Kunst: Marinus Boezem

Lucht uit een koffer

Hij signeerde met de condensstrepen van een vliegtuig zijn naam in de lucht. Voor koningin Beatrix zette hij bronzen boomstronken bij Paleis Het Loo. Lucht is een zuivering. Een kathedraal van een oeuvre, dat van Marinus Boezem.

Marinus Boezem, Show IX: Gordijnkamer, Kranenburg, Bergen © Marinus Boezem

In eenrichtingsverkeer slingert het publiek door de smalle gangen van het Kröller-Müller Museum. Een afzetlint in het midden dwingt de bezoeker links te houden, de bewegingsruimte is beperkt. Toch begint aan het eind van de gang AlleShows, een tentoonstelling met werk van Marinus Boezem die nota bene ‘lucht als ruimtelijk ideaal’ had en in 1969 de ramen van het Amsterdamse Stedelijk open zette om het beddengoed én het museum te laten doorluchten.

De verplichte smalle looproute hoort bij de coronaprotocollen, het had ook onderdeel kunnen zijn van het werk van Boezem. De in 1934 in Leerdam geboren kunstenaar gebruikt in zijn kunst vaker mechanismes die je niet in een kunstwerk zou verwachten. Tussen 1964 en 1969 trok de jonge Boezem met zijn werk langs de musea, zo illustreren de foto’s. Hij had een maatpak laten maken, droeg een zwart leren koffertje. ‘Zo’n koffer die ambtenaren bij zich hebben in de trein, en dan klappen ze die open, en dan zit daar een appel in en een kam’, vertelt hij in de voor de tentoonstelling gemaakte video.

In zijn koffer had de kunstenaar een stapel ideeën, voorstellen voor kunstwerken die hij zou kunnen maken. ‘Shows’ noemde hij ze – ondernemerslogica had hem blijkbaar geleerd dat je namen groots en Engels moet maken. Als een museum geïnteresseerd was, kon hij het voorstel uitwerken tot een fysieke installatie; zo niet, dan bleef het bij het papier. De Shows waren genummerd van I tot en met XV; Show XIII ontbrak. ‘Blijkbaar is er iets misgegaan met de telling’, stelt de publicatie bij de nieuwe tentoonstelling. Of misschien heeft de kunstenaar, als ondernemer mee-anticiperend op het bijgeloof van mogelijke klanten, net als bij vliegtuigstoelen, hotelkamers en -verdiepingen nummer 13 uit voorzorg overgeslagen.

In het Kröller-Müller Museum zijn ze nu alle veertien te zien, op papier én in fysieke vorm, aangevuld met enkele ongenummerde concepten. Ze zijn prachtig in al hun eenvoud. Met zwarte stift op wit papier een schematische tekening, soms een beetje collage, en een handgeschreven toelichting. Ze beslaan één muur, hangen ingelijst naast elkaar. En zijn meteen het beste deel van de tentoonstelling.

In de white cube van het museum worden veel van de installaties namelijk overdreven esthetisch en tegelijk banaal, als uitgelegde moppen. De lege witte doeken met ervoor bungelend vanaf het plafond steeds drie spuitbussen, rood, blauw en groen. De omschrijving ernaast van Show III heeft het over spuitbussen van verschillende kleuren, die zijn gevuld met samengeperste lucht. Door hiermee te spuiten, zou de ‘medespeler’ een ‘anti-picturale beleving’ hebben. Maar hier, in het Kröller-Müller, zijn de kleuren fel, en lijken de bussen vooral op een mobile. Even verder is de Soft Room uitgevoerd, een installatie van twee statafels onder witte wapperende tafelkleden, en daarnaast drie ramen met wapperende gordijnen. In de ramen en op de grond staan ventilatoren die voor het gewapper zorgen.

Marinus Boezem, Show IX: Gordijnenkamer, 1965 © Marinus Boezem

Het werk van Marinus Boezem wordt vaak in de traditie gesteld van die van Marcel Duchamp, de kunstenaar die honderd jaar geleden gebruiksvoorwerpen transformeerde tot kunst, en óók met een koffer op pad ging. Met een rare titel, soms een combinatie of omkering van voorwerpen, plaatste hij het alledaagse op een voetstuk. Duchamp heeft ongetwijfeld invloed gehad op de Nederlander, maar Boezem doet niet hetzelfde als hij. Voor Boezem blijft een ventilator een ventilator, en een gordijn een gordijn. Duchamp deed een kurk op een flesje en noemde het L’air de Paris, Parijse lucht, Boezem laat de lucht waaien, stromen en blazen, en noemt het L’air du temps. En of die nu uit Otterlo komt of uit Middelburg, dat maakt voor de betekenis van het kunstwerk niet uit.

Lucht is voor Boezem geen poëtisch concept maar een essentiële bouwsteen, zo stelde hij zelf in 1966. Hij schreef: ‘In het najaar van 1963 vind ik lucht als zuivering, als werkelijkheid, als verovering van ruimte. De luchtexperimenten worden voor mij een inwijding in een kunst die streeft naar vrijheid’, en even later: ‘Er worden werktekeningen gemaakt waarin een tentoonstellingstechniek wordt ontwikkeld om lucht als immateriële aanwezigheid, als zuivering te ervaren.’

Een jaar later ziet hij lucht ook als bouwsteen voor een nieuwe architectuur. Pleinen en steden zullen volgens hem door luchtwanden en -daken worden beschermd tegen de elementen. Boezem heeft het over opblaasbare ‘relax-blazers’ waarin de mens zal zweven, en over ‘vluchtige monumenten’ die nevels van synthetische bloemengeuren laten hangen in de straten en boven de pleinen.

Lucht is voor Boezem geen poëtisch concept maar een essentiële bouwsteen

Ook buiten de concepten van de Shows werkt Boezem verder met zijn bouwsteen. Hij koopt bij het knmi de weerkaart van een dag in 1968 met veel wind, en zet overal de windsnelheden bij. Hij ondertekent het met: ‘Boezem Medium ter Bevordering van Hernieuwde Ervaringen’. Even later laat hij met de condensstrepen van een vliegtuig zijn naam in de lucht schrijven – zo heeft hij heel even de lucht gesigneerd. En een jaar later, bij de legendarische tentoonstelling Op losse schroeven in het Stedelijk Museum in Amsterdam, laat de kunstenaar lakens en kussens uit de open ramen van het museum wapperen. Binnen lezen acteurs dagelijks het weerbericht van die dag voor.

In het Kröller-Müller Museum is er van die geschiedenis weinig te zien. De tentoonstelling concentreert zich immers op de uitvoering van de vroege interactieve Shows. Dat maakt het vooral tot een doe-tentoonstelling die veel gelijkenis vertoont met de hedendaagse Instagram-ruimtes. Bij de spiegelende wanden (Show XII) en de twee grote zeilen die met behulp van ventilatoren tegen elkaar worden geblazen en waar de bezoeker zich ‘platgedrukt’ tussendoor kan bewegen (Show VIII) vormen zich rijen met gezinnen die elkaar willen fotograferen, elkaar vastleggen in de wind.

Zelf verheugde de inmiddels 87-jarige kunstenaar zich in zijn woonhuis in Middelburg op de tentoonstelling. Nooit eerder waren alle Shows fysiek te beleven. Toch liggen de werken ver achter hem, vertelt hij in de film. De totale vrijheid die het kunstenaarschap hem geeft, waardeert hij nog steeds. ‘Ik heb nooit een eigen stijl willen hebben’, zegt hij. ‘Stijl is een logo.’

Er was inmiddels één vorm, één stijl die Boezem in de loop der jaren wél heeft omarmd, één logo: dat van de kathedraal. ‘Een van de grote omslagen in de architectuur’ noemt hij het, omdat het bouwen zo’n lange tijd kostte, en er toch werd vastgehouden aan het grondplan. Die drang naar perfectionering bewondert hij. In de loop der jaren zette Boezem zelf meerdere kathedralen neer, steeds als echo van beroemde, nog bestaande gebouwen.

De kunstenaar gebruikte het vloerplan van de kathedraal van Reims eerst als vertrekpunt voor collages op papier waarin lucht, zijn bouwsteen, op allerlei manieren werd geprojecteerd in de ruimte. Bijvoorbeeld door een tekening van het vloerplan met een foto van hemzelf, roepend, omringd door wegfladderende vogels. Of hij heeft hetzelfde vloerplan gevuld met één veertje – van een reuzenvogel. Of met een modelvliegtuigje op de kruising van transept en schip, klaar om op te stijgen. Na het leren koffertje werd het grondplan van de kathedraal de ondergrond voor de ideeën van de kunstenaar, de lucht bleef trekken.

Anders dan in de Shows voerde hij sommige kathedralen wél uit. Een van de eerste materiële uitvoeringen begon in Flevoland in 1987, met de Groene Kathedraal. Op een leeg stuk polderland plantte Boezem 174 populieren volgens de plattegrond van de kathedraal van Reims – schelpen tonen de ribben van het bouwwerk. Ernaast kwam een paar jaar later een beukenbos met precies diezelfde buitenvorm als uitsparing, alsof de kerk uit het bos was geklapt. Nu ruist de wind er door de kathedraal van bomen, en rusten wandelaars en fietsers er uit. Binnenkort hebben de populieren hun maximale hoogte bereikt, en zullen de bomen afsterven. Dan blijft alleen de binnenvorm ernaast over.

Ook op andere nieuwe grond kwamen Boezem-kathedralen, steeds heeft de lucht er een belangrijke rol. Op Neeltje Jans plaatste de kunstenaar in 1994 basaltstenen die waren overgebleven van de bouw van de stormvloedkering, in het patroon van de plattegrond. Abri heet het werk, ‘schuilplaats’. Een veel luchtiger versie ontstond in 2010 op het dak van zijn atelier in Middelburg. Boezem strooide duivenvoer uit in het patroon van de kathedraal van Assisi; Franciscus was immers de vogelvriend. Hij filmde de hierop af komende duiven, die het strakke patroon razendsnel transformeerden tot een chaos. Het was een verwijzing naar de chaos die ontstaan was toen het dak van de echte kathedraal in 1997 door een aardbeving was ingestort, uit de duizenden fragmenten zijn de fresco’s later weer gereconstrueerd. De verrassing was groot toen een paar weken nadat de duiven het voer hadden opgegeten op het dak een groene plattegrond verscheen – de zaden uit het voer waren ontkiemd.

Voor koningin Beatrix zette hij bronzen boomstronken in het bos van Paleis Het Loo, volgens het patroon van de kathedraal van Reims. De bovenkanten van de stronken worden regelmatig spiegelend glad gepoetst, de lucht en de bomen moeten zich erin spiegelen. En bij de Verbeke Foundation bij Antwerpen groeit sinds 2016 een groep Italiaanse populieren in de vorm van de Baudelo-kapel uit Gent. Een buizenconstructie, die eerder in de echte kapel gebruikt is tijdens restauratiewerkzaamheden, suggereert hier ook de driedimensionale vormen.

Met deze monumentale latere werken in het achterhoofd zijn de Shows uit de jaren zestig beter te begrijpen; tegelijk groeit de vraag of de verwezenlijking van de concepten het werk van de kunstenaar wel recht doet. De kleine catalogus stelt zelf al: ‘Ook al zouden de Shows niet worden uitgevoerd, dan nog zijn de getekende ideeën op zich eigenlijk al genoeg om de eigen verbeelding op gang te brengen.’ In de video toont Boezem in zijn tuin een werk dat hij later maakte: een afstandbediening van zo’n drie meter groot, uitgevoerd in zwarte natuursteen. Sculpture Panoramique noemde hij het zelf. De afstandbediening is gericht op het uitzicht dat er vanaf de tuin is te zien. Het legt onbedoeld de vinger op de gevoelige plek van de uitvoering van Alle Shows: het werk van Boezem hoeft niet tot in detail te worden nagebouwd. Als hij alleen de controle heeft over de omschrijving is dat voldoende voor steeds weer een andere luchtspiegeling.

Marinus Boezem – Alle Shows. Tot 14 november in het Kröller-Müller Museum, Otterlo. De video Show Me is ook te bekijken op krollermoller.nl