Loze ruimte

Het is een specifieke vorm van ongeluk om te stranden in elk boek dat je oppakt. Dit ongeluk treft mij in periodes, en ik zit midden in een tamelijk langdurige. Alles glijdt langs me af, natuurbeschrijvingen, liefdesperikelen, slimme essays die ik goed zou moeten vinden. Er ligt een groeiende stapel aan de verkeerde kant van mijn bed: Bachmann, Tanizaki, Salter, Steinbeck, Wharton, Zeh – niets van wat ze zeggen dringt tot me door, na tien pagina’s geef ik het op en keer ik terug naar de nieuwsberichten op mijn telefoon. Louisville, Ginsburg, witwaspraktijken van de bank die ik al lang had moeten verlaten, morgenochtend first thing.

Ik lig wakker en pieker over mijn inkomsten, mijn uitgestelde belastingaangifte, de hond die verlatingsangst heeft sinds de verhuizing. Ik google brainfog, bachbloesem, Roe v. Wade, hond blijft blaffen, best exfoliator for dry skin, insomnia. Ik denk aan het tv-programma dat me vroeg om een leesclub te leiden, maar het niet eens was met mijn boekenkeuze en nooit meer iets liet horen. Aan het meisje dat in elke Instagram-story zegt: like en reageer even. Aan de nieuwe film van Charlie Kaufman die ik niet goed vond maar wel akelig, vooral dat laatste liedje, die ene zin. And the girl I want/ Ain’t afraid of my arms.

Wijs bloed had ik willen bespreken in die leesclub, de debuutroman van Flannery O’Connor die ze schreef in 1949, op haar 24ste. Een hard, duister boek over een jonge oorlogsveteraan op drift in het zuiden van de VS die een fundamentalistisch atheïsme predikt aan mensen die het niet horen willen (‘Waar je vandaan komt is er niet meer, waar je heen dacht te gaan is er nooit geweest, en waar je bent deugt niet als je er niet van weg kan. Waar is dan een plek waar je kan zijn? Nergens’). Deze Hazel Motes ontpopt zich tot een moordenaar en een martelaar die zichzelf blind maakt met ongebluste kalk en eindeloos in dezelfde rondjes loopt op schoenen met steentjes en glasscherven, totdat hij zelf op een domme manier om het leven wordt gebracht.

Het echte geluk dat litera­tuur oplevert: concentratie. Gewoon, niets anders doen dan een boek lezen, doorlezen, uitlezen

Een verontrustend boek, zou je kunnen zeggen, over de mens ontdaan van zijn menselijkheid, een incel avant la lettre, giftige eenzaamheid, gemankeerde mannelijkheid, schuld, boete en godsdienstwaanzin. Zoiets had ik er waarschijnlijk ook over gezegd op televisie, en dat het boek perfect past bij deze tijd waarin extreme uitersten de norm zijn geworden, et cetera.

Misschien hadden ze bij de redactie van het programma liever een hoopvoller boek, iets warmers en minder aanstootgevends – als je Vasalis besprak, kon je tenminste nog praten over de troost van de poëzie. Of misschien lag het aan mij, was ik niet het type vrolijke pleitbezorger dat past bij dit soort formats. Te ontoegankelijk, te streng, geen ambassadeur.

Van literatuur wordt op maatschappelijk niveau nauwelijks iets serieus verwacht, en tegelijk moet het een panacee zijn dat je naar een hogere vorm van mens-zijn katapulteert – minder alleen, invoelender, moreler, alwetender. Die argumenten zijn de laatste jaren, waarin het gesprek over literatuur steeds normatiever is geworden en het volstrekt gangbaar is boeken langs een lat te leggen van wat done en wat not done is, steeds prominenter geworden. Boeken moeten goed voor je zijn, schrijvers moeten de juiste positie innemen, en om mensen in godsnaam maar aan het lezen te krijgen is het zaak om literatuur vooral niet te profileren als stoffig: als men bang is voor boeken doe je net alsof literatuur ‘veel meer’ is dan boeken.

Het echte geluk dat literatuur oplevert, is dat van concentratie. Gewoon, niets anders doen dan een boek lezen, doorlezen, uitlezen. Als je in elke omstandigheid dit soort concentratie kunt opbrengen ben je, denk ik, een vrij mens. Ondertussen heb ik kalmeringsolie voor mijn hond besteld bij een obscure webshop. Ik heb dertien halve artikelen gelezen over Amy Coney Barrett en haar zeven kinderen van wie twee geadopteerd uit Haïti. Ik heb een wintervoorraad koffie gekocht, een abonnement op de sportschool, een nieuwe broek die net te strak zit om normaal te kunnen ademen. Ongeconcentreerd en ongelukkig wacht ik tot het terugkomt. Tot ik mijn hersenen weer bijeen heb en zich een heerlijke loze ruimte opent die alleen gevuld kan worden met dat ene: lezen.