Lucas Andersen * Danish Talent from Ajax * 2012

Herinneringen aan een van de meest sierlijke voetballers die het afgelopen decennium een shirt van Ajax droeg. Een man die altijd liep maar nooit ergens heen leek te gaan.

© ANP / Henry Dijkman

Wie een compilatievideo opzoekt van profvoetballer Lucas Andersen, ziet hoe hij in het shirt van Ajax bijna raakschiet. Bijna, want de bal belandt op de paal. Vervolgens zie je schokkerige beelden van een slalomactie, waarna hij, moegestreden, de bal in de handen van de keeper schuift. Sommige compilatiefilmpjes op YouTube schetsen een vals beeld van een voetballer: het lijkt alsof hij of zij onophoudelijk scoort, en uitsluitend rendabele acties maakt. Daarom is Lucas Andersen * Danish Talent from Ajax * 2012 zo’n ontroerende compilatie: hij mist gewoon voortdurend, en zo wás het ook, met Lucas Andersen.

Zelf kijk ik Lucas Andersen * Danish Talent from Ajax * 2012 op regenachtige middagen, wanneer het voelt alsof succes iets is uit een vorig leven, dat ik misschien niet eens geleefd heb. Op zulke momenten is Lucas Andersen * Danish Talent from Ajax * 2012 echt een geweldige opsteker. Ik zou niet willen zeggen dat je er weer tegenaan kunt, vervolgens – het is eerder zoiets als zenmeditatie. Je ontwikkelt een soort innerlijke glimlach, die zich niet laat drukken door gemiste kansen. Gemiste kansen zijn gewoon, wanneer je maar lang genoeg naar dat filmpje kijkt.

Lucas Andersen werd op zijn achttiende aangetrokken door Ajax, en speelde daar vervolgens drie seizoenen. Op Wikipedia staat het volgende geschreven over zijn debuut tegen FC Groningen: ‘In de 88e minuut krijgt hij door een slimme steekpass van zijn landgenoot Viktor Fischer nog een scoringskans, maar de paal stond een doelpunt in de weg.’ Ik vind dat een lieve formulering. Als je het mij op de man af vraagt, heeft er nog nooit een paal een doelpunt in de weg gestaan. Je kunt palen van heel veel dingen de schuld geven, maar toch niet van het voorkomen van doelpunten. Palen proberen juist met man en macht aan te geven hoe je wel kunt scoren, is mijn ervaring.

Zonder twijfel is Andersen een van de meest sierlijke middenvelders die het afgelopen decennium voor Ajax heeft gespeeld. Maar dit was het probleem: hij ging nergens heen. Lucas Andersen liep gewoon, over dat strak gemaaide veld, zonder ook maar enigszins op weg te zijn naar het doel. Eigenlijk liep Andersen een beetje zoals mensen die je rond vier uur ’s nachts in de Korte Leidsedwarsstraat aantreft: zigzaggend, en met hun hoofd bij iets beters. Dat soort dingen ontroeren mij tot op het bot. Bovendien heb ik er hartstikke veel respect voor: probeer maar eens te dolen, wanneer Frank de Boer een paar meter verderop iets staat te schreeuwen over driehoekjes. Alleen het voorhoofd van Frank de Boer boezemt mij al zo veel angst in dat ik, op of naast het veld, aan niets anders dan driehoekjes zou kunnen denken.

Na omwegen langs Willem II en het Zwitserse Grasshopper is Andersen weer terug bij de club waar het voor hem allemaal begon: Aalborg BK, een subtopper uit de Deense competitie. Het laatste nieuwsbericht over hem dateert van een aantal weken geleden, en wanneer je erop klikt zie je een foto waarop hij aan het huilen is. De kop luidt: ‘Scheidsrechter legt Deense bekerfinale stil omdat fans geen 1,5 meter afstand houden’.

Dat is voor mij Lucas Andersen: huilen vanwege het schenden van de anderhalvemeterregel. Ik heb er even over nagedacht, en ik denk dat het allemaal een stuk beter met Andersen was afgelopen als we vanaf het begin van zijn loopbaan anderhalve meter afstand hadden gehouden. Niet alleen de toeschouwers, maar ook zijn tegenstanders en medespelers. We hadden Andersen gewoon met rust moeten laten. Ik sluit niet uit dat ook dan de paal veel van zijn doelpunten in de weg zou hebben gestaan – het doel heeft gewoon nooit helemaal zijn interesse gehad.

Andersens interesse heeft altijd gelegen bij slalommen, bij linksaf gaan als je eigenlijk rechts moet. In de filosofie worden zulk soort neigingen op waarde geschat. Tegendraads denken, noemen ze dat. Het doel is iets vulgairs, voor filosofen, en zij hadden maar wat graag langer naar Andersen mogen kijken in het rood en wit van Nederlands meest arrogante club. Het heeft niet zo mogen zijn, en ik durf te zeggen dat met Andersen heel wijsgerig Amsterdam huilt. Toch is dat nu eenmaal het lot van de meeste vrijdenkers: je verzet je tegen structuren, driehoekjes of vierkanten, en eindigt vrij, maar moederziel alleen.