ volgens de nazi’s hetzelfde doen met het Duitse Herrenvolk. Zo was het ook met de communistische hongersnoden: het was de aanval als beste verdediging, of dat nu tegen de klassenvijand van Stalin was of tegen de vijanden die Mao overal, in binnen- en buitenland, om zich heen zag.
Hoe gruwelijk de hier besproken boeken ook zijn, het is belangrijk dat ze gelezen worden. Ze waarschuwen ons op niet mis te verstane wijze: waar starre ideologie en vijanddenken het uitgangspunt van de politiek vormen, delft het individu letterlijk en figuurlijk het onderspit. Dat is een van de belangrijkste lessen van de twintigste eeuw, die blijkbaar niet genoeg herhaald kan worden. Want ook nu nog blijken veel kiezers bereid zich te scharen achter een partij die individuen degradeert tot vertegenwoordigers van een tot vijandige ideologie bestempelde religie.


Frank Dikötter, Mao’s massamoord: De geschiedenis van China’s grootste drama 1958-1962
Barbara Demick, Hand in hand in het donker: Leven en liefde in Noord-Korea
Sönke Neitzel en Harald Welzer, Soldaten: Protokolle vom Kämpfen, Töten und Sterben