Lubach zoekt de nuance

Zondag met Lubach begint langzaam maar zeker hét programma van weldenkend Nederland te worden, de show waar hoger-opgeleid-links-van-het-midden-Nederland op maandagochtend bij de koffieautomaat over napraat met zijn collega’s (als hij tenminste geen zzp’er is), net als vroeger over Koot en Bie.

Medium lubachnpo

Jon Stewart is door presentator Arjen Lubach vaak als voorbeeld aangehaald, en net als Stewart in zijn Daily Show slaagt Lubach er op bewonderenswaardige wijze in door middel van satire de aandacht te vestigen op actuele of juist onderbelichte maatschappelijke en politieke thema’s. Zijn grootste succes tot nu toe is de aandacht voor het internationale handelsverdrag TTIP dat tot voor kort slechts bekend was bij een handvol kritische columnisten en links-activisten. Sinds Lubach er een uitzending aan wijdde waarin hij zich fel tegen het verdrag uitsprak is zowel de media-aandacht voor, als het protest tegen het verdrag gestaag toegenomen. Het is prachtig dat satire tot een dergelijke mobilisatie kan leiden, hoewel het anderzijds helaas ook iets zegt over hoe slecht politiek links, dat immers van dit verdrag al lang op de hoogte was, in staat is om dit thema op een overtuigende manier over het voetlicht te brengen.

Juist door Lubachs politieke potentieel was ik ietwat teleurgesteld over zijn recente interventie in het vluchtelingendebat. In de uitzending van zondag 11 oktober pleitte hij voor een ‘superkamp’ dat zich op een belangrijk punt van zowel het ‘ja’- als het ‘nee’-kamp (en van Henk Kamp) onderscheidde, namelijk door de nuance. Tussen het ‘vol is vol’ van de xenofobe Wilders-stemmers en het ‘doodknuffelen’ van de vluchtelingen door de multiculti’s en geitenwollensokken zou er dus een derde kamp voor weldenkende Nederlanders moeten zijn, waarvan in Lubachs visie premier Mark Rutte de voortrekker zou moeten zijn.

Hoe sympathiek Lubachs verhaal ook mag klinken – wie kan er immers tegen nuance zijn? – er schuilt een probleem in. Ook hierin volgt Lubach overigens zijn grote voorbeeld Jon Stewart, en dus trapt hij ook in dezelfde val. Stewart organiseerde, zo zullen de fans zich nog goed herinneren, in 2010 de Rally to Restore Sanity, waarmee hij duizenden betogers naar Washington trok. Daar hield hij een warm pleidooi om het ‘gezond verstand’ te herstellen in de gepolariseerde Amerikaanse politiek, tegen zowel de Tea Party en Glenn Beck-aanhangers die Obama met Hitler vergelijken, als de links-activisten die George W. Bush een oorlogscrimineel noemen.

Stewart maakte twee fouten, en Lubach maakt volgens mij dezelfde. De eerste is de aanspraak op ‘sanity’, die niet alleen iedereen die met je van mening verschilt of die een extremere positie inneemt dan jij voor ‘gek’ of ‘ongezond’ verklaart, maar die bovendien het debat tussen rechts en links depolitiseert. De suggestie wordt gewekt dat de politieke posities iets te maken hebben met de mentale toestand van de sprekers, en niet met ideologieën waarover men met elkaar in debat kan gaan. Dat hoeft helemaal geen ‘genuanceerd’ debat te zijn, zoals Stewart en Lubach willen, omdat dat impliceert dat beide kampen ‘een beetje gelijk’ hebben. Ik zou eerder zeggen dat het erom gaat de politieke meningsverschillen nog duidelijker in kaart te brengen, om dan van zowel de kiezer als de politiek leiders te eisen dat ze helder richting kiezen. Het probleem van de Haagse politiek is juist dat er al te vaak voor een zouteloos compromis wordt gekozen. Dat geldt met name voor de coalitiepartners van het huidige kabinet, die veel te bang zijn om kiezers te verliezen wanneer ze zich helder zouden uitspreken voor een humane vluchtelingenpolitiek.

De tweede fout, waar Jon Stewarts collega en vriend Bill Maher nadien al op wees, is de onterechte gelijkstelling van beide kampen, de valse suggestie ‘dat links even gewelddadig en gemeen is als rechts’ (Maher), en dat de oplossing ligt in een gulden middenweg tussen beide vormen van ‘extremisme’. Maar, zoals Maher terecht opmerkt, de suggestie dat Obama een soort Hitler is staat oneindig veel verder weg van de waarheid dan de suggestie dat George W. Bush een oorlogsmisdadiger is. Het probleem is met andere woorden, en dat is in Nederland niet anders, dat rechts steeds verder oprukt naar rechts, zodat het midden niet langer het midden is.

Dat geldt ook voor Lubachs ‘superkamp’: het warm welkom heten aan de vluchtelingen kan niet als een andere ‘extreme’ positie beschouwd worden tegenover het ‘grenzen dicht’ en ‘vol is vol’ van het Wilders-kamp, noch zijn beide posities even krankzinnig. Er zijn goede argumenten te geven voor het opengooien van de grenzen voor alle vluchtelingen (lees Rutger Bregmans boek Gratis geld voor iedereen er maar op na), maar het nee-kamp beschikt niet over dergelijke argumenten om de grenzen radicaal te sluiten. En waarom zou er bijvoorbeeld een ‘exact aantal vluchtelingen dat we binnenlaten’ vastgesteld moeten worden, zoals Lubach voorstelt als middenweg tussen het ‘niemand er meer bij’ van het nee-kamp en het ‘geen grens aan het aantal’ van het ja-kamp? Waarom zou je een getal moeten verbinden aan rechtvaardigheid?

Medium lubach

De tegenstelling in het debat die het werkelijke probleem is, is dan ook niet die tussen ja of nee, maar die tussen angst en medelijden: de angst voor verkrachtende asielzoekers die onze roomblanke dochters komen onteren enerzijds, en het medelijden met de zielige mensen ‘die onze buren hadden kunnen zijn’ anderzijds. Medelijden is geen voldoende voorwaarde, en zou zelfs geen noodzakelijke voorwaarde moeten zijn, om hulp te geven aan vluchtelingen. Zij verdienen bescherming niet omdat ze zielig of sympathiek zijn, of omdat ze ‘net als wij’ zijn, maar omdat ze van rechten verstoken zijn, en, om met Hannah Arendt te spreken, het recht hebben om rechten te hebben. Humane politiek gaat niet om medelijden, maar om rechtvaardigheid en solidariteit.

Door de politieke extremen aan elkaar gelijk te stellen (het hoefijzer-, of ook wel rookworstmodel) doet Lubach het linkse gedachtegoed ten slotte geen recht: waar rechts met name in dit debat staat voor een politiek van uit- en buitensluiting, daar staat links voor een radicaal inclusieve politiek. Die posities verhouden zich niet tot elkaar als twee uitersten op een schaal, maar veeleer als een aan/uit-knop.

Natuurlijk, het is maar satire. Maar het had Lubach gesierd als hij in dit debat met evenveel passie stelling had genomen als in het debat over TTIP. Nu verwacht hij van beide partijen dat ze water bij de wijn doen. Maar als oud-filosofiestudent kan hij zich misschien Schopenhauers wet van de entropie herinneren: wanneer je een theelepel wijn in een vat slootwater gooit, houd je slootwater over; wanneer je andersom een theelepel slootwater in een vat wijn gooit, houd je eveneens slootwater over.