Muziek

Lucebert op muziek

Muziek: De hemelse wanklank

Poesie ist auch eine geistige Musik, zei Schlegel. In die zin heeft de poëzie van Lucebert geen componist meer nodig. Maar de verleiding om zijn voordrachtskunst in klinkende muziek te dopen is aanzienlijk. De woorden vragen het. «Zo een heldere snaar/ een mens in de ruimte/ verbrand en geboren/ lichtschikkend en zingend.» Of zo: «van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen/ van hoe de mensen spinnen en sterven en zingen». Wat hier in raadselspreuken zingt, dat zingt en huivert, «is tot op de tandeloze grammatica gemillimeterd».

Lucebert lezen is één. Hem horen voordragen is twee. Er is een oude plaat, O hoor, waarop hij zijn eigen werk leest op de enig juiste toon: een celebrant met alle zintuigen op scherp. Hij spreekt als een God die voor het eerst zijn eigen evangelie voorleest zonder te begrijpen wat het om het lijf heeft, terwijl hij ergens wel inziet dat het goed is.

Dat is het psychologische aspect van deze poëzie, die zich gemakkelijker laat verstaan dan laat beduiden. Er is ook de grafische kant. De taal is als een nurks, van god en iedereen verlaten lijnenspel in een ontzielde ruimte. Je zou de woorden de woorden kunnen laten. Ook zou je kunnen zeggen: ze zijn een tekening zonder doek, een schilderij zonder lijst. Er moet nog iets bij, al was het maar omdat de woorden als een draaikolk alles naar zich toetrekken. Ze rijmen op niets, en dus op alles. Muziek zou dan een antwoord kunnen zijn op het soort open vraag dat de gedichten stellen: woord, waar ben ik?

Erik Voermans zei: bij mij. Thuis stond O hoor te branden in zijn platenkast, wachtend op het ogenblik waarop hij een formule had gevonden om «de cadans, het timbre en de sferen» van Luc e berts «zingende voorleesstem» in klank te vatten. Toen dat moment gekomen was, nam hij gitaar en elektronica ter hand om met vreemd rondzingend gitaarspel de gedichten te omwinden als een spin zijn prooi, waardoor muziek en woord zich onverbrekelijk met elkaar verbonden. «Bij terugluistering», schrijft Voermans, «was ik niet zelden verbaasd over hoe diep de woorden en de muziek op elkaar bleken in te werken en over het intrigerende contrapunt van vermoede betekenissen dat was ontstaan.»

Voermans legde zijn klank experimenten vast in Studio De Machinekamer, het Abbey Road van Nieuwegein. Het resultaat is, letterlijk op zijn zachtst gezegd, bijzonder. Sereen en schoon hangt de gitaarklank als een halo rond de vreemde, wezenloos intens gesproken woorden, die worden voortgebracht door iemand die niet weet waarvan ze komen, maar wordt voortgejaagd door een drift die de suggestie van tragedie impregneert in het verstilde klanklandschap van de intens welluidende geluidsnevels. Zachte muziek, maar Voermans vat zijn opdracht niet luchthartig op. Het levensmoede citaat uit de van dood doordrenkte laatste akte van Wagners Tristan und Isolde in De verdwaalde herder is niet meer bij machte geeft aan hoe hoog de inzet is.

Er is iets vreemds aan deze plaat. Hij heet De hemelse wanklank en dat is terecht maar ook weer niet; er is geen wanklank te horen. Ik heb Voermans ooit ontmoet en vroeg hem toen waarom hij Stockhausen en Berio zo mooi vond. Dat is omdat ik uit principe modernist ben, zei hij streng. Maar daar is weinig van te merken. Wat de gitaar aan ambient-geluiden in de dichtersether slingert is niet eens verwijd tonaal, het is de harmonie der sferen zelf, zo consonant. Hier zingt de vrome katholiek die het gewierook van zijn God niet los kan laten.

Met deze opname heeft Voermans braakliggend terrein ontgonnen. Hij kan nu alle kanten op. Hij kan een native speaker Faulk ner, Beckett of een landschap bij Couperus laten voorlezen en daar muziek bij maken. Hij kan een slagwerksymfonietje kloppen op de hamerslag van Van Ostaijen. Het legato van een Rilke laten stromen. Als lava gloeiend, met de woorden mee. Tot een volgende keer.

De hemelse wanklank,

Lucebert (stem) en Erik Voermans (gitaar en elektronica)