STAD DER ENGELEN OF THE OVERCOAT OF DR. FREUD

Loyale dissidente

Christa Wolf, Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, euro 22,50

Jaren werd de deze week overleden gelauwerde Oost-Duitse schrijfster Christa Wolf door de Stasi in de gaten gehouden. Dat ze zelf medewerker van de veiligheidsdienst was geweest kwam in 1992 als een totale verrassing.

‘Het moeilijkste niet schuwen, verandering brengen in het beeld dat je van jezelf hebt.’ Dat stelde Kassandra, de Trojaanse zieneres en dappere heldin in het gelijknamige verhaal van Christa Wolf (1929) zichzelf in 1983 tot levenstaak. Nog geen negen jaar later, toen ze haar Stasi-dossier bekeek, was het de beurt aan de schrijfster zelf. Naast de 42 ordnermappen met belastende informatie die de staatsveiligheidsdienst van de DDR over haar verzamelde, bevatte het archief een kleine groene map waaruit bleek dat zij van 1959 tot en met 1962 onder de schuilnaam 'Margarete’ Informeel Medewerker (IM) was van de Stasi. In de jaren vlak na de Wende betekende die informatie zo'n beetje iemands morele doodvonnis. Dat besefte de archiefmedewerkster, die haar eigen baan op het spel zette door de schrijfster haar 'daderdossier’ te laten inkijken voordat het in de publiciteit zou komen. En de schrijfster besefte het zelf ook: 'Dit was ik helemaal vergeten.’ Om de publieke verontwaardiging in eigen land te ontlopen én om haar eigen geweten te onderzoeken, reisde Wolf eind 1992 af naar Los Angeles, om aan het Getty Center in Santa Monica onderzoek te doen voor een nieuw boek. Het verslag van die periode staat beschreven in Stad der Engelen of The Overcoat of Dr. Freud. Haar laatste boek, zoals nu blijkt.
167 pagina’s lang werkt de roman toe naar deze oerscène, deze blinde vlek van haar geheugen én geweten. 167 pagina’s die met omtrekkende bewegingen boven het eigenlijke onderwerp cirkelen. Dagen, weken waarin Wolfs alter ego kennismaakt met Peter Gutman, een joodse professor die zich verdiept in het werk van een niet bij name genoemde filosoof ('Walter Benjamin’), waarin ze onderzoek doet naar een zekere L., de correspondentievriendin van haar overleden vriendin Emma, en waarin ze uitstapjes maakt met haar studiegenoten van het researchcentrum. En nadat de oerscène dan eindelijk beschreven is, volgt het pijnlijke zelfverwijt: 'En dat heb ik kunnen vergeten.’ Wat haar dwarszit is niet zozeer het gegeven dát ze informatie doorgespeeld heeft aan de Stasi, maar het feit dat ze het vergeten is. 'Juist dat had mij niet mogen gebeuren’, zegt ze tegen Gutman; herinnering is immers al heel lang haar onderwerp.
Wolf ervoer het vergeten als 'erg’. Maar was het dat ook? Haar criticasters vonden van wel; beschouwden het zelfs als 'haar eigenlijke misstap’. Maar de vraag: 'Hoe heb ik dat kunnen vergeten?’ zou heel nuchter beantwoord kunnen worden - zoals Gutman doet als hij stelt dat ze het misschien vergeten is omdat ze het niet zo belangrijk gevonden zal hebben. In schril contrast met onze eigen tijd, die zo'n beetje alle eigen verantwoordelijkheid afschuift op het brein en zijn neuronen, waren vergeten en herinneren voor de schrijfster en alle anderen die over haar heen vielen echter ijkpunten aan de hand waarvan je iemands morele integriteit meet.
Het hele proces was voor Wolf ook pijnlijk omdat vergeten en herinneren voor haar niet alleen betrokken waren op de moraal, maar ook op identiteit en op de vraag hoe je iets van individualiteit en autonomie bewaart in een maatschappij die juist dat ondermijnt. Een terugkerend thema in haar werk. Zo gaat haar eerste roman De gedeelde hemel (1963) over de geliefden Rita Seidel en Manfred Herrfurt; kort voor de bouw van de Muur besluit hij naar het Westen af te reizen, terwijl Rita ervoor kiest in de DDR te blijven. Haar tweede roman, Nadenken over Christa T. (1968), een fictieve (auto)biografie over lerares Christa T., stelt de vraag naar de individuele verantwoordelijkheid in een socialistische samenleving nog veel duidelijker. Kassandra doet feitelijk hetzelfde, maar dan in de setting van de klassiek-Griekse samenleving waar mannen het voor het zeggen hebben. In alle gevallen is het de herinnering die de autonomie van het individu, diens authenticiteit ook waarborgt. Zo onderzocht Wolf in het autobiografische Kindheitsmuster (1976), aan de hand van het personage Nelly Jordan, haar eigen kindertijd in het Derde Rijk - Christa Wolf werd geboren in Landsberg an der Warthe, tegenwoordig het Poolse Gorzów Wielkopolski - vanuit de vraag: 'Hoe zijn we geworden wie we zijn?’
Herinneringen waren voor Wolf cruciaal voor haar (schrijvers)identiteit; de herinneringen maakten haar tot wie ze was, waardoor ze zich kon handhaven in een dictatuur die juist dat ik onder druk zette. Haar herinneringen moesten dus waar zijn, ze moesten kloppen. 'Te vertellen, dat betekent: waarheidsgetrouw verbeelden, op grond van eigen ervaring’, zo vatte ze die poëtica ooit samen in de essaybundel Lesen und Schreiben (1972). In die constructie van een integer subject aan de hand van herinneringen is haar werk opvallend consistent. Zoals haar hele werk consistent is als je het in samenhang beschouwt, bijvoorbeeld qua manier van vertellen; vaak gaat het om een vrouwelijk personage dat terugblikt op haar eigen leven.
Dát het vergeten van een bepaalde episode uit haar leven haar volkomen uit het lood sloeg, is vanuit moreel opzicht dus begrijpelijk. Maar vanuit haar kennis over de werking van het geheugen? Als romanschrijfster moest ze weten dat herinneringen onbetrouwbaar zijn. Authenticiteit is, zeker waar het fictie betreft, natuurlijk altijd een constructie van authenticiteit, zelfs waar ze gebruik maakt van echt bestaande documenten als brieven, dagboeken en manuscripten zoals ze veelvuldig doet. (In Nadenken over Christa T. staat dat bijvoorbeeld uitdrukkelijk vermeld: 'Authentiek zijn vele citaten uit dagboeken, schetsen en brieven.’) En ook haar betere ik, Kassandra, wist al lang 'hoe snel en grondig een mens vergeet’. De ontdekking van het vergeten levensfeit deed haar die onbetrouwbare eigenschap van het geheugen aan den lijve ervaren.
Over de episode zelf laat ze in Stad der Engelen overigens maar weinig los. (Het gehele dossier publiceerde Wolf, onder druk van de omstandigheden, in 1993 onder de titel Akteneinsicht Christa Wolf.) Wat haar in Stad der Engelen vooral bezighoudt, op het obsessieve af, is de vraag, of beter het zelfverwijt, dát ze het heeft vergeten. Stad der Engelen - de titel verwijst naar Los Angeles - is daarmee vooral een verslag van de manier waarop de schrijfster greep probeerde te krijgen op haar morele shattering. De artikelen uit Duitsland, die in stapels in haar postvakje belanden, neemt haar alter ego slechts mondjesmaat tot zich. In plaats daarvan tikt ze, in een zelfverkozen vrije associatiesessie, vellen vol op haar semi-automatische typemachine over alles wat ze zich nog wél herinnert - waardoor het 'nietende niets’ van het vergeten, paradoxaal genoeg, nog beter uitkomt. Herinneringen aan gesprekken met collega’s, aan reizen naar het buitenland, aan haar studietijd en middelbare-schooltijd, aan haar vlucht vanuit Polen naar Duitsland in 1945. Tot de kleinste dingen aan toe, de lichtval in een bos, een wandeling, de zeeën waar ze in gezwommen heeft. Deze herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan een land dat niet meer bestaat, zijn consequent opgeschreven in de tweede persoon enkelvoud of meervoud, alsof het over iemand anders gaat. Haar geheugen heeft haar verraden. Hoe kan ze zichzelf ooit weer vertrouwen?
De heftige publieke verontwaardiging die Wolfs misstap destijds teweegbracht staat niet op zichzelf, maar heeft natuurlijk alles te maken met dat andere onverteerbare Duitse verleden, de Tweede Wereldoorlog. Of zoals collega-germanist Ted het in Stad der Engelen verwoordt: 'Wat er in West-Duitsland nu met de DDR-cultuur en zijn vertegenwoordigers werd gedaan, viel eigenlijk alleen te verklaren vanuit de behoefte in te halen, wat men bij de afrekening met de nazicultuur had verzuimd.’ Het feit dat de 'loyale dissidente’ bijna tot het eind toe lid is gebleven van de SED - in juni 1989 verliet Wolf de staatspartij - hielp daar niet bij. En dat ze zelf jarenlang in de gaten werd gehouden door de Stasi pleitte haar ook al niet vrij. Haar verslag daarvan in Wat blijft (1990) kwam haar later zelfs op het verwijt van hypocrisie te staan. Ze hééft nu eenmaal de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Ze hééft de hele periode onder het DDR-regime geleefd, ze is gebleven. Ze was dat twintigste-eeuwse Duitsland, met een variatie op die beroemde uitspraak van Harry Mulisch. Als ze daar zelf al aan voorbij had willen gaan, wat niet zo was, dan waren er wel de anderen die haar eraan hielpen herinneren dat ze een Duitse was. >
Net als Duitsland is Wolf door verschillende fases van trauma- en rouwverwerking heengegaan. Dat de periode in LA voor haar bijzonder traumatisch was, daarvan getuigt iedere bladzijde van Stad der Engelen. Het blijkt uit de vertelstructuur, het blijkt uit het repetitieve, obsessieve karakter van haar zelfverwijt: 'En dat had ik kunnen vergeten.’ Het blijkt uit de stijl die bestaat uit lange, meanderende zinnen die nergens kort en krachtig willen worden en zo de waarheid, de werkelijkheid in één woord weten vast te pinnen.
Een echt antwoord op de vraag waarom ze haar informantenwerk voor de Stasi is vergeten, komt dan ook niet. Haar uitspraak, op ongeveer driekwart van de roman, ’(…) omdat ik ze nog niet als de anderen zag’ komt nog het dichtst in de buurt van een verklaring.
Daarmee wil ze niet zozeer de waarheid ontduiken, zoals haar wel verweten is door critici, maar toont ze vooral dat ze de vergeten episode nog niet in haar levensverhaal kon inpassen. De waarheid over haar zelf was te pijnlijk, zelfs na achttien jaar nog. Stad der Engelen toont in zekere zin haar failliet. Geen literair failliet - de roman is meesterlijk gecomponeerd - maar een existentieel failliet, alsof de dictatuur haar alsnog linksom heeft ingehaald. Freuds overjas en zijn verdringingsmechanismen wisten haar uiteindelijk niet te beschermen tegen de almachtige dictatuur. Haar laatste roman laat die Trauerarbeit op pijnlijke wijze zien.
Zal haar werk de tand des tijds weten te doorstaan? De titel van de roman De gedeelde hemel is tot op de dag van vandaag de sprekende metafoor voor het gedeelde Duitsland, de gedeelde stad Berlijn. De muur in haar werk is echter niet symbolisch bedoeld, zoals in De wand (1963) van de Oostenrijkse schrijfster Marlen Haushofer, maar verwijst naar een (ooit) werkelijk bestaande, politieke situatie, die bovendien relatief kort duurde - de DDR bestond officieel van 7 oktober 1949 tot en met 3 oktober 1990. In politiek opzicht is Wolf dus al lang ingehaald door de tijd. Na '9/11’ en met de huidige eurocrisis leven we anno 2011 met heel andere problemen en lijkt de DDR-tijd ver weg.
Blijft deze 'absurde’ periode, en dus haar werk, zo tot de verbeelding spreken dat ze levende geschiedenis blijft, zoals ook de Tweede Wereldoorlog (en de Eerste, for that matter) nog voor ons leeft? Of zijn haar boeken over een tijdje alleen nog met een uitgebreide verklarende woordenlijst te begrijpen door de generaties die geboren zijn na de Wende? En hoe zullen we ons haar dadelijk herinneren? Misschien wel als de schrijfster die, tegen de klippen op, bleef hopen, tot en met haar laatste boek: ’(…) het bestaat dus, dacht je (…) een licht, door hoop en vastberadenheid getekend gezicht (…) je wilde het niet vergeten, ook al was het historische moment dat zulke gezichten voortbracht verschrikkelijk kort, eigenlijk al voorbij.’

CHRISTA WOLF
STAD DER ENGELEN OF THE OVERCOAT OF DR. FREUD
Uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink, Van Gennep, 375 blz., € 25,-